Het verslag van Brodeck/ Philippe Claudel

Het verslag van Brodeck, de hoofdpersoon uit Claudel’s gelijknamige roman is een adembenemend verslag. Een verhaal dat in je poriën gaat zitten, maar dan wel met het voordeel dat nachtmerries uitblijven. Het woord ‘beklemmend’ komt bij me op als het gaat om het verhaal als geheel, ‘afschuwelijk natuurlijke schoonheid’ is mijn oordeel ten aanzien van het taalgebruik van Claudel. En al is het boek door mij al bijna een half jaar geleden gelezen, het is blijvend in mijn geheugen gegrift. Met deze inleiding is de positieve klankkleur van mijn boekervaring over ‘Het verslag van Brodeck’ al prijsgegeven.
Nu rest mij nog om de woorden te vinden dit aan u over te brengen.

Op de achterkant van het boek is te lezen:
‘Het verslag van Brodeck is een parabel op de Shoah waarin het woord ‘jood’ niet één keer voorkomt.’
Maar ook het woord Duitser ontbreekt in het boek. Al lezende probeer ik me toch een beeld te vormen van plaats en tijd. Ik kom uit in de Franse Vogezen direct na de Tweede Wereldoorlog. In een klein, vrij afgelegen bergdorpje is mijn fantasie neergestreken. Het is in het geheel niet van belang voor het verhaal, maar wel lekker gemakkelijk. Trouwens Claudel gebruikt af en toe het zogenaamde dialect van de dorpsbewoners en dat is een mengeling tussen Frans en Duits, dus zoveel fantasie had ik niet nodig.

In dat kleine Franse bergdorpje komt het weeskind Brodeck op 4-jarige leeftijd samen met de oude vrouw Fédorine die hem zal opvoeden. Samen op de vlucht voor de verschrikkingen van die andere oorlog. In flarden komen stukken jeugd van Brodeck terug, vaak in relatie tot een van de andere dorpsbewoners die in al hun (on)menselijkheid prachtig worden beschreven. De lezer krijgt de indruk van een onbezorgde jeugd, ware het niet dat de kennis van het heden, de naoorlogse werkelijkheid in het leven van Brodeck, stukje bij beetje bekend wordt gemaakt. De lezer weet inmiddels dat Brodeck uit het dorp is weggevoerd naar een kamp en geheel tegen de verwachting van de dorpsbewoners is teruggekeerd.

Voor het zover is, voert de schrijver de lezer mee naar de studententijd van Brodeck in een nabij gelegen stad. (Straatsburg in mijn verbeelding) Hier zijn de vooroorlogse razzia’s al aan de gang. Iedereen die anders is loopt gevaar. In deze stad vindt Brodeck zijn geliefde en levenspartner Emélia. Ze gaan wonen in het dorp van Brodeck en leven er gelukkig samen met de oude Fédorine. Als dan ook nog een dochter geboren wordt, kan het dorpse geluk ogenschijnlijk niet op, ondanks de oorlog. Maar dan wordt Brodeck weggevoerd door vijandelijke soldaten en maakt de meest inhumane behandeling mee in het kamp op vijandelijk grondgebied. Waarom hij, omdat hij anders is of omdat iemand hem verraden heeft? Hij overleeft het en komt terug, terug in zijn dorp bij Emélia, dochter Poupchette en Fédorine. De oude vrouw verzorgt de uitgemergelde Brodeck als een klein kind zoals ze dat jaren terug ook heeft gedaan toen ze hem vond als wees. Emélia is daartoe niet in staat, want blijvende psychische schade door een groepsverkrachting van dorpelingen, hebben haar geestelijk misvormd. De oorzaak van het mutistische gedrag krijgt Brodeck pas later te weten.

Als de fysieke gezondheid weer is teruggekeerd, lijken de zaken zijn gewone draai weer te nemen. Maar Brodeck kijkt nu naar zijn dorp en haar bewoners met zijn ervaringen uit het kamp. Was hij wel hetzelfde als een ieder. Het dorp met de kleine mensen en hun verborgen talenten die vooral heel goed verborgen moesten blijven. Het dorp dat één gezamenlijk talent kende, namelijk de vorming van een benauwde gemeenschap. Een dorpsheid waar de herhaling van de seizoenen met hun feesten wordt gevierd, ieder jaar hetzelfde en ieder jaar met zindering en intriges omdat oude vetes onderhuids naar boven komen. Een dorp met een groot aantal café waar de zomer landerig over het dorp mag komen en waar de winterse koude geweerd wordt. Een dorp waar in ieder geval niets mag veranderen.

De verandering komt echter wel met de komst van een zonderlinge man die zijn intrek neemt in de plaatselijke herberg. De man intrigeert de bewoners, de man beangstigt de bewoners en de man frustreert de bewoners, alleen omdat hij anders is. De man wil, kan en mag geen aansluiting vinden met de bewoners, al spreekt Brodeck af en toe met de zonderling die de passende naam ‘Andere’ draagt.

De onderhuidse kolkende boosheid komt tot een climax, waarbij de Andere zijn dood vindt en het dorp een gezamenlijke geheim moet zien te bewaren. Brodeck is niet aanwezig bij de dood van de zonderling, maar wordt door de gezamenlijke raad van dorpsbewoners gevraagd op te schrijven wat er gebeurd is die bewuste avond.

Die zoektocht naar de waarheid van de dood van de Andere, is Brodeck’s zoektocht in de geschiedenis van zijn jeugd en die van zijn dorpsbewoners die amper hun medewerking geven. Integendeel, hoe meer Brodeck vraagt, hoe onwilliger hun houding.
Het verslag van Brodeck is de beschrijving van de kleine verhalen van de dorpse intriges, maar tegelijkertijd de grote menselijke drama’s in de geschiedenis die op de achtergrond meespelen. Opvallend is het synchroon lopen van deze zogenaamde kleine menselijke verhalen en de grote onaantastbare geschiedenis van de mensheid en haar naakte waarheden. Soms wordt de dorpse samenleving geconfronteerd met het kwade van elders, maar evenzo vaak is de dorpse gemeenschap zelf het kwaad.

Het verslag van Brodeck is een boek dat ik iedereen zou willen aanraden om de relatieve eenvoud, waarmee Claudel een enorme diepgang weet te creëren. Een diepgang die je raakt en evenzo goed niet te bevatten is. Over de literaire kwaliteit durf ik geen kundige uitspraak te doen en ik laat me leiden door mijn gevoel. En dat gevoel zegt wanneer iemand met zijn verhalende talenten de lezer, of in ieder geval mij, zo geboeid weet te houden, er sprake is van een uitzonderlijk literair hoogstandje. Op menig bladzijde weet Claudel zinnen te produceren die op zich al een thema voor een nieuw boek waard zijn.

Een daarvan, geheel willekeurig trouwens, wil ik graag delen:

‘Ze [Fédorine] zit met gesloten ogen en mompelt wat voor zich uit, ze verstelt haar verhalen en herinneringen en weeft tapijten van haar tot de draad versleten dromen; haar handen liggen op haar knieën, en in die handen, die droge handen getekend met kronkelende aderen en rimpels zo recht als het lemmet van een mes, kun je haar leven lezen.’

