Route 2012

Een zeurderige hoofdpijn staat ’s morgens gelijk met je op. Even stel je het wakker worden nog uit, je draait je om in de hoop de dag nog even uit te stellen. Tegen beter weten in sluit je je ogen en hoopt dat de vermoeidheid die je in je voelt voldoende is om de achtergrondgeluiden te overstemmen.
“ Nee, niet doen sukkel!”
Een verschrikt gegil komt vanuit de woonkamer waar twee wakkere kinderen na een uur de zondagse plicht van rustig aan doen niet meer kunnen nakomen, de vrije gang naar de koekjestrommel ten spijt.
“Mamma!”
De jongste van het stel gaat zijn gelijk halen bij zijn ouders. De oudste komt er foeterend achteraan om te voorkomen dat een vertekend beeld wordt gegeven van de onenigheid die zojuist heeft plaatsgevonden.
“Gelukkig wordt er mamma geroepen”, bedenk je vals.
De moeder van het stel, die waarschijnlijk een soortgelijk ontwakingsproces heeft doorgemaakt, neemt haar verantwoordelijkheid en stapt zuchtend naast het bed. Jij draait je nog eens om in de hoop dat de moeder inziet dat je de slaap hard nodig hebt. In gedachte zie je het gezicht van de moeder die de kinderen tot kalmte maant. Meewarig hoort ze het relaas van haar kinderen aan, zonder dat het echt tot haar doordringt. Tenslotte zegt ze:
“Pappa slaapt nog. Stil zijn, ik kom er aan.”

Langzaam wordt het stiller in de slaapkamer. Nog eens omdraaien, maar de slaap is definitief verdreven. Zelfs een gelukzalige sluimertoestand zit er niet meer in, al is het maar vanuit een schuldgevoel naar de moeder toe.
Nog een minuut en jij zit op de bedrand en neemt de hoofdpijn duidelijk waar. Een katerig gevoel dat uit ervaring de hele dag zal aanhouden. Slaperig kijk je door een kier van de gordijnen. Het miezert net niet Dat belooft niet veel goed voor de rest van nieuwjaarsdag.
“Zoveel heb ik toch niet gedronken” mompel je nog.
Snel tel je de alcoholconsumptie van de avond ervoor, oudejaarsavond, nog eens na. De conclusie kan niet anders zijn dat je je heel verstandig hebt gedragen voor zo’n avond en met het extra uurtje slaap kan het in ieder geval niet de oorzaak zijn van de hoofdpijn.

Nu was het in het verleden heel gebruikelijk om het nieuwe jaar te starten met een kater. Zeker in je studententijd stond 1 januari garant voor een verschrikkelijke kater. Rond een uur of twaalf ging de wekker omdat verplichtingen je richting het ouderlijke huis regisseerde. De repeteerwekker zorgde er wel voor dat je om half één echt naast je bed stond. Wakker was je niet en je drukte je zwartwit-teeveetje maar eens aan. Als een soort automatisme wist je nog vanuit je opvoeding dat bij de eerste januari de walsen van Strauss horen. De Radetsky-mars van Strauss-jr. dirigeerde je naar de gezamenlijke douche op de studentenflat. Na een half uur onder een stevige straal water te hebben gestaan, strompelde je weer naar je kamertje waar inmiddels te levendige geluiden vanuit Garmisch-Partenkirchen een andersoortige eerste januari lieten horen.

Ook na je studententijd is de viering van oud en nieuw nog heel lang het moment geweest om geconfronteerd te worden met de wonderlijke wereld van het alcoholgebruik. Dat lijkt al weer jaren geleden.
Het katerige gevoel is echter een terugkerend fenomeen dat iedere nieuwjaarsdag je weer overvalt, zo ook vandaag. Het is natuurlijk het opzien tegen het nieuwe jaar die in zijn volheid voor je ligt. Een jaar met nieuwe ambities en goede voornemens, nieuwe pogingen om ledigheid, vet en nicotine te pareren en een schier oneindige lijst van zaken die nog moeten gebeuren.

Het ideale één januari-gevoel is als een mooie winterwandeling in versgevallen sneeuw, waarbij iedere stap een ferme afdruk achterlaat. Iedere pas is zuiver en goed en gezamenlijk laten de passen een spoor achter zoals jij die vooraf gepland hebt. Je kijkt tevreden om en je kunt doorgaan met het zetten van nieuwe passen. De werkelijkheid is echter anders. Je trekt je oude schoenen weer aan die bevuilt zijn van het afgelopen jaar. En met de eerste passen zie je dat het vuil in de maagdelijke sneeuw achterblijft en de moed zakt je in de oude schoenen. Schoenen die weliswaar het beste zitten, maar smerig. Vuil van het leven dat geleefd moest worden.
De ervaring leert dat wanneer je maar lang genoeg wandelt, de sporen steeds zuiverder worden en je het vuil achter je kunt laten.

Eén januari, even slikken en wandelen maar. Na een week is route 2005 een vanzelfsprekendheid geworden.

Een ieder een fijne wandeling toegewenst dit jaar.

Geschreven in 2005, maar ieder jaar weer van toepassing, dus ook voor 2012.

