Kleine landjes, berichten uit de Kaukasus/ Jelle Brandt Corstius

Ik kan het niet meer krijgen, want ik het van iemand geleend. Maar mocht u een leuk Vaderdagcadeautje willen,  dan is het boek ‘Kleine Landjes, berichten uit de Kaukasus’  van Jelle Brandt Corstius een goede keus. Het is voor de avontuurlijke vader die houdt van spanning, zuipen en vooral ook geïnteresseerd is in mensen en politiek.

Voor hen die het nieuws een beetje volgt, weet dat de Kaukasus niet enkel bestaat uit Georgiërs en Russen die zijn blijven hangen nadat de Sovjet-Unie uiteen viel. De eerste oorlogsperikelen stammen al van rond 1990 in het huidige Azerbeidzjan, als de republiek Nagorno-Karabach zich vrij wil maken. Bij dit conflict zijn ook de Armenen actief zijn betrokken. Ook de Tsjetsjenen mogen genoegzaam bekend zijn. Deze bevolkingsgroep, de paria’s in Rusland, worden gediscrimineerd en gezien als terroristen door Poetin en Medvedev.

Het boek van Brandt Corstius handelt niet alleen over Tsjetsjenië, maar ook over Kalmaukkië, Abchazië, Karatsjaj-Tsjerkessië en Ossetië. Daarnaast zijn er nog zo’n 300 andere bergvolkeren in de Kaukasus, veelal met eigen gewoontes en taal, die niet genoemd worden. Vanwege de onherbergzaamheid van het gebied hebben veel van deze volkeren hun eigenheid kunnen behouden, maar dat is in de afgelopen eeuwen niet zonder slag of stoot gegaan, gezien de hoeveelheid conflicten die er heersen tot op de dag van vandaag.

De journalist Brandt Corstius doet verslag van zijn vele reizen in de Kaukasus. Hij bezoekt brandhaarden, voor, tijdens en na de gevechten in dit explosieve gebied. Tussendoor ontmoet hij vele ‘gewone’ Abchazen, Osseten en Kalmukken en wat al niet meer en wordt met enige regelmaat gefêteerd op de vaak genante gastvrijheid, waarbij de wodka rijkelijk vloeit zolang het niet om fundamentalistische moslims gaat. Hun verhalen zijn een afspiegeling van het leven in deze contreien waarbij onderlinge haat, strijd en trots op een grappige manier beschreven wordt.

Bijna alle bevolkingsgroepen roemen de knapheid van hun eigen vrouwen en met minachting wordt de desastreuze lelijkheid van de vijandelijke vrouwen benoemd. Zo laat Brandt Corstius optekenen dat de Ossetische vrouwen snorren hebben waarop de Georgische mannen jaloers zouden zijn. De trots op hun vrouwen staat echter in schril contrast met het schaken van vrouwen, hetgeen nog dagelijkse praktijk. Sommige mannen deinzen er zelfs niet voor terug hun eigen zus te laten schaken. Onder het genot van de wodka wordt het verteld alsof het de gewoonste zaak is van de wereld.

Naast de ‘kleine’ verhalen, boeit het boek verder door de opsommingen van rariteiten die de verschillende leiders en/of presidenten met zich meebrengen. De passie voor schaken van de president van Kalmukkië bijvoorbeeld, heeft er voor gezorgd dat schaken een verplicht vak is op de Kalmukkische scholen. Ook de controle op het journalistieke werk van buitenlandse journalisten door Russische of lokale politie en/of militairen levert grappige anekdotes op.

Het boekje van Brandt Corstius geeft een beeld van de Kaukasus, zonder dat je nadien kunt navertellen wie nu met wie in oorlog is. Minderheden in een land, kunnen streekgebonden weer een meerderheid vormen, met alle culturele hektiek van dien. De herkomst van de bewoners van de Kaukasus is dan ook heel divers. Ze komen vanuit Iran, Mongolië, China en India, maar ook Russen, Europeanen, Turken etc. Begrijpen doe je het niet echt, want het is nog complexer dan de Balkan, maar het boeit enorm.