Voor mij een zin waarin de relatieve eenvoud gecombineerd wordt met diepgang, peilloze diepgang.

 

Het verslag van Brodeck

Philippe Claudel

De Bezige Bij 2008

We all…….walk like an Egyptian, yes we do

Hosni Mubarak is weg, in ieder geval weg uit Caïro zeggen de berichten. Ene Suleiman is zijn opvolger tot aan de verkiezingen en het leger? Het leger lijkt tot nu toe aan de kant van de demonstranten te staan via een op te richten Militaire Raad. Het is te hopen dat dit zo blijft, maar wie kan er koffiedik kijken? Misschien in de toeristische gebieden in Egypte als kopjes koffie worden omgekeerd, maar verder zijn er intern in Egypte natuurlijk voldoende groeperingen die nu eensgezind feest vieren, maar in de nabije toekomst moeten samenwerken om naast de zojuist bevochten vrijheid ook terug te keren naar enige stabiliteit.

Maar nu is het feest en ‘they walk like an Egyptian’ en wie kunnen dat nu beter dan de Egyptenaren zelf. Al waren ze niet de eerste, mogelijk wel de belangrijkste partner en bondgenoot in het Midden Oosten. Hoe zullen ze in de nabije toekomst wandelen. Dat is de grote mondiale vraag. En wie zal ze nog gaan nadoen, die ‘Egyptian walk’, maar dan net even anders.

Het vergelijk dringt zich op met eind jaren tachtig, zo voor de hand liggend natuurlijk, toen het ene na het andere Oost Europese land zich vrijmaakte van de Sovjet-Unie, maar vooral ook van hun eigen dictatoriale partijbonzen. Toen deden ze het allemaal op hun eigen wijze. Als dominostenen vielen de landen en ieder land kon trots zeggen, we did it tour way. Of het nadien stabieler is geworden, durf ik niet te beweren. Eigenlijk niet, hoewel we in het westen wel de overwinning claimen.

Nu dus Egypte, na Tunesië, en welke landen volgen? Wie spelen het dominospel in het Midden Oosten en mogelijk verre omstreken? Zullen ze allen ‘walk like the Egyptians’ of zullen er andere looppasjes nagestreefd worden, of zal de loop van het geweer uiteindelijk spreken?

Want hoe je het ook went of keert, de Egyptian Walk zal tot een enorme mondiale reshuffle leiden. Posities worden bepaald, stellingen worden ingenomen, (gelegenheids)coalities vinden elkaar en vooral de diplomatieke diensten maken overuren.

Vanuit deze positie als eenvoudig blogger ga ik geen toekomstvoorspellingen doen of vergezichten maken in de trend van ‘the World according to….’ Ik weet het echt niet. Voorlopig geniet ik oprecht plaatsvervangend en op afstand van de mooie ‘walk like an Egyptian’

Dat doe ik nu, maar dat deed ik vijfentwintig jaar geleden ook al.

All the old paintings on the tomb
They do the sand dance doncha know
If they move too quick (oh whey oh)
They’re falling down like a domino

And the bazaar man by the Nile
He got the money on a bet
All the crocodiles (oh whey oh)
They snap their teeth on your cigarette

Foreign types with the hookah pipes say
Ay oh whey oh, ay oh whey oh
Walk like an Egyptian

The blonde waitresses take their trays
They spin around and they cross the floor
They’ve got the moves (oh whey oh)
You drop your drink then they bring you more

All the school kids so sick of books
They like the punk and the metal band
When the buzzer rings (oh whey oh)
They’re walking like an Egyptian

All the kids in the marketplace say
Ay oh whey oh, ay oh whey oh
Walk like an Egyptian

Slide feet up street bend your back
Shift your arm then you pull it back
Life[‘s] hard you know (oh whey oh)
So strike a pose on a Cadillac

If you want to find all the cops
They’re hanging out in the donut shop
They sing and dance (oh whey oh)
They spin the club, cruise down the block

All the Japanese with their yen
The party boys call the Kremlin
And the Chinese know (oh whey oh)
They walk the line like Egyptian

All the cops in the donut shop say
Ay oh whey oh, ay oh whey oh
Walk like an Egyptian
Walk like an Egyptian

Maarten ’t Hart/Het woeden der gehele wereld

Moet ik me schamen dat ik de schrijver Maarten ’t Hart eigenlijk helemaal niet gelezen heb? Goed, in 1984 lag ik twee weken in het ziekenhuis, vlak voor mijn examens van de middelbare school en om de tijd te doden, nam ik een paar boeken uit de ziekenhuisbibliotheek. Een daarvan was Maarten ’t Harts ‘Een vlucht regenwulpen’. De bevindelijke jeugd van de hoofdpersoon, zijn voorliefde voor de natuur en allerlei verwikkelingen op een biologencongres in Zwitserland staan me nog bij. En misschien heb ik het wel helemaal mis, want de film heb ik nooit gezien. 

Maarten ’t Hart komt mij op tv toch over als een beminnelijk mens, laatst zag ik nog flarden bij VPRO’s Zomergasten.

‘Niets mis met die man zo op het eerste oog.’

Goed, mezelf kennende zal ik mijn wenkbrauwen wel een tikkeltje hebben opgetrokken toen de beste man in een bloemetjesjurk op tv verscheen, al weer jaren terug. Nu denk ik, ieder zijn meug, accepterend dat ik toch minder progressief ben dan ik mezelf soms presenteer. Maar na mijn zeventiende heb ik dus geen ’t Hart meer gelezen.

 

Onlangs kwam mevrouw Sprakeloos met ‘Het woeden der gehele wereld’ thuis. En ze was na afloop razend enthousiast. Zelf stond ik nog niet te springen, andere boeken moesten nog gelezen worden, maar op een avond zocht ik nog iets voor het slapen gaan. Bij gebrek aan beter, nam ik ‘Het woeden der gehele wereld’ ter hand en las het eerste deel, circa tien pagina’s. Een veelbelovend begin, mogelijk een oorlogsroman.

 

 Het woeden der gehele wereld

 Maarten ’t Hart

 Arbeiderspers 2010

 (1e druk 1993)

 Niets is minder waar. De roman, die eigenlijk meer te typeren is als een thriller, start aan het begin van de Tweede Wereldoorlog als een boot met een aantal (Joodse) vluchtelingen probeert te vertrekken naar Engeland, maar even buitengaats onderschept wordt door de Duitsers en tot zinken wordt gebracht. De oorlogsmachine van de Duitsers was nog niet volledig op gang, dus de aanwezige mochten terugroeien naar de kust.

 

De rest van het boek gaat over de zoektocht naar de motieven van de moord op een politie-agent in bijzijn van de hoofdpersoon, Alexander, in 1956. Alexander was toen een jaar of 11. De moord, het oog in oog staan met de moordenaar en de angst om zelf ook vermoord te worden, spelen in de rest van het boek. In de puberteit komt hij er langzaam maar zeker achter wie er op de boot hebben gezeten en brengt dit in verband met de moord op de politieman die al jaren bezig was de kosten van de verloren botter op de vluchtelingen te verhalen. De boot was immers van de familie van de agent.

