7. Mag het licht uit….

Het laatste lied wordt ingezet.
‘Het werd verdorie tijd.,’ terwijl hij op zijn horloge kijkt.
Nu nog even lijden met alle kinderen van groep 8, inclusief het hele arsenaal aan muziekinstrumenten dat op school aanwezig is. Als een draconische kakofonie van triangels, tamboerijnen en sambaballen, barst de devote klas los. Uit volle borst wordt ‘Komt allen tesamen’ meegeblerd. De etters zijn al weer vergeten dat in de aanloop van het jaarlijkse kerststuk menig vechtpartij beslecht moest worden, dat juf Karin zelfs vandaag nog twee engeltjes tijdens de voorstelling en plein public uit elkaar moest halen.
‘Wat een culturele armoede, dan kun je nog beter de negentiende eeuwse armoede van Charles Dickens hebben, daar was een autoriteit nog eens een autoriteit, dat is nu wel anders.’
Hij schudt zijn hoofd en briest binnensmonds:
‘Getver, wat een gezever. Komt allen tesamen! Rot allemaal maar op.’

En als ze uitgezongen zijn, komen de drie koningen die luidkeels zullen roepen:
‘Volg het licht van de ster, volg het allemaal.’
‘Ook al zo’n nutteloze kreet. Laten ze hun jeugd eens leren na te denken in plaats dat dociele volgen waar de hele maatschappij al mee behept is. Volg de leider, volg de reclame, volg je buurman, volg de dominee, volg de Messias of een andere goeroe en nu ook nog eens het licht van een ster. Maar ja, je kunt het de kinderen amper kwalijk nemen met zulke randdebielen van ouders.’

Als de laatste tonen wegsterven zijn het inderdaad drie koningen die hysterisch schreeuwen ‘Volg het licht.’
‘Ze hebben wel weer een setje ADHDers voor deze klus bij elkaar getrommeld.’
Dan is het officieel zijn beurt, als hoofd der school, om de menigte toe te spreken en te vertellen hoe fijn en creatief hun verwende kroost de afgelopen weken bezig is geweest. En uiteraard, het resultaat mocht er zijn. Geoefend als hij is zal hij zijn meest aimabele glimlach tevoorschijn toveren. Dat zijn ogen niet meedoen, zien die lomperiken in de zaal toch niet.

Een aanzwellend lawaai overstemt de noodkreten van de koningen. Vaders schreeuwen, moeders gillen, terwijl ze vlug een traantje wegpinken. De meute gaat staan, zoals ze op tv hebben gezien, want een volwassen theater hebben ze nog nooit gezien. Ze scanderen en masse: ‘We want more.’
Het zal aan het improvisatietalent en vooral de militaristische aanpak van juf Karin liggen of ze de dolgedraaide kinderen weer bij elkaar kan krijgen. Maar deze strabante collega kennende, ook hij siddert soms van haar optreden, zal hij zijn stichtende woorden nog even voor zich moeten houden.
Aan de zijkant van het toneel, buiten het zicht van een ieder, plukt hij een verloren kersttak van de grond en draait het tussen zijn duim en wijsvinger. Hij trekt er een naald uit, en nog één, nog één……
Bij ieder naald fluistert hij:
‘Ik ben een misantroop.’
En bij de volgende:
‘Ik ben geen misantroop.’
‘Ik ben een misantroop.’

Hij gaat zo op in zijn bijgelovige spelletje dat hij niet eens hoort dat ze ‘Allen weer tesamen komen’. Ook bemerkt hij niet dat de koningen wederom als waanzinnigen roepen het licht te volgen. Hij wordt zich pas weer bewust van zijn omgeving als die achterlijke Vervoerdt de kans grijpt om de microfoon te beroeren.
– ‘Godverdomme, die eikel neemt de Bijbel ter hand om voor zijn eigen sektarische gemeente te prediken.’
Met een bijna afgekloven takje loopt hij ook het podium op en gaat dreigend naast Vervoerdt staan. Hij hoorde niet eens dat die dikke blonde, altijd dominant aanstellerig aanwezige voorleesmoeder, hem met betraande ogen meedeelde hoe geweldig het stuk is geweest. Hij is een kop groter en veel imposanter dan die Vervoerdt uit groep 6. In een ooghoek ziet Vervoerdt zijn baas naast hem staan.

Gesteund door de Bijbel zegt hij met zijn kenmerkende afgeknepen stem en met een valse nichterige glimlach:
– ‘Dirk, met permissie, nog één belangrijk citaatje en het woord is aan jou.’