Kleine landjes, berichten uit de Kaukasus

Jelle Brandt Corstius 

Prometheus Amsterdam 2009

Kortom, een echt Vaderdagcadeau voor de avontuurlijke vader die mee kan leven met de journalist vanuit de tuinstoel en wiens lever niet aangetast wordt door de hoeveelheden wodka die de journalist vanuit beroepsethiek moet drinken.

Een en ander wordt ook nog op de website van Jelle Brandt Corstius in beeld gebracht via youtubefilmpjes. Tijdens het lezen wordt je geattendeerd op levende beelden via het internet. Dit is een leuke bijkomstigheid, maar aan de andere kant gaat het ten koste van je eigen beeldvorming.

De filmpjes zijn te vinden via de volgende link.

Dorus de Binnenboel en de mamoushkarevolutie

Al roerend in zijn derde mok koffie, kijkt Dorus apathisch naar het draaikolkje dat ontstaat door zijn eigen toedoen. De evolutionaire kwestie die hij zichzelf heeft aangedaan, enkele dagen geleden, houdt hem nog danig bezig. In plaats van kwiek aan de slag te gaan deze ochtend, wordt hij ernstig geblokkeerd door de netelige kwestie. Is de man in het huishouden wel bestendig tegen de evolutionaire eisen van de mensheid? Geeft hij zijn zoons hiermee wel het goede voorbeeld? Dorus twijfelt hevig, al zullen de Joke Smits, Cisca Dresselhuijsen en al hun vriendinnen zijn poetsijver, die staat voor eerlijke verdeling van taken tussen mannen en vrouwen, wel weten te waarderen.

“Verdomme dat ging net goed.”
Dorus roerde iets te hard en zijn volle bak koffie dreigde te vallen, maar door een snelle reactie weet hij een ernstige ravage te voorkomen.
“Ik heb altijd al goede reflexen gehad.”
Een flauwe, maar tevreden glimlach verschijnt op zijn gelaat om vervolgens plaats te maken voor een brede grijns.
“Eureka, ik heb het. Ik ben evolutieproof.”
Dorus komt voorlopig tot een werkbare definitie van de evolutie en zijn plaats daarin. De mate waarin mensen op een goede manier kunnen samenwerken, oftewel hun krachten bundelen tot synergetische hoogtepunten in de jungle van het leven, dat is de nieuwe weg voor Dorus. Zijn aanpassingsvermogen aan de nieuwe huiselijke omstandigheden, ondanks de rudimentair aanwezige jagersinstincten, dat moet zijn kracht zijn.”
“Daar moet ik het vanavond eens met Dora over hebben, benieuwd wat zij van deze nieuw verworven inzichten vindt.”

Het hebben van geen zin is dus slechts een kwestie van definitie, zoals alles in principe een kwestie van definitie is, bedenkt Dorus.
“Pijn en vernedering bijvoorbeeld, vraag het maar aan de mensen die een sadomasochistische voorkeur hebben en daarmee hun leven verrijken,” bedenkt Dorus opeens heel ruimdenkend, na de zelfbevrijding die hij zojuist heeft ondergaan uit zijn theoretische dilemma over de evolutie.

Vol goede moed wil Dorus een vrolijke CD met Braziliaanse liedjes pakken. Onvindbaar, mogelijk in het verkeerde hoesje gestopt. Naarstig gaat hij op zoek naar vervangende muziek en stuit daarbij op een verzameling van bekende klassieke werken. Een typische CD voor culturele onbenullen die op zijn tijd een stukje klassieke muziek hogelijk weten te waarderen zolang het maar door een ander zorgvuldig is geselecteerd. Hoewel Dorus een aantal componisten kent, weet hij daar veelal geen muziekstuk aan te verbinden en andersom.
“Och, dat is ook wel leuk voor het moment” en Dorus plaatst de CD in het mini-stereo-setje.