 

De zoektocht naar de motieven in een bevreemdende christelijke omgeving van Maasluis verbindt voor mij de hoofdpersoon automatisch aan Maarten ’t Hart zelf. Ik weet dat dit niet mag, maar in de beelden die naar boven komen tijdens het lezen heb ik dit niet kunnen uitsluiten. Alexander komt over als introverte ietwat rare en rationele jongen waarbij de lezer ook getuige is van de ontwikkeling van kind tot jong volwassene.

Gaandeweg het verhaal komen alle voormalige vluchtelingen op de boot in 1940 in het leven van Alexander. Op het einde, als men denkt dat de moordenaar onthuld wordt, krijgt het boek een hele onverwachte wending. De lezer krijgt in ieder geval geen uitsluitsel over wie de moordenaar is.

 

Ik heb het boek met veel plezier gelezen. Vooral de sfeerbeschrijvingen en de humoristische wijze waarop de beklemming van het leefmilieu van de hoofdpersoon wordt beschreven, geven het boek naast de spanning ook nadrukkelijk een (literaire) meerwaarde. (Ik heb lang gedacht over het woord literair in de vorige zin, want waarom moet een boek literair zijn, het boek moet vooral boeien tot de laatste bladzijde, of het nu literair is of niet. Maar met de koppeling aan Maarten ’t Hart val ik me geen buil om het boek literair te noemen.)

Voor mensen die heel erg thuis zijn in de klassieke muziek, zal het werk van Maarten ’t Hart nog veel meer te bieden hebben, want Alexander, die uiteindelijk uitgroeit tot componist, leeft van jongsaf aan voor de muziek. Maarten ’t Hart gooit en goochelt in ‘Het woeden der gehele wereld’ met componisten en muziekstukken. Ik heb zomaar het vermoeden dat alle genoemde stukken uitstekend passen in de verhaallijn. Ik kan het niet beoordelen. Wel weet ik dat ik de komende tijd meer gespitst zal zijn op andere werken van Maarten ’t Hart.

 

Maxima(al) Nederlander/ 06-10-2007

Er zijn van die momenten waarop ik in opperste verbazing, misschien wel maximale verdwazing, verkeer bij het aanhoren van sommige nationale discussies en hypes. Deze week stond de media weer vol van zo’n hype, de lezing van prinses Maxima, waarin haar uitspraak: ‘Dè Nederlander bestaat niet!’ wordt uitgelicht. Waar gaat het over?????

Vele soorten emoties maken zich meester van me. Mijn eerste reflex is, dat we ons hièr mee bezig houden. Onwillekeurig denk ik dan, eigenlijk zouden alle salarissen gehalveerd moeten worden. ‘De Nederlander’ zou dan gedwongen worden op een meer basaal niveau te existeren. Natuurlijk is dat onzin in optima forma. Dat is van het niveau zoals mijn vader in soortgelijke situaties placht te zeggen: ‘Die zouden de oorlog een mee moeten maken!’ Buiten het feit dat ik persoonlijk eens na moet gaan hoe dat vergelijk tussen mij en mijn vader zit, groei ik snel over zo’n eruptie heen. Maar als ik in dit geval verder over de inhoud van ‘het gedoe’ nadenk, komt de ergernis toch snel boven drijven.

De Nederlander bestaat niet! Hoe ver kan de deur geopend zijn om hem nog in te kùnnen trappen? Natuurlijk bestaat de Nederlander niet. Als u alleen maar kijkt naar uw eigen situatie in vergelijking met die van uw buurman. U lijkt toch in niets op hem! Het enige dat u zou willen overnemen is die dure leasebak en hooguit droomt u van een affaire met zijn vrouw. Voor de rest bent u vooral anders. Heel anders. Verder is onlangs bekend geworden dat ouders over het algemeen heel tevreden zijn over hun eigen opvoeding. Het gros van de andere ouders doet het helemaal verkeerd. Wij zijn dus allemaal anders.

U kunt tegenwerpen dat er gemeenschappelijke kenmerken zijn die de echte Nederlander aanwijsbaar maken. Een aantal generaties dat de familie al in Nederland is? De mate waarin er een ‘zuivere bloedlijn’ van Nederlandse voorouders is? Het volume waarmee we schreeuwen tijdens de wedstrijden van het Nederlands elftal? Of onze gemeenschappelijke liefde voor het koningshuis? In dat laatste geval zijn Duitsers ook Nederlanders. Gemeenschappelijke kenmerken kunnen hooguit gevoeld worden. Zodra je ze gaat benoemen kom je niet verder dan lachwekkende generalisaties van het niveau tulpen, klompen en natuurlijk coffeeshops.

Dan is er nog het Schefferiaanse argument dat een wereldburger als Maxima haar situatie niet mag vergelijken met die van ‘De Nederlander. Dus eigenlijk alleen tante Truus mag er iets van zeggen omdat zij weet heeft van de materie omdat een zus van haar buurvrouw en daar weer een goede vriendin van…..etc. etc. Nee, natuurlijk is prinses Maxima niet te vergelijken met ‘De Nederlander’ Maar is Willem Alexander, de polderprins bij uitstek dat dan wel? Of wat te denken van die top 200 invloedrijkste Nederlanders, die weten uitstekend wat er speelt in de (probleem)wijken en kunnen daarmee haarfijn vaststellen wie of wat de Nederlander is.

Ik denk dat prinses Maxima gerechtigd is om verstandige en soms ‘een beetje domme’ opmerkingen te maken. In dit geval is het een uitstekende en sympathieke poging om een bijdrage te leveren om de polarisatietendensen te verminderen in Nederland. En natuurlijk moet Maxima dat blijven doen. Daar betalen we haar per slot van rekening voor. Wij allemaal, als Nederlandse belastingbetaler.

Laatste concert Willy Deville in Nederland

Er is in Nederland een hoogwaardigheidsbekleder die in het  recente verleden beweerd heeft dat ‘De Nederlander niet bestaat.’ Bijna alle ‘Nederlanders’ zijn over haar heen gevallen. Ik vond toen dat ze verkeerd begrepen is en dat heb ik ook in een column betoogd. Met bovenstaande inleiding heb ik een aardig bruggetje geslagen naar deze muziekcolumn/ recensie vind ik zelf, want verder zal ik niet meer over de uitspraken van prinses Maxima spreken, alleen nog dit.

‘Als Gelderlander, Oosterling of zo u wilt Provinciaal, ik vind het allemaal goed, want wie provinciaal denigrerend in de mond neemt, mag van mij aannemen dat ik dit als een geuzenaam beschouw. Dus als Gelderlander moet ik toch constateren dat de Amsterdammer beslist anders is dan De Gelderlander.’ We kwamen er vanzelf weer achter.

Goed op 7 juli 2008 was het zover, na vele mitsen en maren bij voorgaande concerten van Willy Deville, hadden we, het echtpaar Sprakeloos, kaartjes voor het concert van Deville in Carré, Amsterdam. Voor mevrouw Sprakeloos een langgekoesterde wens en Sprakeloos zelf vond de Cd’s die hem ter beschikking stonden mooi, maar van een echte fan was zeker geen sprake.