Het lot van de familie Meijer door Charles Lewinsky

Eerlijk is eerlijk, ik heb bijna twee maanden gedaan over het boek ‘Het lot van de familie Meijer’ van de auteur Charles Lewinsky. Normaliter is dat geen reclame voor een boek. In dit geval is dat zeker niet het geval. Door tijdgebrek en andere omstandigheden, had ik niet de mogelijkheid door te lezen. Te veel onderbrekingen bij een boek is vaak de doodsteek om het einde te behalen, soms zelfs voor niet eens onaardige boeken. Ondanks het feit dat ik soms maar een paar bladzijden las, vlak voor het slapengaan, heeft Charles Lewinksy me tot het einde toe weten te boeien. Door zijn manier van schrijven wist ik de ‘film’ dag in, dag uit levendig te houden. Ik zou willen beweren dat voor mij Lewinsky zo’n goede schrijver is dat je je als lezer niet eens zo’n ‘grote regisseur’ hoeft te zijn, om de literaire pareltjes tot een prachtig filmisch geheel te laten vervloeien.

Het lot van de familie Meijer

Charles Lewinsky

uitgeverij Signatuur/Utrecht

2007

Dat wist ik eigenlijk al van Lewinsky, want eerder had ik ‘De verborgen geschiedenis van Courtillon‘ ook verslonden.Wat ik het meest bewonder in ‘het lot’ van Lewinksy dat hij de grote en kleine verhalen zo moeiteloos met elkaar weet te verbinden. Het grote verhaal is natuurlijk de familiegeschiedenis van de Joodse familie Meijer in Zwitserland tegen de achtergrond van de (wereld)geschiedenis. Dit is in zijn geheel een prachtig epos geworden dat de lezer een goed beeld geeft van wijdverbreide anti-joodse gevoelens, ook buiten het latere oorlogsgebied gedurende beide wereldoorlogen. Als lezer werd ik meegenomen in menselijke overlevingsdrang, psychologische lotverbondenheid van de personages onderling en met hun eigen tijd.

Echter het meest genoten heb ik van het vermogen van de schrijver om in ieder episode en met ieder tafereel een levendige voorstelling te maken. De optelsom van al deze kleine verhalen, eenakters en filosofische beschouwingen maken het een gigantisch boekwerk.

 Om mijn positieve waardering beter onder woorden te brengen geef ik een aantal voorbeelden.

p.537 e.v. Een heel ingetogen beschrijving van Arthur Meijer en zijn nicht Désiree Pomeranz, beide vrijgezel op dat moment, hoe zij gezamenlijk af en toe de maaltijd gebruiken. Magnifiek beschreven, mogelijk totaal niet van belang voor het grote verhaal, maar een heerlijkheid van enkele bladzijden.

p.536 De schrijver werpt de vraag op wat je van elkaar bent als je geen vriend noch vijand van elkaar bent, wat ben je dan wel als er toch lotsverbondenheid is? Hij beschrijft het aan de aan van de lotsverbondenheid tussen Hillel Rosenthal en een arme boerenzoon met nationalistische sympathieën. Ze zijn klasgenoten van elkaar.

p.538 Een prachtig citaat, dat in mijn optiek heel eigentijds geïnterpreteerd kan worden:

‘Aan de andere kant van de grens, slechts een paar kilometer van Zürich vandaan, was de wereld uit zijn voegen gerukt, de cafépolitici waren van de stamtafel naar de regeringsbanken verhuisd en publiceerden hun grot-geschut-leuzen nu als wetsteksten.’ Wat moet ik hier nu verder nog over zeggen?

p.579-580 Rachel Kamionker, ook nog vrijgezel, spreekt met vluchteling Grün uit Duitsland op het dak van een stadswoning. In twee pagina’s wordt de onderliggende (aanstaande) relatie tussen beide beschreven maar ook de lijdensweg van joodscaberetier Grün en tevens een college wat humor is.

Er is zoveel op literair, psychologisch, historisch en filosofisch gebied veel te genieten van het boek en ook in zeer hoge dichtheid aanwezig, zodat geen enkele bladzijde verveelt. In het begin moest ik een beetje wennen aan de grote hoeveelheid Jiddische uitspraken. Verder blijft minimaal één vraag bij mij achter. In het hele boek komt een oom Melnitz voor, die heb ik nog niet echt kunnen plaatsen. Is dat het geweten, een fictieve biechtvader van de familie of wel de naamgeving van het lot van de familie Meijer? Ik durf het niet met zekerheid te zeggen, maar een boek mag ook geheimen vasthouden voor mij.

Mijn beoordeling voor dit boek is een: 8,5

Voor alle andere Sprakeloos boekervaringen, volg de link

Mijn Filmblik op ‘Mamma Mia’

Voor de derde keer gezien en wederom goed gevonden. De film Mamma Mia met Meryl Streep in de hoofdrol is een aanrader voor ieder tijdstip van de dag. Afgelopen maandag heb ik de film in huiselijke kring, samen met mijn ouders gezien op Tweede Kerstdag. Zelf ben ik van mening dat de film in het rijtje mag van de evergreens voor de kerst zoals Sound of Music en Love Actually. De film is een uiterst rendabel medicijn voor een sombere gemoedstoestand, voor de donkere dagen en vastzittend lachspieren alsmede een verstopte traanbuis.

Een verhaal dat helemaal niets om het lijf heeft, Meryl Streep in de hoofdrol die als moeder ziet gebeuren dat haar dochter (Amanda Seyfried) de hippie idealen van weleer niet ziet zitten. Ze gaat trouwen, maar heeft een probleem, ze weet niet wie haar vader is. Het promiscue leven van haar moeder in de flower power leverde een ideale dochter op, maar de vader werd niet automatisch meegeleverd. Een studie van moeders dagboek levert drie opties op en die zijn dan ook uitgenodigd op het Griekse eiland waar moeder en dochter een hotelachtig iets hebben.