Terwijl Dorus wil aanvangen met het huishouden, wordt hij gevangen door de klanken die de kamer in denderen. De volumeknop stond bijna voluit en een klagelijk vioolspel komt uit de boxen. Heel teder, maar in zekere zin ook met een klagende teneur. Dorus luistert intens, zeker als de viool bijval krijgt van meerdere violen die zelfs enigszins dreigend klinken. In de muziek lijkt de dreiging dan wel weer te verdwijnen, want vrolijkere stukken volgen. Het eindigt een beetje onbestendig alsof het niet duidelijk is of je blij moet zijn of niet.
“Een beetje een besluitloos einde” concludeert Dorus.
Hij duwt meteen de repeatknop in en kijkt op het hoestje van wie deze muziek is.
“Shostakovich met het stuk Romance from the “Gadfly-suite” leest Dorus op het bijbehorende hoesje.

Een beetje romantiek ziet Dorus er misschien nog wel in, maar het doet hem toch meer aan vertwijfelde Russische Mamoushka’s denken. Veel te dikke plompe vrouwen van begin veertig, die eruit zien alsof ze bijna zestig zijn uit communistische tijdperk van de Sowjets, die de arbeid in de staalfabriek moeten zien te combineren met het onderhoud van een piepklein privé-tuintje op schrale grond en hun misvormde paprika’s moeten zien te slijten op de weekmarkt met vele tientallen lotgenoten.
Wachtend op klandizie overpeinzen ze hun armoedige en zware leven. Melancholisch overdenken ze hun jeugd die zwaar was, maar door hun toenmalige jeugdige elan kunnen ze hier nog met enige lichtvoetigheid op terugkijken. Misschien wel door een liefde die nimmer is beantwoord, maar waarop ze in hun overpeinzing nog immer geloven al turend over de schamele paprika’s en bosjes uien.
Dan komt de grote boze wereld van plichten en amper rechten als een allesoverheersend monster definitief hun persoonlijke leven in. Ze moeten buigen of barsten en leven hun leven, plichtmatig en durven amper te hopen op betere tijden die de propaganda hen al jarenlang beloofd. Ze blijven hopen, ze moeten ook wel.

“Wat is het toch heerlijk om cultureel analfabeet te zijn” prijst Dorus zich gelukkig. Want met enige muzikale onderlegging zou Dorus nooit op dit beeld bij deze muziek zijn gekomen.
Voor de vierde maal hoort hij de muziek van Shostakovich aan. Hij gaat erbij op de tafel staan als ware hij de redenaar en volksmenner Lenin zelf:
“Hierbij beloof ik plechtig nooit en te nimmer meer te zeuren over een beetje huishouding met een overvloed aan elektrische hulpmiddelen. Ik draag mijn arbeid hedenochtend op aan alle Mamoushka’s ter wereld die geleefd hebben, momenteel leven en nog zullen leven in toekomst. Alle Mamoushka’s, verenigt u tegen het juk van welk allesoverheersende regiem dan ook.”

Als een ware revolutionair gaat Dorus die ochtend aan het werk, nadat hij eerst het werk van Shostakovich op een maagdelijke CD heeft gebrand om het de hele ochtend te kunnen beluisteren. Want hij wil niet gestoord worden in zijn heilige en revolutionaire roes door bijvoorbeeld het lichtvoetige pianowerk van Chopin dat volgt op het werk van zijn favoriet van dat moment Shostakovich.

Of zijn revolutionaire daad nu een substantiële bijdrage zal leveren aan het leed der Mamoushka’s is de vraag, Dorus heeft wel een substantiële bijdrage geleverd aan zijn eigen huishouding.

 

Dorus de Binnenboel en de evolutie

Dorus zwaait Dora uit en verheugt zich alle tijd voor zichzelf te hebben. Niet omdat hij zonodig voetbal moet kijken of anderszins door Dora gehinderd zou worden. Integendeel. Het vertrek van Dora, die heel nuttige zaken gaat doen voor lichaam en geest, geeft hem de mogelijkheid om alleenheerser te zijn over het huishouden. Dorus heeft zeer recent de geneugten daarvan mogen ervaren.