Ruim op tijd kwamen we aan op het station van Weesp om daar het laatste stuk met de trein naar het Centraal te reizen. Parkeren in Amsterdam zien we als Oosterlingen niet zo zitten. In de hoofdstad aangekomen moeten we ook altijd even acclimatiseren. De drukte op het Station en de directe omgeving zijn we niet gewend. De verscheidenheid aan mensen is echter altijd weer innemend en een waar festijn om alleen daarom in Amsterdam te zijn. Het moet trouwens gezegd worden dat de stad schoner, veiliger en prettiger oogt dan een aantal jaren geleden. Met de stroom toeristen togen we naar De Dam en besloten daar de winkelstraat in te gaan die recht tegenover het Paleis loopt, richting de Amstel, op die manier zouden we zeker op een prettige manier in de buurt van Carré belanden. Als u me nu vraagt hoe deze straat heet, ik zou het echt niet weten. Daarin onderscheid ik me van veel andere provincialen, want ook Amsterdam barst van niet Amsterdammers, die vooral meteen hun wereldburgerschap willen tonen. Ze doen net of ze Amsterdam als hun broekzak kennen. Ik niet en ik schaam me er ook niet voor om met een kaartje te lopen of de weg te vragen. Ik kan namelijk kaart lezen en ondanks een licht aanwezige oostelijke tongval lukt het me iedere keer weer om me verstaanbaar te maken. Carré was dus zo gevonden en goede eetgelegenheid iets minder, maar we kwamen in de ‘Eterij de Piste’ terecht, op een steenworp afstand van Carré.

Dit etablissement viel op om twee redenen. Allereerst de luidruchtigheid van een aantal zeer autochtone Amsterdammers. Zonder gêne konden we meegenieten van de levensverhalen en bevindingen van deze Mokumers, die eigenlijk net als wij een rustig hapje wilde eten. De opzienbarende luidruchtigheid was ons in de trein naar het Centraal Station ook al koud op ons dak gevallen. Een stel wannebee artiesten besprak op hoge toon de onredelijkheid van de platenindustrie. Vooral hun eigen miskende kwaliteiten werden nadrukkelijk de coupé in gestrooid. Wij waren niet erg ontvankelijk om hun ego’s te strelen, meer dit terzijde.

De tweede reden dat deze eetgelegenheid opviel, dit keer in negatieve zin, was de slechte kwaliteit. Er werd louter fabrieksvoer geserveerd voor veel te veel geld. Kijk zo provinciaal ben ik dan weer niet door louter tevreden te zijn met aardappels, vlees en groente onafhankelijk van de kwaliteit. Eigenlijke een zeer dikke onvoldoende. De volgende keer zoeken we een Surinaams eethuisje in of nabij het centrum. Wie een tip heeft, maak me Sprakeloos.

Dan het concert, Willy Deville, een groot artiest met een betrekkelijke kleine, maar trouwe groep fans. Na het concert ben ik er een van. DeVille staat bekend om de absorbitante hoeveelheid middelen die hij in zou nemen of in ieder geval heeft ingenomen in het verleden. Gezien de reeks concerten die hij in heel Europa achter elkaar geeft, lijkt dit bijna onmogelijk. In het weekend stond hij nog in Spanje te spelen, vandaag in Parijs en morgen in Italië. Met te veel alcohol en drugs zou zo’n zwaar programma niet lukken.
Ook zou hij bekend staan om zijn chagrijn tijdens het optreden. Ik heb het niet waargenomen, integendeel. De passie voor muziek spatte het podium af op ongeëvenaarde wijze. Zijn muziekstijl kent invloeden van bluesriffs, latin en country en pure rock. Een echte live artiest die op het podium iets toevoegt aan zijn toch al prachtige Cd’s. Willy DeVille heeft een stem, die rouw en vlijmscherp door merg en been gaat. Een echte artiest. Daarbij maakt het niet echt uit dat hij eruit ziet als een verouderde versie van professor Sneep in de boeken van Harry Potter.

Wat mij betreft dus een echte aanrader. (zie hieronder)

 

PAS OP!!!!!!Een kinderverhaal, echt.

 

‘Nog even gas geven en dan kan ik nog net door deze stoplichten’ denkt de man praktisch.
‘Pap, je rijdt door oranje.’
‘Ja, het kon nog net.’
‘Hoe weten de stoplichten dat dan.?’
‘De computer regelt dat allemaal.’
‘Eh…kan niet, ik zie geen computer.’

‘Goed dan, het zijn de stoplichtmannetjes.’
‘Hoe gaat het dan?’
‘Luister.’

In ieder stoplicht wemelt het van de kleine mannetjes, een soort kaboutertjes. Een van die mannetjes heeft een enorme grote mond en een harde stem. Dit kaboutertje zit boven op een van de stoplichten en ziet precies wat er op een kruispunt gebeurt.
Dat mannetje kent slechts vier woorden: Rood, groen, oranje en af.

‘Af, hoezo dat?’
‘Dat komt later nog wel.’

Nu zou je denken dat als dat mannetje met de grote mond echt zo’n harde stem heeft, dan hadden de mensen hem al wel eens gehoord. Maar nu moet je weten, de stoplichtmannetjes zijn ook niet gek, ze hebben zo’n hoge stem dat mensen het geschreeuw niet kunnen horen. Sommige dieren wel, honden bijvoorbeeld. Als een hond bij een stoplicht komt, kan het arme dier onrustig worden. Nu weet je ook hoe dat komt. Hij hoort het geschreeuw van het schreeuwende stoplichtmannetje met de grote mond.

Ik heb al gezegd, het wemelt van de mannetjes in de stoplichten, niet één, geen tien, geen honderd, maar duizenden van die mannetjes. Dit zijn mannetjes die niet kunnen praten, maar wel heel goed luisteren. Ze hebben daarom ook heel grote oren en dat is erg handig. Die grote oren zorgen er voor dat de mutsjes die ze op hebben niet over hun gezichtjes wegzakken, want dan kunnen ze niets meer zien en dat is weer niet handig. De stoplichtmannetjes met de grote oren moet namelijk heel goed opletten wat het schreeuwende stoplichtmannetje zegt. En wat zegt het schreeuwende mannetje? Je raad het al: Rood, groen of oranje.
Alle andere stoplichtmannetjes hebben allemaal drie mutsjes, je raad het al: Rood, groen en oranje. Als de mannetjes met de grote oren heel hard “rood” horen schreeuwen, dan doen ze allemaal heel snel hun rode mutsje op en gaan zo snel mogelijk naar de goede verdieping in het stoplicht. Al die rode mutsjes zorgen ervoor dat de mensen denken dat het stoplicht op rood staat, maar dat is niet zo. Het is gewoon een grote verzameling stoplichtmannetjes met het rode mutsje op de goede verdieping. En als de grote schreeuwer zegt “groen” dan moeten ze allemaal het groene mutsje opdoen en heel snel naar de onderste verdieping gaan. En met oranje is het precies hetzelfde. Zo zien de mensen rood, groen of oranje.

‘Maar hoe bewegen ze zich naar een andere verdieping?’
‘ Dat zal ik uitleggen.’