En zet daar de muziek van ABBA op en een vederlichte stemming maakt zich meester van iedere droefsnoet, in ieder geval ik heb bij wijze van spreken geen antidepressiva meer nodig.

Als kind vond ik ABBA best goed, maar hoe doe je dat als jongetje van 11, 12 of 13? Je hangt het niet aan de grote klok, ik niet in ieder geval. In die periode was mijn vader een enorme fan van ABBA, dus voor mijn verjaardag kreeg ik steevast een nieuw album. Achteraf gezien een soort win-win situatie. Nu, vele jaren later moet ik constateren dat ik de muziek van ABBA nog steeds magistraal vind en met name heel geschikt voor theatrale bewerking. Je moest dan ook wel een grote oen zijn als regisseur om met Meryl Streep deze film te laten mislukken. Dat is dan ook zeker niet gebeurd.

Qua waardering geef ik de film een 8

Meer filmblikken, volg de link

Robert, de grote schoonmaker

Nieuwjaarsduiken zijn er tegenwoordig in alle soorten en maten. Met die van Scheveningen voorop dienen ze allemaal een doel, de rituele reinigen van het oude jaar en fris beginnen in het nieuwe jaar. Een mooie traditie, maar niet voor mij. Ik vind het zeewater in een warme zomermaand eigenlijk al te koud. Maar ik heb een alternatief, de kerstreiniging. Dat is voor mij ‘All you need is love’ van Robert ten Brink. Ik ben zojuist weer gereinigd voor een jaar na het zien van de magistrale tranentrekker. ‘All you need is love’ is mijn kerstduik ter reiniging en Robert ten Brink de grote schoonmaker.

In de tegenwoordige tijd is de kwestie of een man mag huilen niet eenduidig. De hardliners zeggen dat ‘een echte man niet huilt’. Maar geloof me, die vrije vogels die beweren dat een echte man juist wel mag huilen, die vertrouw ik niet. Eigenlijk vinden we dat gevoelsmatig niet pluis, een huilende man, maar het is emotioneel heel correct om te zeggen dat het moet kunnen. En als een man te veel huilt, vinden we het een nicht. Iedereen zoekt het maar uit, ik ben een man die heel weinig huilt. Niet omdat ik emotieloos door het leven ga, maar het zit er gewoon niet in. Dat had ik als kind al. Ik herinner me dat op mijn 24e de vliezen op een heel onverwacht moment braken, niets ernstigs hoor. Ik was verbaasd en realiseerde me dat het, op een begrafenis van een dierbare na, 11 jaar geleden was dat mijn tranen vloeiden. Tussenpozen van meer dan 11 jaar heb ik niet meer gekend, maar er gaan wel eens een jaren voorbij dat ik niet hoef te huilen.

En dat is niet goed. Niet omdat ik bij de modernisten wil horen om de huilende man te zijn. Al helemaal niet omdat ik het reactionaire deel van Nederland wil vertegenwoordigen door niet te mogen huilen. Het schijnt fysiologisch noodzakelijk te zijn om van tijd tot tijd het overtollige traanvocht te lozen. Ik loop gevaar dus met oudbakken traanvocht rond te lopen en dat is niet goed. Het programma ‘All you need is love’ is daarom voor mij een geweldige uitkomst en ik ben Robert ten Brink dan ook dankbaar. Ik ben zojuist gereinigd en kan er dus weer een jaar tegenaan. Dat wil niet zeggen dat de sluizen opengaan bij mij. Ben je gek, zo zit ik niet in elkaar. Nee, de ogen worden een tikkie vochtig bij het zien van een Romeo en Julia die elkaar niet konden krijgen, maar dan de klassieker van Shakespeare logenstraffen en door tussenkomst van Robert ten Brink elkaar toch in de armen kunnen nemen. Snel een beetje traanvocht lozen en dan wachten op het volgende emo-moment waarbij een Braziliaans moedertje met haar kind in Nederland de kerst kan vieren. Een klein beetje lekken dan, en snel de sluizen weer dicht in de wetenschap dat er nog vele momenten zullen volgen. Uiteraard is alles puur een fysiologische kwestie en absoluut geen bewijs van mentale zwakte.

Na twintig van die momenten op één avond is de ergste druk van mijn ogen af, het oude traanvocht is verwijderd en ik kan er weer een jaar tegenaan. Het programma Spoorloos biedt bij onverwachte traanvocht ophopingen door het jaar heen nog wat soelaas. Ze fungeert als een vlug opknapbeurtje voor het oog, letterlijk en figuurlijk. Maar met de grote schoonmaker Robert ten Brink ben ik ook voor 2012 weer gereinigd, een nuttige bezigheid voor de kerstavond.

Prettige feestdagen.