Eenmaal terug in de huiskamer, overziet hij zijn territorium en constateert dat alle beeldschermen die aan kunnen staan ook daadwerkelijk in gebruik zijn. Zijn kinderen zijn immers thuis.
“Dus geen muziek.” constateert Dorus heel flexibel.
Geen nood voor Dorus, hij loopt naar de keuken. Al converserend met zijn jongste zoon begint hij met het koken. Om strikt pedagogische redenen is vooraf al besloten om geen patat te halen noch chinees. Ook een pizza staat niet op de menulijst.
Dorus wast fluitend de groente, schilt een paar aardappelen en laat het vlees ontdooien in de magnetron. Als alles op het vuur staat, realiseert Dorus dat hij nu even moet wachten totdat alles klaar is.
“Wachten is des duivels oor kussen, wat kan ik in de tussenliggende tijd nog meer doen?”
Hij kijkt in de keuken en beslist dat de kastjes en de stalen afzuigkap best eens schoon gemaakt kunnen worden. Mannen denken immers efficiënt. Wachten op iets dat je verder niet meer in de hand hebt is nutteloos.
“En dan zeggen ze dat mannen maar een ding tegelijk kunnen doen, mooi niet.”
“Wat zei je pap?” zegt zijn jongste zoon.
Dorus hoort het niet, dus komt zijn jongste zoon maar naar hem toe en herhaalt zijn vraag.
“Het ruikt trouwens lekker.”
Als Dorus kijkt wat verantwoordelijk is voor de weldadige geur, pakt hij verschrikt de pan en kan nog net de worstjes redden.
“Ik vind ze als ze zo donkerbruin zijn het allerlekkerst, pap.”
“Ik ook” zegt Dorus, “Je vader kan er wat van en ondertussen ook nog de boel schoon maken.”
Met een innemende glimlach drentelt zijn zoon weer naar zijn computer waar hij al dagen het spel “Age of empire” speelt. Oude tijdperken herleven daarbij hetgeen veel knotsgevechten, maar ook man tegen man gevechten uit het Romeinse Rijk opleveren. Dorus is er de hele dag al getuige van. Mannen van stavast die hun hele hebben en houden verdedigen.
En dit gedacht hebbende, slaat in een keer de twijfel slaat toe bij Dorus.

“Daar sta ik dan in de keuken, een beetje de ideale Opzij-man te spelen. Past misschien wel in deze tijd en op deze plek van de wereld, maar hoe zit dat eigenlijk evolutionair gezien.”
Dorus roert de gemixte wokgroente nog even door elkaar en giet de aardappels af.
“Ben ik eigenlijk wel evolutieproof.” vraagt Dorus zich af.
Plichtmatig maakt Dorus zijn klussen af, eerst het boenen van de keukenkastjes en vervolgens weet hij een voedzame maaltijd te serveren. De swung is er echter volledig uit. Grote denkrimpels tekenen het gelaat van hem.
“Aanpassingsvermogen is er voldoende bij mij, maar is dat het adaptievermogen dat de grote Charles Darwin in gedachte had? ”
Hij roept zijn jongens aan tafel.

Onder het eten kijkt hij zijn zonen liefdevol aan en bedenkt zich hoe hij zijn kroost moet verdedigen in deze roerige en chaotische tijden.
“Mijn verdiensten zijn een partnerschap met een redelijk evenredige verdeling van taken.”
Daar maak je geen indruk mee in een toenemende individualistische wereld waarbij het recht van de sterkste meer en meer van belang lijkt te zijn. De grote bek op straat kan zijn gang gaan, de grote bek op het werk is de ideale manager, de grote bek in de politiek krijgt een horde Neanderthalers met zich mee en de grote bek in de wereld is president van Amerika en ‘if you can’t beat them, join them’. In dat laatste heeft Dorus geen zin, maar hij baalt als een stier dat zijn stemming, ondanks een positieve start in de keuken, grondig verpest is.