In de stoplichten zitten heel veel kleine trappetjes en daar rennen de mannetjes van verdieping naar verdieping naar boven. Als ze bij de bovenste verdieping zijn, met allemaal hun rode mutsje op en de schreeuwende stoplichtman zegt “groen” dan mogen ze met zijn allen heel snel achter elkaar een heel steile glijbaan af en dan roetsjen ze met een geweldige vaart naar beneden, terwijl ze ondertussen hun groene mutsje ook nog op moeten doen. Omdat het zo donker is daarbinnen is het heel handig dat ze van die grote oren hebben, want bij het wisselen van de mutsjes moeten ze goed blijven opletten. Ze trekken dan nooit in hun haast het mutsje te ver over hun gezicht. Want als één mannetje struikelt, dan loopt alles in het honderd. En je moet bovendien weten dat de stoplichtmannetjes in Nederland extra hard werken, want ze moet met hun rode mutsje altijd twee verdieping naar beneden glijden om daar hun groene mutsjes aan de mensen te laten zien. In alle andere landen hebben ze nog een extra rustpauze op de tussenverdieping, want daar mogen ze hun oranje mutsje nog eens laten zien aan de mensen. De glijbaan in andere landen is dan ook niet zo spannend als die in Nederland.

‘En als ze dan moe worden.’
‘Ook daar is aangedacht.’

Er zijn namelijk niet alleen trappetjes en glijbaantjes, maar er zijn ook liftjes. Deze liftjes zijn voor de stoplichtmannetjes die moe zijn geworden en niet zo snel meer de trap opkunnen. Vaak zijn dat de mannetjes die iets te veel sigaartjes hebben gerookt op momenten dat ze even mogen rusten. Bovendien is het wel handig dat niet iedereen met de trappetjes naar boven moet, want anders wordt het wel een gedrang van jewelste.
Voor de mensen lijken al die trappetjes, glijbaantjes en liftjes net een machine. De stoplichtmannetjes willen graag dat ze dat maar blijven denken, want ze willen niet zoveel met de mensen te maken hebben, alleen zorgen dat ze veilig het drukke kruispunt of het zebrapad over kunnen steken.

‘Je zei toch dat het schreeuwmannetje ook het woord af goed kende, wanneer zegt ie dat dan?’

Meestal gebruikt het schreeuwende mannetje de kleuren rood, groen of oranje en meestal luisteren alle andere mannetjes heel erg goed. Een heel enkele keer wil er nog wel eens een mannetje stout zijn. Als dat te vaak gebeurt dan roept het schreeuwmannetje ‘af’ en dat betekent dat hij voor straf niet meer mee mag rennen en glijden en dat is niet leuk voor zo’n mannetje. Je zou denken dat hij even kan rusten en dat is ook zo, maar die rust heeft hij niet voor niets.
In sommige situaties is het namelijk niet nodig dat de stoplichten op rood, groen of oranje staan. Het kijkende en schreeuwende mannetje ziet dan dat het niet zo druk is. Dan moeten de mensen zelf uitkijken.
Hij besluit dan dat alle brave mannetjes dan rust mogen om zo hun sigaartjes te roken. De stoute mannetjes moeten dan naar de middelste verdieping met alleen hun oranje mutsje op. En dan horen ze de hele tijd achter elkaar “oranje” en dan “af” , oranje, af, oranje, af. Oranje mutsje op, oranje mutsje af, oranje mutsje op en weer oranje mutsje af, allemaal tegelijk. De stoute mannetjes moeten dan soms doorgaan tot ze er een lamme arm van krijgen.

‘Zo werkt het dus met de stoplichten en hun bewoners.’
‘Dat had je ook meteen kunnen zeggen, dus van die computer is gewoon gelogen. Ik vind het eigenlijk wel logisch zo.’

Erasmus en het Poldermodel/HERMAN PLEIJ

Hoon, afkeer en walging is wat de Nederlandse regering ten deel is gevallen de afgelopen dagen. Na wekenlang geheim crisisberaad is de Nederlandse samenleving gefêteerd op een zweempje crisismanagement dat door de langdurige onderhandelingen verworden is tot een slap aftreksel van wat het had moeten zijn. Tenminste dat vinden de media, oppositie en wij, het Nederlandse volk.
Toch is de buitenproportionele kritiek niet terecht. Integendeel, zou ik haast zeggen. Ze verdienen eigenlijk een dikke pluim. De wijze waarop de coalitie het crisismanagement ter hand heeft genomen is een pure daad van vaderlandsliefde geweest of in ieder geval kan gesteld worden dat het hele proces met een nauwkeurig historisch besef tot stand is gekomen.

Jongens van Jan de Witt
Het fine-tunen op historische leest door de huidige coalitie kan ik waarderen en ik wordt hierin gesterkt door een autoriteit op dit gebied namelijk Herman Pleij. Hij schreef enige jaren terug het zeer lezenswaardige boekje ‘Erasmus en het poldermodel.’  Na herlezing van het boek van de hoogleraar historische Nederlandse letterkunde aan de UvA, kan ik stellen dat onze jongens van Jan de Witt (JP, André en Wouter) het zeer goed hebben gedaan. Ze verdienen de kakofonie van kritieken niet. Aan de andere kant, de meest oppositiepartijen zijn ook uitstekend in hun historische rol gebleven. Daarvoor ook een compliment vanuit deze plek.

Lelijk eendje
Toegegeven, de geboorte van het sociaal akkoord is moeizaam gegaan en om nu te spreken van een mooi kind, durf ik niet te beweren. Maar zoals een ieder weet, groeit uit een lelijk eendje een prachtige zwaan.
Nederland is nu aan het polderen, letterlijk en figuurlijk, ondanks het geblaat dat dit ‘oude politiek’ is.

‘Heeft het poldermodel, in welke gedaante dan ook, echt afgedaan? Of is er eerder sprake van impulsieve reacties op actueel onheil en ongenoegen? Nederland staat bol van hoog kwalitatieve opiniëringsinstituten en dito cabaretiers, die graag moord en brand schreeuwen en op zijn minst de zoveelste revolutie uitroepen wanneer er iets schokkends gebeurt of de wereldeconomie in een dal raakt. Verder heeft iedereen in het tot in zijn vezels doorgedemocratiseerde Nederland een mening over alles, terwijl politici graag het nodige elan demonstreren door voortdurend aan te kondigen dat het nu geheel anders moet of juist weer niet. En ondertussen regeren de ambtenaren gewoon door krachtens een poldermodel dat hier al eeuwen de dienst uitmaakt.’
(Herman Pleij, p.14)

Ongeboren kind
In de wetenschap dat de geboorte moeizaam zal verlopen, is alles en iedereen in het werk gesteld om het ongeboren kind tot zijn recht te laten komen. De draagtijd is tot het uiterste opgerekt, want dat vergroot de kans op overleving. Evenals het aantal deskundigen dat erbij is geroepen van eminent belang is. Immers, hoe groter de betrokkenheid van velen, des te groter de kans is dat het kind een brede erkenning zal krijgen. En dat is van levensbelang voor een gelukkige groei. Want zeg nu eerlijk, ook minder ‘geslaagde’ kindjes hebben recht op een volwaardig bestaan. Achterkamertjes zijn dus nodig om het geboorteproces goed te begeleiden.