 

7. Mag het licht uit….

Het laatste lied wordt ingezet.
‘Het werd verdorie tijd.,’ terwijl hij op zijn horloge kijkt.
Nu nog even lijden met alle kinderen van groep 8, inclusief het hele arsenaal aan muziekinstrumenten dat op school aanwezig is. Als een draconische kakofonie van triangels, tamboerijnen en sambaballen, barst de devote klas los. Uit volle borst wordt ‘Komt allen tesamen’ meegeblerd. De etters zijn al weer vergeten dat in de aanloop van het jaarlijkse kerststuk menig vechtpartij beslecht moest worden, dat juf Karin zelfs vandaag nog twee engeltjes tijdens de voorstelling en plein public uit elkaar moest halen.
‘Wat een culturele armoede, dan kun je nog beter de negentiende eeuwse armoede van Charles Dickens hebben, daar was een autoriteit nog eens een autoriteit, dat is nu wel anders.’
Hij schudt zijn hoofd en briest binnensmonds:
‘Getver, wat een gezever. Komt allen tesamen! Rot allemaal maar op.’

En als ze uitgezongen zijn, komen de drie koningen die luidkeels zullen roepen:
‘Volg het licht van de ster, volg het allemaal.’
‘Ook al zo’n nutteloze kreet. Laten ze hun jeugd eens leren na te denken in plaats dat dociele volgen waar de hele maatschappij al mee behept is. Volg de leider, volg de reclame, volg je buurman, volg de dominee, volg de Messias of een andere goeroe en nu ook nog eens het licht van een ster. Maar ja, je kunt het de kinderen amper kwalijk nemen met zulke randdebielen van ouders.’

Als de laatste tonen wegsterven zijn het inderdaad drie koningen die hysterisch schreeuwen ‘Volg het licht.’
‘Ze hebben wel weer een setje ADHDers voor deze klus bij elkaar getrommeld.’
Dan is het officieel zijn beurt, als hoofd der school, om de menigte toe te spreken en te vertellen hoe fijn en creatief hun verwende kroost de afgelopen weken bezig is geweest. En uiteraard, het resultaat mocht er zijn. Geoefend als hij is zal hij zijn meest aimabele glimlach tevoorschijn toveren. Dat zijn ogen niet meedoen, zien die lomperiken in de zaal toch niet.

Een aanzwellend lawaai overstemt de noodkreten van de koningen. Vaders schreeuwen, moeders gillen, terwijl ze vlug een traantje wegpinken. De meute gaat staan, zoals ze op tv hebben gezien, want een volwassen theater hebben ze nog nooit gezien. Ze scanderen en masse: ‘We want more.’
Het zal aan het improvisatietalent en vooral de militaristische aanpak van juf Karin liggen of ze de dolgedraaide kinderen weer bij elkaar kan krijgen. Maar deze strabante collega kennende, ook hij siddert soms van haar optreden, zal hij zijn stichtende woorden nog even voor zich moeten houden.
Aan de zijkant van het toneel, buiten het zicht van een ieder, plukt hij een verloren kersttak van de grond en draait het tussen zijn duim en wijsvinger. Hij trekt er een naald uit, en nog één, nog één……
Bij ieder naald fluistert hij:
‘Ik ben een misantroop.’
En bij de volgende:
‘Ik ben geen misantroop.’
‘Ik ben een misantroop.’

Hij gaat zo op in zijn bijgelovige spelletje dat hij niet eens hoort dat ze ‘Allen weer tesamen komen’. Ook bemerkt hij niet dat de koningen wederom als waanzinnigen roepen het licht te volgen. Hij wordt zich pas weer bewust van zijn omgeving als die achterlijke Vervoerdt de kans grijpt om de microfoon te beroeren.
– ‘Godverdomme, die eikel neemt de Bijbel ter hand om voor zijn eigen sektarische gemeente te prediken.’
Met een bijna afgekloven takje loopt hij ook het podium op en gaat dreigend naast Vervoerdt staan. Hij hoorde niet eens dat die dikke blonde, altijd dominant aanstellerig aanwezige voorleesmoeder, hem met betraande ogen meedeelde hoe geweldig het stuk is geweest. Hij is een kop groter en veel imposanter dan die Vervoerdt uit groep 6. In een ooghoek ziet Vervoerdt zijn baas naast hem staan.

Gesteund door de Bijbel zegt hij met zijn kenmerkende afgeknepen stem en met een valse nichterige glimlach:
– ‘Dirk, met permissie, nog één belangrijk citaatje en het woord is aan jou.’

Terwijl die Vervoerdt druk zoekt naar de juiste passage, kijkt hij heel onbestendig naar zijn takje, dan naar Vervoerdt en weer opnieuw naar het takje.
‘Hoe kan deze ellendige nageboorte, een toch al bij voorbaat mislukte avond met zoetgevooisde ellende nog miserabeler maken. Jawel, het kan door nota bene te gaan zitten preken. Hoe fundamentalistisch moeten we de Christelijke identiteit naar voren brengen. Waarom? Waarom?
Eindelijk heeft Vervoerdt de juiste passage gevonden.

De intrigant steekt zijn arm naar voren, wijst de zaal in en geeft te kennen dat hij zal citeren uit het evangelie van Matheus, hoofdstuk 2 vers 2. Voor hem, Dirk, hoofd der school wordt de wereld om hem heen kleiner en kleiner. Hij ziet Vervoerdt, hij ziet de schijnwerper en hij ziet het restantje kersttak. Hij realiseert dat Vervoerdt niets te zeggen heeft, want ook hij kent de Bijbel van voor naar achteren en terug. De onzin van de kinderen wil hij slechts met een religieus sausje voorzien.
– ‘Wij hebben zijn ster……’ krast Vervoerdt.
‘Ik ben geen misantroop’ mompelt hij.
‘Wij hebben zijn ster in het oosten gezien en….’
‘Ik ben een misantroop.’
Iets harder nu.
‘En zijn gekomen om Hem…..’
‘Ik ben geen misantroop.’
‘Om Hem onze hulde te brengen!’
Dan grijpt hij de microfoon van Vervoerdt en in het volle licht van de schijnwerpers rukt hij de laatste naald uit de kersttak.
Hij galmt nu door de zaal:

– “IK, ik ben een misantroop.’