Tegen beter weten in en ondanks de kans dat zijn activiteiten niet evolutieproof zijn, stort hij zich met overgave op de afwasmachine. Het schone bestek, borden en kopjes ruimt hij netjes in de kast op en vult de machine met de zojuist gebruikte spullen. Het aanrecht wordt keurig schoongemaakt.
“Dora kan tevreden zijn, wat moeten we verder nog doen?”
Dan bedenkt Dorus het brood voor de volgende dag nog gesmeerd moet worden en gaat aan de slag. Het ene broodtrommeltje is snel gevonden, maar de zoektocht naar de andere neemt enige tijd in beslag.
Zijn oudste zoon weet hem te melden dat de zijne nog op school ligt, dus verder zoeken naar een alternatief. Dan vindt hij ergens onder de jassen nog een tas met daarin een reeds verloren gewaande broodtrommel. Na opening van het groene trommeltje is het verbazingwekkend dat het trommeltje niet uit zichzelf naar de keuken is gemarcheerd, maar Dorus weet wat hem te doen staat.
“Typisch de jagende man, die slechts een spoor of een kleine aanwijzing nodig heeft om zijn prooi te pakken, misschien zit er nog wel iets van de ware evolutie in me en is de voorbeeldfunctie voor mijn nageslacht nog niet zo slecht”, fantaseert Dorus, al gaat het in dit geval maar om het vinden van een groen trommeltje met een al even groene substantie.

Bij het naar bed brengen wordt het denkproces van Dorus over aanpassen in culturele zin of in evolutionaire zin, even geluwd. Als ze allebei dan rustig in bed liggen vraagt hij zich af of het niet onnatuurlijk is voor een man om zorgzaam met zijn kinderen om te gaan.
“Hoeveel mannetjesdieren worden bij hun nageslacht weggehouden of door de moeder totaal niet geduld. Ze zouden hun kinderen anders maar opeten.”
Maar Dorus denkt op tijd aan de mannetjesmerel die naast een monogame levenshouding ook nog de verzorging van zijn kinderen ter hand neemt.
“Toch eens een keer uitzoeken hoe dat zit.”
Voor Dorus is dat een essentiële vraag om zijn houding te bepalen of en hoe hij het huishouden gaat aanpakken de komende periode. Enige kennis van de evolutietheorie is onontbeerlijk om zijn strategie naar Dora te bepalen. Hij moet immers het goede voorbeeld geven aan zijn kinderen die op hun beurt verantwoordelijk zijn voor het verspreiden van zijn genen.

Oba Oba in Brazilië

Even terug in de tijd en wel zo’n 27 jaar. We hebben het dan over 1981. Sprakeloos is dan nog wat minder Sprakeloos qua omvang, maar de foto die u hier ziet was wel een van mijn meest Sprakeloze momenten in mijn leven. En dat is ook nog op foto vastgelegd, Rio de Janeiro, Brazilië, in een heuse nachtclub, Oba Oba.

Een heel hoogaangeschreven club voor 18 jaar en ouder. Hoewel ik zelf slechts 15 was en mijn broertje zelfs nog geen 14, vormde dit geen beletsel. Gemiddeld een kop groter dan menig Braziliaan en met de gedegen kennis bij mijn oom van het geboden amusement, was het geheel verantwoord. En dat klopt, want hoewel de kleding schaars was en op sommige momenten het bovenstuk ook niet gedragen werd, was het vooral een show gebaseerd op de samba, carnaval en het aantrekken van toeristen die zich in de club met hun vrouw goed konden vertonen. Zoals de Moulin Rouge voor Parijs is, was dat toentertijd Oba Oba voor Rio. Of dit nu nog zo is durf ik niet te zeggen een rondje googelen leverde niet iets spectaculairs op.

Waarom deze foto? Onlangs heb ik met mijn toegenomen kennis van het bloggen een aantal muziekcolumns op het blog gezet. Een van deze columns had betrekking op Beth Carvalho en Mercedes Sosa  en daarmee zat ik weer in Brazilië 27 jaar terug, dus ik ben de foto’s maar eens ingedoken. En deze foto bracht mooie, verwarrende en ietwat schaamtevolle herinneringen naar boven. In de reis naar Brazilië hebben we een aantal binnenlandse reizen gemaakt, een ervan was uiteraard naar Rio de Janeiro en op de afsluitende avond hebben we de nachtclub Oba Oba bezocht. Een mooie ervaring, met veel ritmische muziek, swingende dansers en danseressen. Vooral deze laatsten mochten rekenen op mijn warme belangstelling, maar dan vooral vanaf mijn veilige plek in het publiek. In nabijheid van mijn familie genoot ik volop van de show en ook dus van de prachtige mulattinnen, met hun gave huid, vrouwelijke vormen, oneindig lange benen en kathedralen van billen. Een één woord prachtig gewoon.