Terwijl die Vervoerdt druk zoekt naar de juiste passage, kijkt hij heel onbestendig naar zijn takje, dan naar Vervoerdt en weer opnieuw naar het takje.
‘Hoe kan deze ellendige nageboorte, een toch al bij voorbaat mislukte avond met zoetgevooisde ellende nog miserabeler maken. Jawel, het kan door nota bene te gaan zitten preken. Hoe fundamentalistisch moeten we de Christelijke identiteit naar voren brengen. Waarom? Waarom?
Eindelijk heeft Vervoerdt de juiste passage gevonden.

De intrigant steekt zijn arm naar voren, wijst de zaal in en geeft te kennen dat hij zal citeren uit het evangelie van Matheus, hoofdstuk 2 vers 2. Voor hem, Dirk, hoofd der school wordt de wereld om hem heen kleiner en kleiner. Hij ziet Vervoerdt, hij ziet de schijnwerper en hij ziet het restantje kersttak. Hij realiseert dat Vervoerdt niets te zeggen heeft, want ook hij kent de Bijbel van voor naar achteren en terug. De onzin van de kinderen wil hij slechts met een religieus sausje voorzien.
– ‘Wij hebben zijn ster……’ krast Vervoerdt.
‘Ik ben geen misantroop’ mompelt hij.
‘Wij hebben zijn ster in het oosten gezien en….’
‘Ik ben een misantroop.’
Iets harder nu.
‘En zijn gekomen om Hem…..’
‘Ik ben geen misantroop.’
‘Om Hem onze hulde te brengen!’
Dan grijpt hij de microfoon van Vervoerdt en in het volle licht van de schijnwerpers rukt hij de laatste naald uit de kersttak.
Hij galmt nu door de zaal:

– “IK, ik ben een misantroop.’

Hij kijkt naar de geschrokken Vervoerdt.
‘En jij, jij….jou zal ik eens een hulde brengen tegen je vieze ster. Ik trap je persoonlijk naar het oosten en wel subiet.’
Hij haalt uit naar Vervoerdt en raakt hem op zijn magere puntige billen. Billen die onvrolijk in het leven staan van het oneindige zitten in die kerkbanken van hem.
‘Zo die zit.’
Zijn duivelse lach gaat door de hele zaal. Het is verder muisstil. Juf Karin komt vertwijfeld aanlopen en zegt nu zachtjes en helemaal niet strabant meer.
‘Maar Dirk toch, Dirk toch……’
Hij lacht zelfbewust naar haar en zegt:
– ‘Wees niet bezorgd. De hele kliek kan me geen moer schelen.’
Verbouwereerd kijkt juf Karin naar hem als hij de microfoon andermaal wil gebruiken.
‘Dit is lekker zeg. Ik volg helemaal niemand meer. Niemand. HOOR JE. Nu niet en nooit niet meer. Dit mogen jullie allemaal van me weten. Iedereen moet zijn hart is eens luchten en gewoon zeggen wat hij lekker vindt.’
Triomfantelijk kijkt hij de zaal in. De zaal die ongemakkelijk heen en weer schuift. Jongere kinderen beginnen te snikken. Dan voelt hij een zachte hand op zijn hand die de microfoon van hem overneemt. Het is juf Karin. Zachtjes zegt ze in de microfoon:
‘Mag het licht uit?’
Enkele seconde later is het donker, heel erg donker.

5. Winterroos

Met een volgeladen fietstas, een klam voorhoofd en rode konen komt Tessa thuis. Ze pakt de boodschappen voor het kerstontbijt uit. Haar ouders komen eerste kerstdag. Ze heeft de mensenmassa’s en jengelende kerstliedjes doorstaan en ze wist haar paniek te beheersen in de drukte van de supermarkt.
‘Niet te veel op anderen letten’, weet Tessa, ‘dat is niet goed voor mijn gemoedstoestand.’ Tessa heeft het al druk genoeg met zichzelf. Geconcentreerd werkt ze haar boodschappenlijstje af.