Hij kijkt naar de geschrokken Vervoerdt.
‘En jij, jij….jou zal ik eens een hulde brengen tegen je vieze ster. Ik trap je persoonlijk naar het oosten en wel subiet.’
Hij haalt uit naar Vervoerdt en raakt hem op zijn magere puntige billen. Billen die onvrolijk in het leven staan van het oneindige zitten in die kerkbanken van hem.
‘Zo die zit.’
Zijn duivelse lach gaat door de hele zaal. Het is verder muisstil. Juf Karin komt vertwijfeld aanlopen en zegt nu zachtjes en helemaal niet strabant meer.
‘Maar Dirk toch, Dirk toch……’
Hij lacht zelfbewust naar haar en zegt:
– ‘Wees niet bezorgd. De hele kliek kan me geen moer schelen.’
Verbouwereerd kijkt juf Karin naar hem als hij de microfoon andermaal wil gebruiken.
‘Dit is lekker zeg. Ik volg helemaal niemand meer. Niemand. HOOR JE. Nu niet en nooit niet meer. Dit mogen jullie allemaal van me weten. Iedereen moet zijn hart is eens luchten en gewoon zeggen wat hij lekker vindt.’
Triomfantelijk kijkt hij de zaal in. De zaal die ongemakkelijk heen en weer schuift. Jongere kinderen beginnen te snikken. Dan voelt hij een zachte hand op zijn hand die de microfoon van hem overneemt. Het is juf Karin. Zachtjes zegt ze in de microfoon:
‘Mag het licht uit?’
Enkele seconde later is het donker, heel erg donker.

6. Als leegte knalt

De deurbel gaat en een warm geluid vult de sfeervolle huiskamer. Suzanne kijkt op het videoscherm naast de voordeur en ziet de traiteur van ‘Cantina Dolores’. Voor deze speciale gelegenheid pakt ze flink uit. Koken kan ze niet, maar de beste hapjes weet ze feilloos in de stad te vinden.
Haar trendy appartement is in de hipste kerstmode gehuld. Bij haar fijnbesnaarde gevoel voor decoratie hoort dus de beste keuken.

Op deze kerstavond moet alles kloppen. Ze zal Maarten ontvangen in het jurkje dat ze onlangs in Milaan hebben gekocht, een dieppaarse jurk met een gewaagd decolleté. Ze herinnert die dag nog goed. De vakantie verliep stroef, beide druk met de carrières en nauwelijks tijd voor elkaar. Die middag moest Maarten nog iets zakelijks regelen. Ze was teleurgesteld geweest, maar dat werd gedachteloos gecompenseerd met de onstuimige koopwoede die erop volgde. Dure winkels en exquise bars hadden ze bezocht en onweerstaanbare wijn gedronken. De nacht die erop volgde was in haar beleving ongeëvenaard.

De volgende ochtend werd ze wakker met de idee dat haar leven compleet was, ze draaide zich om naar Maarten, maar hij was er niet. Ze vond een briefje met de mededeling dat hij voor zaken even weg moest. Hij had wel een speciaal champagneontbijt besteld en hoopte om tien uur bij haar te zijn.

Na de vakantie ging het leven als vanouds verder met gezamenlijke weekendjes en vooral twee energieverslindende banen. Als de ‘flow’ gunstig was en beide geen overvolle agenda hadden, was hun relatie energiek en klopte het ideaalplaatje van Suzanne. Ze had echter zelf niet in de gaten hoe zelden dit voorkwam. Ze richtte zich te veel op de vastomlijnde ideeën van succes, weelde en verwachtingen.

Het kerstplaatje klopt en toch is het anders, ze voelt het. De champagne staat op tafel, maar als dissonant ook een kan met druivensap. En toch klopt het weet ze, terwijl ze Maarten hoort aankomen.
Bij binnenkomst legt hij achteloos zijn koffer in de hoek van de kamer en kijkt verbaasd. Dan beseft hij dat het kerstavond is. Hij herpakt zich ondanks zijn zichtbare vermoeidheid. Hij kust Suzanne en ontkurkt ongevraagd de champagne. Hij ziet dan de druivensap en kijkt Suzanne vragend aan.
‘Druivensap? Dat past toch niet?’
Hij kent haar perfectionisme.
Stralend knikt Suzanne hem toe. Ze legt haar handen op haar paarse buik.
‘Maarten, weet je nog die dag in Milaan toen we deze jurk kochten.?’
‘Een onvergetelijk middag en de jurk staat je magnifiek’
‘Onvergetelijk, vooral de nacht die erop volgde.’
Suzanne pakt de hand van Maarten en legt die op haar buik. Ze polst zijn reactie.
Even kijkt Maarten haar niet begrijpend aan, maar trekt hij een ontzet gezicht. Hij zegt niets en haalt zijn hand angstvallig weg.
De stilte is hoorbaar. Dan draait hij zich met een ruk om, pakt zijn koffer en gooit de deur met een knal dicht. De echo dreunt nog lang na, Suzanne in een verbijsterende leegte achterlatend. Een leegte die ze eigenlijk al heel lang voelde, maar nu voor het eerst handen en voeten heeft gekregen. Ze beseft het nu pas en ze kan er niet eens om rouwen.
Met haar ene hand nog op haar buik schenkt ze een glas in. Druivensap.
Ze zegt zachtjes:
‘Wij doen het samen en het mooiste babykamertje is voor jou.’
(Mijn inzending van 2008 voor de wedstrijd van Spits, NCRV en Fok, geïnspireerd door de titel van het werk van Sabine Luypaert: “Als leegte knalt
Schaamteloos, maar met toestemming heb ik deze titel gebruikt voor mijn kerstverhaal.