Ook al dat verdere gesjoemel en zeker die veronderstelde achterkamertjespolitiek vallen reuze mee, vooral omdat ze zo veel supporters hebben in de hoogste kringen van politiek en ambtenarij – hoe moet je anders een samenleving inrichten en op koers houden met het uitgangspunt dat zo veel mogelijk mensen aan hun trekken dienen te komen?
(Herman Pleij, p.17)

Natuurlijk moesten de werkgevers meedoen en vanzelfsprekend mocht Agnes Jongerius hoog van de toren blazen. Er moet toch een breed draagvlak gecreëerd worden.

Oppositionele gedragsproblematiek
Daar waar het lelijke eendje extra ondersteund en gepamperd dient te worden, valt het de jonge zwanen zwaar om te overleven. De nieuwbakken ideeën van de oppositie krijgen niet de aandacht die de zwanen zouden willen. Om gehoord te worden, gaan ze schreeuwen en fulmineren. Ze vervallen mogelijkerwijs in extreem taalgebruik om hun frustraties te uiten. En dat mag, sterker nog, historisch gezien zijn zij dat aan hun politieke stand verplicht.

De essentie van het poldermodel bestaat uit de pragmatiek, die na het schreeuwen van moord en brand telkens intreedt. Het redresserend vermogen waartoe het model na al die extreme uitingen steeds weer uitnodigt is bijzonder veerkrachtig en blijkt al eeuwen alles wat er aanvankelijk uitziet als totale ontreddering te kunnen opvangen en kanaliseren.
(Herman Pleij, p.20)

Goede zorg
Voor het vrije woord en de discussie zijn een aantal zaken van belang. Herman Pleij haalt de noodzaak hiertoe vanuit de Nederlandse geschiedenis en leert ons tevens dat Erasmus deze gewoonte in de 15/16e eeuw al heeft beschreven en verfijnd voor latere generaties. Het voert in dit kader te ver om de precieze toevoegingen en wijsheden van Erasmus inzake het poldermodel te benoemen. Enige uitgangspunten wil ik u echter niet onthouden:

(……….) moeten leren om respect te tonen voor andere standpunten, ook en juist als ze er niet in slagen om hun opponenten te overtuigen. En dat respect is de garantie voor de waarde van hun eigen opinies, op voorwaarde dat iedereen zich open blijft opstellen en zo lang mogelijk volhardt in de gedachtewisseling (……….). Hoe fel de opponenten ook tegen elkaar tekeer kunnen gaan en hoezeer ze er niet in slagen om de ander voor het eigen standpunt te winnen, ze krijgen nooit echt ruzie en gaan aan het slot beschaafd uit elkaar (…….) aan het slot is niemand monddood gemaakt.
(Herman Pleij, p.60)

Kraamvisite
Een kind is geboren met drie vaders. JP als leider niet eens nadrukkelijk aanwezig. Dat hoeft ook niet want wij Nederlanders houden niet van leiders al schreeuwen sommigen er nog zo hard om. Wij weten het zelf wel.

Dat kuddegedrag, bij voorkeur van oranje snit, accentueert metterdaad dat leiders niet nodig zijn en zeker als zodanig niet geliefd.
(Herman Pleij, p.86)
Ook Wouter als onderdeel van de consensusvaders kan niet meer dan zuur lachen. Hij heeft het immers niet allemaal zelf bedacht. En ook André zal zeker zijn bevindelijkheid niet terugvinden in het sociaal akkoord.
En dan de visite die aast op beschuit met muisjes, het liefst van eigen kleur. De coalitiepartijen eten tegen heug en meug en verzekeren dat het goed smaakt. De oppositie zoekt naar betere beschuiten en/of muisjes of heeft mogelijk zelfs de eigen traktatie meegenomen om te offreren. Het zal echter nooit gegeten worden, tenminste niet in het openbaar. Uiteindelijk zullen ook zij heimelijk de geboorte van het kind toch accepteren. Ze moeten wel. Zeker nu, want polderpolitiek is met name het sterkst als er een crisis is.

Aangezien het om verworvenheden gaat die in lange eeuwen zijn opgebouwd, moet dit poldermodel ook antwoord geven op recente schokken in de samenleving en de omgang met nieuwkomers. Daarvoor beschikken we namelijk over een uniek instrument, zeer schok- en revolutiebestendig, dat optimale betrokkenheid bij alles garandeert: een conflictmodel met de pragmatiek van een ingebouwde tolerantie, die vroeg of laat maar wel altijd naar leefbare consensus leidt. En met behulp daarvan kan iedereen steeds weer in alle vrijheid aan de slag.
(Herman Pleij, p.106)

Hoe zal het kind opgroeien (oftewel Oei, ik groei!)
De geschiedenis zal het leren, maar op basis van de wetenswaardigheden  die Herman Pleij[i] offreert, komt het goed, al zal het niet helemaal over rozen gaan zoals bij ieder groeiproces. En bovendien we leven nu in een crisis en hebben de neiging daarbij de geschiedenis te vergeten. Het veronachtzamen van onze geschiedenis wordt versterkt door de journalistiek.

Daarin worden ze (politici, red) bijgestaan door naar blijvende verandering hunkerende journalisten, die daartoe de waan van de dag graag verheffen tot mijlpaal van alweer een beslissende omwenteling die zij zelf mochten bijwonen – of liever gezegd, persoonlijk hebben gesignaleerd.
(Herman Pleij, p.13)

Ze moeten dus wel negatief over het polderconcept schrijven, want als de hype niet gevolgd wordt, is er geen brood!!

Nogmaals benadruk ik het historische besef van kabinet en oppositie. We zijn immers tot polderen gedoemd en het heeft ons geen windeieren gelegd.
Een samenleving waarin verreweg de meesten het gevoel hebben aan hun trekken te komen en het onderste uit de kan te kunnen halen, is de moeite van het handhaven, aanpassen en systematisch bestuderen meer dan waard.
(Herman Pleij, p.106)

Voor mij als blogger blijven er voorlopig twee interessante vragen over. Allereerst wat is de rol van de blogger in het algemeen. Past het niet bijzonder goed in de traditie van het polderen. Aan de ene kant kunnen extreme meningen bestaan, maar de neiging om daarmee vooral te zoeken naar goede argumenten en die te vinden bij je opponenten  is daarbij een belangrijk doel.
Een tweede vraag die het onderzoeken waard is, komt uit de actualiteit. In hoeverre is het vaderlandslievend om weg te lopen uit de politieke arena, daar waar de argumenten volgens het aloude spel worden gewisseld. Soms heftig en andere keren uiterst zakelijk, maar altijd zoekend naar een zo breed mogelijk draagvlak en neigend naar consensus. Ik kan deze vraag niet goed beantwoorden, maar vanuit historisch perspectief is het niet verstandig. Of juist wel?