Thuis, als alle boodschappen op de keukentafel liggen, loopt ze het lijstje nog eens na alvorens de spullen op te bergen. Zo heeft haar therapeut het Tessa aangeleerd. Om de chaos in haar hoofd de kop in te drukken, moet ze structureren, ook ogenschijnlijk onbeduidende zaken. Bovendien, het kerstontbijt is voor Tessa geen onbeduidende aangelegenheid. Na twee jaar van geestelijke ellende, is ze al weer enkele maanden helemaal vrij van vreemde gedachtekronkels. Het lukt weer zelfstandig te wonen met dank aan haar ouders die ze heeft uitgenodigd voor een uitgebreid kerstontbijt.
‘En dat moet lukken’ zegt ze vastbesloten, terwijl ze de zalmfilet van haar boodschappenlijst streept en in de koelkast legt.
‘Structureren om eigenwaarde op te bouwen en te kunnen genieten van kleine successen.’
Ze hoort het iedere week van haar therapeut. Het kerstontbijt is op de divan uitvoerig besproken, bijna op het bespottelijke af. Maar Tessa weet als geen ander dat het nodig is.

Als het boodschappenlijstje helemaal is afgetekend, haalt ze opgelucht adem. Ze heeft alles binnen. Ze kijkt met een voldane blik uit het keukenraam en constateert verbaasd dat de brem al in bloei staat.
‘Dat is wel heel vroeg, maar dat kan ook niet anders met die ouwewijvenzomer van dit jaar.’
Ze staart nog even in haar tuin en ziet opeens dat de rozenstruik nog een bloem heeft. Ze holt naar buiten en tot haar ontzetting ontwaart ze naast de bloem ook nog een aantal knoppen die op springen staan.
‘Dit mag niet, dit kan niet’ roept Tessa.
In de beleving van Tessa mag de brem dan vroeg bloeien, maar dan moeten de rozen van het jaar ervoor toch netjes uitgebloeid zijn. Geïrriteerd loopt Tessa van brem naar rozenstruik en terug.
‘Ik mag in de war zijn geweest, maar de natuur mag dat niet,’ mompelt ze ontgoocheld. De paniek dreigt compleet toe te slaan. Ze wil gillen, maar weet zich te beheersen en neemt dan een kloek besluit. Ze pakt een schaar en knipt de knoppen van de rozenstruik. De bloeiende roos mag blijven, maar de knoppen moeten weg.

Twee dagen later weet ze van het kerstontbijt een succes te maken. Op het moment dat haar ouders aanbellen, is de tafel feestelijk gedekt en ze hoeft alleen het knopje van haar koffiezetapparaat nog maar aan te zetten.
Haar ouders kijken verheugd naar hun stralende dochter en dan naar de gedekte tafel.
‘Meid wat een geweldig decoratief idee die rozenknopjes op een schaaltje. Nieuw leven als symbool voor het kerstkind.’
Tessa knikt glimlachend en schenkt haar ouders verse koffie in.

Tijdens het ontbijt begint het te sneeuwen, eerst zachtjes maar dan steeds harder. De winterroos steekt eerst nog uitbundig af tegen de sneeuw. Maar langzaam verdwijnt de rode kleur, het leed bedekkend.
‘Gelukkig’ denkt Tessa, ‘De herfst mag nimmer in de lente overgaan, zeker niet met kerst.’

4. Kerst met mijn zussie

Weinig fijnbesnaard zingt Alex ‘Midden in de winternacht’. Zijn stem galmt over het water en lijkt te weerkaatsen tegen de dijk aan de overkant.
‘Laat de beltrom gaan, laat de beltrom gaan, laat de bel, laat de trom, laat de beltrom horen, Jezus is geboren.’
Gedurende een korte onderbreking weerklinkt de echo nog. En dan is het stil. Te stil in de optiek van Alex die prompt heel vals Gloria in Excelsis Deo zingt of eigenlijk schreeuwt.

Alex gaat zo op in zijn devote gezang dat hij niet eens opmerkt dat twee haastige voorbijgangers hem verbaasd gadeslaan.
Op het moment dat Alex de wandelaars waarneemt, staakt hij abrupt zijn lied en begint meteen een conversatie.
‘Een echte familiebijeenkomst, hè’ zijn de eerste woorden.
Oprecht verheugd door de aanwezigheid van anderen zegt hij:
‘Kerst is een echt…… een echt familiefeest, toch?’
Onder het mompelen van een goedenavond versnellen de twee hun pas. Ze worden nog nageschreeuwd door Alex.
‘Ze is mijn zuster hoor, mij zus uit Italië. Niet mijn eigen zus, maar zo voelt het wel.’
Alex denkt na over zijn eigen woorden en mompelt nog een keer:
‘Mijn zussie.’
Dan staat hij plotseling op en loopt naar de rand van de kade om te piesen. Zijn straal klatert in de rivier en door de kou slaat de damp er vanaf.
‘Ook dat nog, niet alleen de geboorte van Christus, ook de Heilige Geest is vanavond present.’
Alex schatert om zijn eigen grap. Als hij klaar is met plassen, neemt hij zijn omgeving eens ernstig in zich op.