 

5. Winterroos

Met een volgeladen fietstas, een klam voorhoofd en rode konen komt Tessa thuis. Ze pakt de boodschappen voor het kerstontbijt uit. Haar ouders komen eerste kerstdag. Ze heeft de mensenmassa’s en jengelende kerstliedjes doorstaan en ze wist haar paniek te beheersen in de drukte van de supermarkt.
‘Niet te veel op anderen letten’, weet Tessa, ‘dat is niet goed voor mijn gemoedstoestand.’ Tessa heeft het al druk genoeg met zichzelf. Geconcentreerd werkt ze haar boodschappenlijstje af.

Thuis, als alle boodschappen op de keukentafel liggen, loopt ze het lijstje nog eens na alvorens de spullen op te bergen. Zo heeft haar therapeut het Tessa aangeleerd. Om de chaos in haar hoofd de kop in te drukken, moet ze structureren, ook ogenschijnlijk onbeduidende zaken. Bovendien, het kerstontbijt is voor Tessa geen onbeduidende aangelegenheid. Na twee jaar van geestelijke ellende, is ze al weer enkele maanden helemaal vrij van vreemde gedachtekronkels. Het lukt weer zelfstandig te wonen met dank aan haar ouders die ze heeft uitgenodigd voor een uitgebreid kerstontbijt.
‘En dat moet lukken’ zegt ze vastbesloten, terwijl ze de zalmfilet van haar boodschappenlijst streept en in de koelkast legt.
‘Structureren om eigenwaarde op te bouwen en te kunnen genieten van kleine successen.’
Ze hoort het iedere week van haar therapeut. Het kerstontbijt is op de divan uitvoerig besproken, bijna op het bespottelijke af. Maar Tessa weet als geen ander dat het nodig is.

Als het boodschappenlijstje helemaal is afgetekend, haalt ze opgelucht adem. Ze heeft alles binnen. Ze kijkt met een voldane blik uit het keukenraam en constateert verbaasd dat de brem al in bloei staat.
‘Dat is wel heel vroeg, maar dat kan ook niet anders met die ouwewijvenzomer van dit jaar.’
Ze staart nog even in haar tuin en ziet opeens dat de rozenstruik nog een bloem heeft. Ze holt naar buiten en tot haar ontzetting ontwaart ze naast de bloem ook nog een aantal knoppen die op springen staan.
‘Dit mag niet, dit kan niet’ roept Tessa.
In de beleving van Tessa mag de brem dan vroeg bloeien, maar dan moeten de rozen van het jaar ervoor toch netjes uitgebloeid zijn. Geïrriteerd loopt Tessa van brem naar rozenstruik en terug.
‘Ik mag in de war zijn geweest, maar de natuur mag dat niet,’ mompelt ze ontgoocheld. De paniek dreigt compleet toe te slaan. Ze wil gillen, maar weet zich te beheersen en neemt dan een kloek besluit. Ze pakt een schaar en knipt de knoppen van de rozenstruik. De bloeiende roos mag blijven, maar de knoppen moeten weg.

Twee dagen later weet ze van het kerstontbijt een succes te maken. Op het moment dat haar ouders aanbellen, is de tafel feestelijk gedekt en ze hoeft alleen het knopje van haar koffiezetapparaat nog maar aan te zetten.
Haar ouders kijken verheugd naar hun stralende dochter en dan naar de gedekte tafel.
‘Meid wat een geweldig decoratief idee die rozenknopjes op een schaaltje. Nieuw leven als symbool voor het kerstkind.’
Tessa knikt glimlachend en schenkt haar ouders verse koffie in.

Tijdens het ontbijt begint het te sneeuwen, eerst zachtjes maar dan steeds harder. De winterroos steekt eerst nog uitbundig af tegen de sneeuw. Maar langzaam verdwijnt de rode kleur, het leed bedekkend.
‘Gelukkig’ denkt Tessa, ‘De herfst mag nimmer in de lente overgaan, zeker niet met kerst.’

4. Kerst met mijn zussie

Weinig fijnbesnaard zingt Alex ‘Midden in de winternacht’. Zijn stem galmt over het water en lijkt te weerkaatsen tegen de dijk aan de overkant.
‘Laat de beltrom gaan, laat de beltrom gaan, laat de bel, laat de trom, laat de beltrom horen, Jezus is geboren.’
Gedurende een korte onderbreking weerklinkt de echo nog. En dan is het stil. Te stil in de optiek van Alex die prompt heel vals Gloria in Excelsis Deo zingt of eigenlijk schreeuwt.