Herman Pleij
Erasmus en het poldermodel
 Uitgeverij Bert Bakker
 2005
In het volle besef dat maar enkele delen uit het boekje gebruikt zijn in mijn betoog, benadruk ik dan ook de verdere argumentatie van de auteur zeer lezenswaardig is. Hij beschrijft de rol van Erasmus in de verfijning van het poldermodel door middel van zijn werken. Ook satire en cabaret zijn in de ‘Lof der Zotheid’  van Erasmus al nadrukkelijk aanwezig. Een stijlvorm die past in het poldermodel tot op de dag van vandaag.
Verder beschrijft Pleij ook nadrukkelijk de mentaliteit van de dominee en de koopman, maar benadrukt niet zozeer alleen de negatieve aspecten die de laatste decennia benadrukt worden. Hij wijst ook op het overlevingsmechanisme dat ingebakken zit in het poldermodel. Heel vermakelijk is ook het beschrijven van de volksaard waarvan hij ontkent dat zoiets bestaat. Hij heeft het over mentale constructies en een gemeenschappelijk ervaren (of gevormde) nederzettingsgeschiedenis.
Kortom een aanrader om in barre tijden (crisis en integratie) tot de broodnodige relativering te kunnen komen.

’t Piepke

Alsof hij nooit is weggeweest, staat hij op zijn plek tegen de kale muur van de supermarkt, midden in de pretentieloze nieuwbouwwijk. De verse sneeuw, die de ochtend gevallen is, wordt netjes weggeveegd, terwijl ’t Piepke het allemaal soeverein bekijkt. En wij weten dan inmiddels dat de lente in aantocht is wanneer ’t Piepke weer in de openbaarheid verschijnt, ook al is het nog koud en winters voor andere stervelingen.

’t Piepke is een prettige zekerheid geworden in het leven. ’t Piepke staat meestal vrij roerloos op een strategische plek, vaak op meerdere momenten van de dag aan zijn pijp te lurken. Het moet wel heel hard regenen, of zoals nu, langdurig koud zijn, willen we ’t Piepke uit het oog verliezen.

In de anonimiteit van de moderne woonwijk heeft ’t Piepke ongewild, ook door gebrek aan beter, de rol gekregen van een soort dorpsgek. Hij weet dit overigens niet. Bovendien gedraagt hij zich ook niet heel buitenissig, het is meer het leger der kleurlozen dat hem tot een markante verschijning maakt.

Jaren geleden was de man me al opgevallen. Iedere avond reed ik met de fiets of auto langs hem op. Een gedrongen man van tegen de tachtig met een manchester broek, een pet, een grote donkere hoornen bril en een wat boerse jas voor als het koud is. Hij heeft een dunnere variant voor de minder koude dagen en hij verschijnt in hemdsmouwen bij zomerse temperaturen. Maar altijd heeft hij zijn pijp in de mond en met zijn handen op de rug monstert hij de voorbijgangers.

Bij terugkomst van een familie-uitje zei ik eens dat ’t Piepke er ook weer was. Ik zwaaide naar hem. Hij reageerde met een korte hoofdknik, nauwelijks waarneembaar, maar mijn kinderen waren onder de indruk.

‘Pappa kent ook iedereen.’

Ik heb ze uiteraard in de waan gelaten, inmiddels weten ze ook wel beter, maar ’t Piepke is sindsdien een begrip geworden. Al zijn gangen worden in familieverband besproken. Als ’t Piepke van zijn plaats wandelt om een boodschap te doen, wordt zoiets genoteerd inclusief wat er in zijn boodschappenmandje zit. Als hij een praatje maakt met een voorbijganger dan valt het op. ’t Piepke is een man zonder lange dialogen. Zijn bijdrage beperkt zich veelal tot enige losse opmerkingen in het plaatselijke dialect. En hoewel ’t Piepke nooit onwelwillend is naar zijn medemens, is zijn favoriete houding toch met de handen op de rug de auto’s, fietsers en wandelaars schijnbaar emotieloos observeren.

Mijn jongste zoon heeft mogen ervaren dat ’t Piepke wel degelijk negatieve emoties de vrije loop kan laten gaan. Heel opgewonden kwam hij eens thuis om dat te melden:

‘ ’t Piepke is helemaal uit zijn dak gegaan!’

In geuren en kleuren vertelde hij dat ’t Piepke vloekend en druk gesticulerend naar een huis aan de overkant wees. Hij zou schuttingtaal hebben gebezigd die niet echt past bij het oude baasje. Bovendien, zo gaat het verhaal, stak hij zijn middelvinger op.

‘Echt waar’, zei mijn jongste zoon volhardend toen hij ons ongeloof waarnam.

Inmiddels weten we dat hij in het huis aan de overkant woont, met zijn echtgenote, die we nog nooit hebben gezien, maar gemakshalve noemen we haar mevrouw Pipperette. Ik kan me zo voorstellen dat ze hem de deur heeft uitgezet met de woorden:

‘Ga jij maar op de hoek staan met je pijp, ik moet de boel aan kant maken.’

Nu zal ’t Piepke zich hebben neergelegd dat hij de vitrage niet meer mag besmeuren met zijn pijpwalmen. Maar hij wil wel naar buiten slenteren wanneer hij dat wil en niet op aandringen van mevrouw Pipperette zelf. In Amsterdam sturen vrouwen hun gepensioneerde mannen tenminste nog naar Artis. Hij moet op de hoek staan, tegenover zijn eigen huis nota bene.

De keer erop had hij zich weer verzoend met zijn Aardse plek tegen de blinde muur van de supermarkt. Hij volgde de langs rijdende auto’s en legde zijn nek in een kramphouding en mompelde nauwelijks hoorbaar:

‘Lekker wijfie.’

Onwillekeurig keek ik naar de vrouw in kwestie en moest concluderen dat ik zijn smaak niet deelde. Er fietste een dikke, ietwat fletse dame aan de verkeerde kant van de vijftig langs. Ze bezat in mijn optiek geen greintje ‘joie de vivre’ meer, maar ze kon ’t Piepke blijkbaar wel bekoren. Misschien kende hij haar nog wel van veertig jaar terug en heeft hij zich toen, op de rand van zijn midlifecrisis, verlekkerd aan haar. Ongetwijfeld was ze toen nog fris en fruitig en had het leven haar nog wat te bieden. Wie zal het zeggen?

Geheel onverwacht sprak ’t Piepke mij vorig jaar aan op de hem bekende losse lodderachtige wijze. Op een woensdagochtend had ik alle boodschappen gedaan. Bij thuiskomst was ik het wasmiddel vergeten, want woensdag is het wasdag. In een uiterst slechte stemming kon ik onverrichter zaken terug. Met een fles vloeibare zeep in mijn hand, merkte ’t Piepke me op. Hij bewoog zijn pijp van de ene mondhoek naar de andere.

‘Zo, dan kan moeder de vrouw ook weer aan het werk!’

‘Gvd’, dacht ik jaloers, ‘Niets moeder de vrouw, deze sukkel zelf moet aan de slag, luie uitvreter.’

Ik zag het onredelijke van mijn gedachten en lachte als een boer met kiespijn naar ’t Piepke.

Hij staat er dus weer, met een dikke jas aan, zijn pet op zijn hoofd en de pijp heel vertrouwd onder aan zijn lip, kijkend naar de witte wereld om hem heen, in de nietszeggende nieuwbouwwijk. Alsof hij een boer is die zijn landerijen bekijkt en voelt dat de lente er aankomt. Misschien was het land voorheen wel van hem? Wie weet? Ik weet het in ieder geval niet, want we kennen elkaar niet echt in de nieuwbouwwijk.