De brug over de rivier staat in de blauwe schijnwerpers. In de verte liggen passagiersboten te wachten op reislustigen voor een reisje langs de Rijn. Op kerstavond zullen die zeker niet komen. De kerstverlichting op het zomerdek bewijst dat het december is. Voor de rest ziet Alex een desolate omgeving van beton en oude containers. Het is er verder stil, kaal en koud. De kou voelt Alex nu op zijn buik, want hij staat nog steeds in de plashouding. Rustig en kalm kuist hij deze onbetamelijke positie en doet vervolgens zijn gulp dicht.

In de verte schreeuwen een paar junks. Ze zijn vast boos omdat ze de boot niet op mogen, zelfs niet op kerstavond. De boot is de opvang voor onverbeterlijke junks. Alex moet niets hebben van die junks.

‘Ik ga maar weer eens naar mijn zussie, ze zit daar maar alleen te wachten.’
Alex neemt de fles aan zijn mond en drinkt het laatste restje. Automatisch graait hij met zijn andere hand in de plastic boodschappentas. Tevergeefs zoekt hij naar de derde fles. Hij voelt nog eens goed en ziet dan even verder op twee flessen staan, allebei leeg.
‘Ach, ach, ach’ kreunt Alex, ‘Lieve eerwaarde zuster, nu laat je me helemaal alleen achter.’
Nog een keer doorzoekt hij zijn tas tegen beter weten in. Geen Pleegzuster Bloedwijn meer te bekennen. Ook de fles sterke drank om ‘zijn zusje’ mee op sterkte te brengen was leeg.
‘Dan maar een plekkie zoeken om te slapen.’
Alex schuifelt wankel in de richting van het centrum. Hij zingt nog zachtjes van midden in de winternacht. De goede stemming is echter met zijn zusje verdwenen.

 

3. Kerst, een vriend?

De ruitenwissers piepen gelijkmatig. Met een zakdoek veegt Dorus de condens aan de binnenkant weg. Met een lange rij forenzen probeert hij de stad uit te komen. Door de natte sneeuw en het slechte zicht gaat het tergend langzaam.
‘Ja, kom er maar tussen’ moppert Dorus tegen een medeweggebruiker die zich tussen hem en zijn voorganger manoeuvreert.
Lang heeft Dorus het weggestopt, dat gevoel van winter, kou en donkere dagen. Ieder jaar ziet hij op tegen de decembermaand en ieder jaar gaat die ook weer voorbij. Dit jaar heeft de lange nazomer gezorgd voor het uitblijven van dat negatieve kerstgevoel. Maar met dit weer kan Dorus er niet om heen.

Eigenlijk wist hij het deze ochtend al, toen de kerstsingel van Fay Lovsky met ‘Christmas was a friend of mine’ door de luidsprekers galmde.
Als dit prachtige nummer gedraaid wordt, weet Dorus dat de narigheid gaat beginnen. Het lied straalt een landerige opgewektheid uit die Dorus zo verfoeit.
Voordat Dorus naar huis gaat, moet hij eerst de kerstboom halen.
‘Hij staat al klaar’ had zijn vrouw Dora nog nageroepen.

Terwijl Dorus gehypnotiseerd naar de koplampen van de andere auto’s kijkt, vraagt hij zich af:
‘Wat is er misgegaan, met mij en het kerstgevoel.’
Dorus weet nog goed hoe hij zich als kind kon verheugen op de feestdagen. Buiten het feit dat hij twee weken vakantie had en vaak tevergeefs hoopte op sneeuw, staan de geweldige maaltijden en de gezellig volle kelder met etenswaren Dorus op het netvlies gebrand. Zijn moeder was dagen bezig geweest met boodschappen, bakken en braden en het huis was sfeervol ingericht. En na de kerstdagen kwamen de oliebollen. Nog dagen geurde het huis ervan.

‘Ja, ja, ik rij al.’
Dorus wordt opgeschrikt door een ongeduldige automobilist, die Dorus attendeert op het groene licht.
‘De kerst, het is geen vriend van me’ concludeert Dorus als hij eindelijk kan doorrijden naar het adresje voor de kerstbomen.