Alex gaat zo op in zijn devote gezang dat hij niet eens opmerkt dat twee haastige voorbijgangers hem verbaasd gadeslaan.
Op het moment dat Alex de wandelaars waarneemt, staakt hij abrupt zijn lied en begint meteen een conversatie.
‘Een echte familiebijeenkomst, hè’ zijn de eerste woorden.
Oprecht verheugd door de aanwezigheid van anderen zegt hij:
‘Kerst is een echt…… een echt familiefeest, toch?’
Onder het mompelen van een goedenavond versnellen de twee hun pas. Ze worden nog nageschreeuwd door Alex.
‘Ze is mijn zuster hoor, mij zus uit Italië. Niet mijn eigen zus, maar zo voelt het wel.’
Alex denkt na over zijn eigen woorden en mompelt nog een keer:
‘Mijn zussie.’
Dan staat hij plotseling op en loopt naar de rand van de kade om te piesen. Zijn straal klatert in de rivier en door de kou slaat de damp er vanaf.
‘Ook dat nog, niet alleen de geboorte van Christus, ook de Heilige Geest is vanavond present.’
Alex schatert om zijn eigen grap. Als hij klaar is met plassen, neemt hij zijn omgeving eens ernstig in zich op.

De brug over de rivier staat in de blauwe schijnwerpers. In de verte liggen passagiersboten te wachten op reislustigen voor een reisje langs de Rijn. Op kerstavond zullen die zeker niet komen. De kerstverlichting op het zomerdek bewijst dat het december is. Voor de rest ziet Alex een desolate omgeving van beton en oude containers. Het is er verder stil, kaal en koud. De kou voelt Alex nu op zijn buik, want hij staat nog steeds in de plashouding. Rustig en kalm kuist hij deze onbetamelijke positie en doet vervolgens zijn gulp dicht.

In de verte schreeuwen een paar junks. Ze zijn vast boos omdat ze de boot niet op mogen, zelfs niet op kerstavond. De boot is de opvang voor onverbeterlijke junks. Alex moet niets hebben van die junks.

‘Ik ga maar weer eens naar mijn zussie, ze zit daar maar alleen te wachten.’
Alex neemt de fles aan zijn mond en drinkt het laatste restje. Automatisch graait hij met zijn andere hand in de plastic boodschappentas. Tevergeefs zoekt hij naar de derde fles. Hij voelt nog eens goed en ziet dan even verder op twee flessen staan, allebei leeg.
‘Ach, ach, ach’ kreunt Alex, ‘Lieve eerwaarde zuster, nu laat je me helemaal alleen achter.’
Nog een keer doorzoekt hij zijn tas tegen beter weten in. Geen Pleegzuster Bloedwijn meer te bekennen. Ook de fles sterke drank om ‘zijn zusje’ mee op sterkte te brengen was leeg.
‘Dan maar een plekkie zoeken om te slapen.’
Alex schuifelt wankel in de richting van het centrum. Hij zingt nog zachtjes van midden in de winternacht. De goede stemming is echter met zijn zusje verdwenen.

 

3. Kerst, een vriend?

De ruitenwissers piepen gelijkmatig. Met een zakdoek veegt Dorus de condens aan de binnenkant weg. Met een lange rij forenzen probeert hij de stad uit te komen. Door de natte sneeuw en het slechte zicht gaat het tergend langzaam.
‘Ja, kom er maar tussen’ moppert Dorus tegen een medeweggebruiker die zich tussen hem en zijn voorganger manoeuvreert.
Lang heeft Dorus het weggestopt, dat gevoel van winter, kou en donkere dagen. Ieder jaar ziet hij op tegen de decembermaand en ieder jaar gaat die ook weer voorbij. Dit jaar heeft de lange nazomer gezorgd voor het uitblijven van dat negatieve kerstgevoel. Maar met dit weer kan Dorus er niet om heen.

Eigenlijk wist hij het deze ochtend al, toen de kerstsingel van Fay Lovsky met ‘Christmas was a friend of mine’ door de luidsprekers galmde.
Als dit prachtige nummer gedraaid wordt, weet Dorus dat de narigheid gaat beginnen. Het lied straalt een landerige opgewektheid uit die Dorus zo verfoeit.
Voordat Dorus naar huis gaat, moet hij eerst de kerstboom halen.
‘Hij staat al klaar’ had zijn vrouw Dora nog nageroepen.

Terwijl Dorus gehypnotiseerd naar de koplampen van de andere auto’s kijkt, vraagt hij zich af:
‘Wat is er misgegaan, met mij en het kerstgevoel.’
Dorus weet nog goed hoe hij zich als kind kon verheugen op de feestdagen. Buiten het feit dat hij twee weken vakantie had en vaak tevergeefs hoopte op sneeuw, staan de geweldige maaltijden en de gezellig volle kelder met etenswaren Dorus op het netvlies gebrand. Zijn moeder was dagen bezig geweest met boodschappen, bakken en braden en het huis was sfeervol ingericht. En na de kerstdagen kwamen de oliebollen. Nog dagen geurde het huis ervan.

‘Ja, ja, ik rij al.’
Dorus wordt opgeschrikt door een ongeduldige automobilist, die Dorus attendeert op het groene licht.
‘De kerst, het is geen vriend van me’ concludeert Dorus als hij eindelijk kan doorrijden naar het adresje voor de kerstbomen.