De Hoge Hoed

hoedhoed
hoedhoedhoed
hoedhoedhoedhoed
hoedhoedhoedhoedhoed
hoedhoedhoedhoedhoed
hoedhoedhoedhoedhoed
hoedhoedhoedhoedhoedhoedhoedhoed

Na het zuur kwam het zoet

Maar Bos zegt met ernstig gemoed
De economie draait dan wel goed
Ik doe het anticyclisch zoals het moet
Niet alleen uitgeven die poet
Anders worden we later maar beboet

Daar gaat die hele Haagse stoet
Bepakt, bejurkt en vooral behoed
Luisterend naar de Majesteit, doet zij het goed
Objectief, goede dictie en onbewogen snoet
En valt de inhoud zoals Bos bevroedt
Bij menigeen niet goed

Het is Woutertje die er even toe doet
Hij trekt vandaag een lange snoet
Naar links en rechts, en begroet
Morgen wel, zoals hij vermoedt
De ongezouten kritiek, die coûte que coûte
Door SP, VVD en PVV vol dégoût
Gegeven wordt, jij doet het absoluut niet goed!
Maar Wouter denkt,
gooi het allemaal maar in mijn hoge hoed

One day in your life/ MICHEAL JACKSON

‘One day in your life’ van de kleine en nog onverbouwde, maar toch al hevig beschadigde Michael Jackson, kwam uit de luidspreker van de computer.
De mogelijkheid herbergde zich al enige tijd in mijn hightech installatie, maar sinds twee jaar is dat kwartje pas echt bij me gevallen. Het eerste nummer dat ik hoorde was dus het nummer van Michael Jackson. “One day in your life kom je er dan achter” mompelde ik toen vergenoegd.

Maar dit nummer is voor mij niet alleen een keerpunt in mijn multimediagebeuren, ook andersoortige herinneringen komen boven. Voor mij was dit het eerste schuifelnummer waar ik niet meer onderuit kon komen.
U hoort het al, het is geen hobby van me geworden, want het is ook ongeveer de laatste keer geweest in het openbaar. Maar dat wist ik toen, in de zomer van 1982, nog niet.
Een feestje, toen in mijn kringen steevast fuif genoemd, werd gegeven door een klasgenote, laten we haar voor het gemak Trudy noemen. Rond een uur of tien kwamen we met de vriendenkring aan. Het feest was nog niet echt op gang gekomen. Buiten bekenden van school, was ook een groep veel oudere jongens uitgenodigd. Jongens die al werkten en dus ver stonden van een scholier uit de vierde klas. Met de vriendengroep werd de koelkast snel gevonden en het was vast heel gezellig. Op de dansvloer werd gedanst op The Police, Madness en The Specials tot groot ongenoegen van de werkende jongens. Die waren blijkbaar niet gekomen voor een beetje expressief heen-en-weer gehuppel van een stelletje scholieren.
“Schuifelen, schuifelen” riepen ze naar de broer van de gastvrouw.
De broer bediende de platenspeler en op aanwijzing van zijn zus, veranderde hij van muziekstijl. En de werkende jongens wisten van wanten, want allen eisten ze een dame op en er werd geschuifeld. De gastvrouw stond ook innig tegen een potige jongen aangeplakt. Blijkbaar had ze een geheim leven voor haar klasgenoten, want de omstrengeling verried een meer dan vriendschappelijke band. Daar wisten wij als klasgenoten niets van.
Met de vriendenclub namen we nog maar eens een biertje en aanschouwden het spektakel met gemengde gevoelens.
De stoerste onder ons schreeuwde nog: “Madness, Madness.”
De broer kreeg echter geen nieuwe aanwijzingen en bleef hetzelfde genre draaien.

 

De gastvrouw was een goede gastvrouw en zorgde ervoor dat een aantal van ons er ook aan moest geloven. Zij zelf liep gedecideerd op me af en pakte mijn hand om met me te dansen, of wat daar voor door moest gaan.
Ze legde haar armen om mijn nek en instinctief voelde ik aan dat ik ook iets moest doen met mijn handen. Maar wat? Michael Jackson kwam al hard uit de luidsprekers zetten met zijn ‘One day in your life’.
De potige jongen zag mijn onhandigheid en riep:
“Handen op d’r kont.”
Blijkbaar weerhield een vermeende verkering hem er niet van om vreemden aan de billen van zijn vriendin te laten zitten. Later bleek dit een naïeve gedachte te zijn, want ze hadden geen verkering. Ik plantte mijn handen onwennig op haar rug en samen met haar bewoog ik in de tot disco uitgebouwde garage. Ik was nog aan het bedenken of ik het leuk moest vinden, toen mijn handen geheel onverwacht op ruwe wijze op de billen van de gastvrouw werden geduwd.
“Op haar achterste zei ik toch, of durf je niet” zei hij in het plaatselijke dialect uit het Oosten van het land. De potige jongen vond mijn manieren blijkbaar niet zo netjes, want hij siste er nog aan toe.
“Of vind je niet dat ze een lekker kontje heeft?”
Hij was zo ingenomen met zijn grap en liep naar zijn kameraden. Hij verwachte gelukkig geen antwoord op zijn vraag.

Inmiddels was het volgende schuifelplaatje al aan de gang dus het was onbeleefd om nu te stoppen dacht ik. Onhandig schuifelde ik verder op ‘How about us’ van Champaign.
“Ja how about us” dacht ik, terwijl de blonde krullen van Trudy tegen mijn kin kriebelden en ik haar bespijkerbroekte zachte achterste in mijn handen hield.
Gelukkig dat de gastvrouw niet de hele avond kan dansen en haar taak als gastvrouw heel serieus nam, dus de kwelling duurde niet meer dan twee nummers. Zij liep toen naar de koelkast om met hapjes rond te gaan en ik sloot me aan bij de vrienden die niet op de dansvloer waren gesommeerd.
“Hier, een biertje, daar zul je wel behoefte aan hebben?” zei een van hen meelevend.
“Ja, heel graag”, niet wetend of hij het uit jaloezie of leedvermaak aan me vroeg. We hebben het er ook nooit meer over gehad.
Schuifelen is door velen een hooggewaardeerd vermaak, net als Michael Jackson zelf trouwens, maar in beide heb ik nooit zo veel lol gehad.

Michael Jackson /One day in your life (1981)

One day in your life
you’ll remember a place
Someone’s touching your face
You’ll come back and you’ll look around you

One day in your life
You’ll remember the love you found here
You’ll remember me somehow
Though you don’t need me now
I will stay in your heart
And when things fall apart
You’ll remember one day…

One day in your life
When you find that you’re always waiting
For the love we used to share
Just call my name
And I’ll be there

(Oh-oh-oh-oh-oh…)

You’ll remember me somehow
Though you don’t need me now
I will stay in your heart
And when things fall apart
You’ll remember one day…

One day in your life
When you find that you’re always longing
for the love we used to share
Just call my name
And I’ll be there

(Ohh…)