Bij het verkoopadres staat Dorus opnieuw in de file, maar nu met allemaal lotgenoten die ook na hun werk nog snel een kerstboom halen. Zoetgevooisde kerstliedjes komen uit de radio en een hip meisje in een sexy kerstoutfit schenkt warme chocolademelk in voor de wachtenden.
‘Dat zal wel bij de prijs van de boom worden berekend’ mompelt Dorus mismoedig.
‘Een pracht boompje voor u, dat maakt dan 20 euro’ krijgt Dorus te horen als hij aan de beurt is.
‘Hele fijne feestdagen gewenst en tot volgend jaar maar weer.’
‘Ik denk het niet’ denkt Dorus vals en zegt; ‘Hetzelfde en tot ziens.’

Dorus wurmt de boom met moeite in zijn auto, terwijl de allergische reactie van de naalden zich al op zijn hand aftekenen. Het sneeuwt niet meer. De maan komt tevoorschijn en laat een winters landschap zien.
‘Nog even en dan ben ik eindelijk thuis.’

In de verte ziet Dorus zijn kinderen al bij de voordeur springen. Dorus wordt enthousiast begroet.
‘We gaan samen de kerstboom versieren’ zegt de jongste uitgelaten, ‘Mamma heeft de spullen al klaar staan.’
Dorus laat de drukte gelaten over zich heen komen en vraagt zich af: ‘Is kerst nu wel of niet een vriend van mij?’
Fay Lovsky eindigt trouwens met ‘happy new year’. En ook deze kerst gaat weer over.Vol overgave stort Dorus zich op de kerstballen.

 

2. Liederlijke kerstfabel met verlicht einde

Jomus vliegt lodderig achter Marmus aan. Zijn boosheid is weg. De onzekerheid speelde al weken en kwam gisteravond tot een ontlading.
‘Van wie is het kind?’ had hij geschreeuwd.
Marmus keek hem begripvol aan en antwoordde slechts:
‘Ik weet het echt niet, maar het kind is verlicht.’
Vol afgrijzen vloog Jomus weg en laafde zich aan jeneverbessen. Hij wilde vergeten. Vergeten dat zijn vrouw onteerd was. Vergeten dat hij de liefde niet met haar had mogen bedrijven.
Gisteravond beet hij haar toe:
‘Ik had je moeten nemen, lang, hard en vaak.’

Die ochtend heeft hij spijt, en hoofdpijn. Jomus laat zich beschaamd verzorgen door zijn zwangere Marmus. Vol barmhartige devotie masseert ze zijn kater weg. Alle anderen zijn al vertrokken, als Marmus en Jomus de reis aanvaarden.

Sinds weken reist de kolonie in opdracht van koning Herodantimus richting Damaskmus. Hun koning is zich zelf niet meer sinds zijn veroordeling door de Voorzienigheid.
De Voorzienigheid heeft hem gestraft voor het doden van een van zijn onderdanen. De straf was mild, maar de koning woest. Per decreet verordonneerde hij: “Ik, koning van Domimus tot Damaskmus, eis dat alle onderdanen per direct naar Damaskmus vliegen. Zij blijven daar tot de revolutionaire geesten, die mij willen onttronen, gepakt zijn.”

Damaskmus is een woestijnachtig landschap met een enkele oase, waar plaats is voor weinigen, niet de duizenden die het moet herbergen.
Tegen de avond is de oase nog niet in zicht. Marmus is moe en bij Jomus wint het schuldgevoel van zijn kater. Hij herneemt de leiding. Jomus beseft, hoewel hij niet de vader is, dat het ei die avond gelegd moet worden. Als de zon verdwijnt, koelt het snel af.
Dan horen ze gelukkig in de verte hun soortgenoten, ze naderen de oase.
‘We zijn er bijna’ roept Jomus.
Marmus knikt slechts beminnelijk.
Eenmaal in de ‘Oase van Damaskmus’ aangekomen, vernemen ze dat er geen plaats meer is. Het enige dat ze vinden is een beetje eten en de tip dat in de periferie van de oase enkele rotsen zijn die mogelijk soelaas kunnen bieden.

Marmus neemt een kloek besluit.
‘Jomus, wij hebben elkaar en het ei, we redden het samen wel.’
Jomus negeert zijn gekrenkte mannelijke ego, besluit dat het ook zijn kind zal worden en met zijn tweeën vliegen ze naar de rotsen.