Bij het verkoopadres staat Dorus opnieuw in de file, maar nu met allemaal lotgenoten die ook na hun werk nog snel een kerstboom halen. Zoetgevooisde kerstliedjes komen uit de radio en een hip meisje in een sexy kerstoutfit schenkt warme chocolademelk in voor de wachtenden.
‘Dat zal wel bij de prijs van de boom worden berekend’ mompelt Dorus mismoedig.
‘Een pracht boompje voor u, dat maakt dan 20 euro’ krijgt Dorus te horen als hij aan de beurt is.
‘Hele fijne feestdagen gewenst en tot volgend jaar maar weer.’
‘Ik denk het niet’ denkt Dorus vals en zegt; ‘Hetzelfde en tot ziens.’

Dorus wurmt de boom met moeite in zijn auto, terwijl de allergische reactie van de naalden zich al op zijn hand aftekenen. Het sneeuwt niet meer. De maan komt tevoorschijn en laat een winters landschap zien.
‘Nog even en dan ben ik eindelijk thuis.’

In de verte ziet Dorus zijn kinderen al bij de voordeur springen. Dorus wordt enthousiast begroet.
‘We gaan samen de kerstboom versieren’ zegt de jongste uitgelaten, ‘Mamma heeft de spullen al klaar staan.’
Dorus laat de drukte gelaten over zich heen komen en vraagt zich af: ‘Is kerst nu wel of niet een vriend van mij?’
Fay Lovsky eindigt trouwens met ‘happy new year’. En ook deze kerst gaat weer over.Vol overgave stort Dorus zich op de kerstballen.

 

2. Liederlijke kerstfabel met verlicht einde

Jomus vliegt lodderig achter Marmus aan. Zijn boosheid is weg. De onzekerheid speelde al weken en kwam gisteravond tot een ontlading.
‘Van wie is het kind?’ had hij geschreeuwd.
Marmus keek hem begripvol aan en antwoordde slechts:
‘Ik weet het echt niet, maar het kind is verlicht.’
Vol afgrijzen vloog Jomus weg en laafde zich aan jeneverbessen. Hij wilde vergeten. Vergeten dat zijn vrouw onteerd was. Vergeten dat hij de liefde niet met haar had mogen bedrijven.
Gisteravond beet hij haar toe:
‘Ik had je moeten nemen, lang, hard en vaak.’

Die ochtend heeft hij spijt, en hoofdpijn. Jomus laat zich beschaamd verzorgen door zijn zwangere Marmus. Vol barmhartige devotie masseert ze zijn kater weg. Alle anderen zijn al vertrokken, als Marmus en Jomus de reis aanvaarden.

Sinds weken reist de kolonie in opdracht van koning Herodantimus richting Damaskmus. Hun koning is zich zelf niet meer sinds zijn veroordeling door de Voorzienigheid.
De Voorzienigheid heeft hem gestraft voor het doden van een van zijn onderdanen. De straf was mild, maar de koning woest. Per decreet verordonneerde hij: “Ik, koning van Domimus tot Damaskmus, eis dat alle onderdanen per direct naar Damaskmus vliegen. Zij blijven daar tot de revolutionaire geesten, die mij willen onttronen, gepakt zijn.”

Damaskmus is een woestijnachtig landschap met een enkele oase, waar plaats is voor weinigen, niet de duizenden die het moet herbergen.
Tegen de avond is de oase nog niet in zicht. Marmus is moe en bij Jomus wint het schuldgevoel van zijn kater. Hij herneemt de leiding. Jomus beseft, hoewel hij niet de vader is, dat het ei die avond gelegd moet worden. Als de zon verdwijnt, koelt het snel af.
Dan horen ze gelukkig in de verte hun soortgenoten, ze naderen de oase.
‘We zijn er bijna’ roept Jomus.
Marmus knikt slechts beminnelijk.
Eenmaal in de ‘Oase van Damaskmus’ aangekomen, vernemen ze dat er geen plaats meer is. Het enige dat ze vinden is een beetje eten en de tip dat in de periferie van de oase enkele rotsen zijn die mogelijk soelaas kunnen bieden.

Marmus neemt een kloek besluit.
‘Jomus, wij hebben elkaar en het ei, we redden het samen wel.’
Jomus negeert zijn gekrenkte mannelijke ego, besluit dat het ook zijn kind zal worden en met zijn tweeën vliegen ze naar de rotsen.

Ze vinden een spelonk voor de nacht. Uitgeput valt Marmus in een diepe slaap. Jomus kijkt vertedert toe. Na een inspectie van de omgeving besluit hij ook te gaan slapen. Maar dan ziet hij dat er licht uit de spelonk komt. Ongerust hipt hij naar het licht. Bij binnenkomst ziet hij Marmus opgewekt zitten. Ze perst hun ei uit. Een ei dat licht geeft.
‘Kijk Jomus, ik zei toch, het is een verlicht kind.’

Het ei gaat feller schijnen en het licht is zichtbaar in de oase. Van alle kanten komen nieuwsgierige soortgenoten. Zij brengen voedsel en bewonderen het ei. En vele avonden later breekt het verlichte ei. Onder luid getjilp worden Marmus en Jomus omringd door hun soortgenoten. Zij feliciteren het versbakken echtpaar met de geboorte van hun zoon. Een koningszoon, is de overtuiging van de menigte en hij zal door het leven gaan als ‘Jemus, koning der mussen en de zuivere wedergeboorte van het slachtoffer van koning Herodantimus.’