Ze vinden een spelonk voor de nacht. Uitgeput valt Marmus in een diepe slaap. Jomus kijkt vertedert toe. Na een inspectie van de omgeving besluit hij ook te gaan slapen. Maar dan ziet hij dat er licht uit de spelonk komt. Ongerust hipt hij naar het licht. Bij binnenkomst ziet hij Marmus opgewekt zitten. Ze perst hun ei uit. Een ei dat licht geeft.
‘Kijk Jomus, ik zei toch, het is een verlicht kind.’

Het ei gaat feller schijnen en het licht is zichtbaar in de oase. Van alle kanten komen nieuwsgierige soortgenoten. Zij brengen voedsel en bewonderen het ei. En vele avonden later breekt het verlichte ei. Onder luid getjilp worden Marmus en Jomus omringd door hun soortgenoten. Zij feliciteren het versbakken echtpaar met de geboorte van hun zoon. Een koningszoon, is de overtuiging van de menigte en hij zal door het leven gaan als ‘Jemus, koning der mussen en de zuivere wedergeboorte van het slachtoffer van koning Herodantimus.’

 

1. (G)een kerstverhaal

Met een wanhopige worp mikt hij het zoveelste papier in de hoek van de huiskamer.
– “Het zit er gewoon niet in” mompelt hij, terwijl zijn hoofd moedeloos op zijn rechterarm leunt. Met een lege blik staart hij naar het blad dat nu nog maagdelijk wit voor hem ligt. Hij schrijft de titel op: Kerst 2004.
– “Kerst 2004, Kerst 2004, Kerst 2004”
Hij herhaalt deze woorden bijna mechanisch, maar dat levert niets anders op dan de clichés die hij de hele avond al fabriceert. Hij komt niet verder dan Charles Dickensachtige taferelen, eigentijdse sprookjes met een verfijnde moraal, liefdes die op tranentrekkende wijze weer opbloeien en eenzaamheid die op een wonderlijke manier verdreven wordt. Niets is goed genoeg en in de hoek van de kamer, naast de krantenbak, liggen de verfrommelde papieren die het bewijs zijn van zijn wansmaak.

Eerder de avond installeerde hij zich in de huiskamer, bewust weg van de werkplek achter de computer. Hij nestelde zich in de sober, maar fraai gedecoreerde kamer.
Een kerstboom verlicht de kamer op een prettige manier en de versierselen in de boom bestaan voor een groot deel uit huisvlijt van zijn zoons. Op verantwoorde wijze heeft zijn partner her en der overtollige lichtsnoeren op schalen en in glazen vazen gestopt. Een simpele maar sfeervolle manier om in kerststemming te geraken. Zijn vrouw is die avond niet aanwezig en hij drinkt een glas rode wijn, ook al tegen zijn gewoonte in, maar het past zo goed bij de sfeer. Normaliter lust hij graag een biertje, ook als het buiten kouder wordt.

– “Misschien een absurdistische column, een boodschap naar de regering?”
– “Kan ik iets met de oranje armbandjes?”
Dan wordt hij gestoord door gerommel op de trap. Zijn zoon Jasper komt naar beneden. De deurknop wordt even vastgehouden, een korte aarzeling niet wetend hoe zijn vader zal reageren op dit late tijdstip. Dan staat hij voor hem:
– “Ik moet morgen kersttakjes mee naar school.”
– “Lekker dan, daar kom je nu mee.”

Door het gerommel van Jasper, komt ook Koen naar beneden. Hij kijkt slaperig om zich heen en gaat naast hem zitten, alsof dat zo laat de gewoonste zaak van de wereld is. Terwijl Jasper op zoek is naar de kersttakjes en praat over de komende feestdagen, vraagt Koen:
“Mag ik warme chocolademelk?”
Vanwege het totaal onverwacht bevestigende antwoord, komt Jasper ook aan tafel zitten.
“Wat was je eigenlijk aan het doen?”
“Ik probeer een kerstverhaal te schrijven, maar het lukt niet zo goed.”
Koen kijkt naar het bijna lege vel papier en spelt de spaarzame letters.
“K….E….R…S….T….., ik kan kerst lezen.”
Met aan beide kant een jongetje nippend aan hun chocolademelk, beseft hij dat het lezen van Kerst meer dan voldoende is dit jaar. Er komt geen kerstverhaal, er is een kerstverhaal.