Maar nadat het beste van de show bijna is weggeven, komt het publiek aan de beurt. Een geilaard uit Colombia betrad het podium en werd verplicht om mee te dansen, maar had in de spotlights heel veel oog voor de dame met wie hij publiekelijk moest dansen. Zijn ogen bleken vooral in zijn handen te zitten. Later volgde nog een Fransman die zich voor de volle honderd procent gaf aan het dwingende ritme van de samba. En twee mensen was klaarblijkelijk niet voldoende, ook Nederland moest vertegenwoordigd worden. Voor ik het wist, stond ik op het podium. Ik hoorde mijn broertje nog roepen ‘Niet doen’, maar ik weet zeker dat de jaloezie hem uit de oren spoot.

Maar goed, ik schijn gedanst te hebben en volgens mijn moeder niet onverdienstelijk. Maar goed, dat zeggen moeders altijd, ik zelf kan me er niets meer van herinneren. Zelfs was er geen tijd om me te generen, want zo een optreden past in het geheel niet bij me.

Na afloop werd ik hartelijk bedankt en moest toen nog even op de foto die na afloop voor waarschijnlijk heel veel geld gekocht kon worden. Vanaf dat moment komen mijn herinneringen weer terug. Ik weet nog dat ik een warme droge hand in mijn nek voelde en een andere hand op mijn buik drukte. Ik voel zelfs nu nog dat mijn hersenen bijna uit elkaar barsten met die ene vraag. Waar leg ik mijn rechterhand neer? Instinctief voelde ik dat het geheel gepast was om mijn hand op haar heup te leggen, op haar magnifieke billen was geen optie. Maar ik durfde niet en op dat moment wist ik al, daar krijg je spijt van. En dat klopt, niet zo zeer dat ik niet met mijn vingers aan deze mooie vrouw heb gezeten, maar dat knullige gevoel van niet te durven. Op de foto zie je me al schaapachtig lachen en een van de muzikanten achter me kijkt geërgerd of verbaasd. Zo vaak zal hij dat niet zien dat een van de toeristen zijn arm op ongeveer vijftig centimeter spastisch achter de mooie dame laat hangen.

Volledig Sprakeloos van de mooie show, verwarrend omdat ik een piepklein beetje deel uitmaakte van deze show, maar vooral ook een tikkie beschaamd omdat ik niet de macho was die ik had willen zijn. Op de foto is dat niet echt te zien, maar ik weet wel beter.

 

Muslamfundamentalisme

Ieder voorjaar wordt een lijst gepresenteerd van vergeten oorlogen, clashes tussen bevolkingsgroepen of regeringgeweld tegen de eigen bevolking. Veel landen uit Afrika en de voormalige Sovjet-Unie prijken op dat lijstje. De vergeten oorlogen hebben soms duizenden doden tot gevolg, maar ze zijn vergeten omdat ze niet interessant zijn voor ons en onze media. Zelf het genoemde lijstje krijgt nauwelijks aandacht.
Maar ook ‘onze mondiale strijdtonelen’ hebben niet onbeperkt de aandacht. We hoeven maar naar Irak, Afghanistan of Tsjetsjenië te kijken. De doden aldaar worden genoemd en verworden dan tot statistieken.

Op 15 november 2005, een gedenkwaardige dag, werd de onnatuurlijke dood van een musje nieuws van de dag in Nederland. Een musje bedreigde het monnikenwerk van vele tientallen en omdat het musje met redelijke argumenten niet te overreden was, moest het dood. Eén gericht schot: ‘Piaf’ en de dode mus zou niet meer zijn geweest dan een voetnoot bij een al dan niet geslaagde recordpoging met dominosteentjes.
Maar niet in Nederland dus!!!!

Het nieuws wordt groot uitgemeten, met verontwaardigde reacties van mussenliefhebbers en andere gestaalde beschermers van gevederde vrienden. De schutter wordt gedemoniseerd tot een soort Milosovic of Sadam Hussein en wordt, heel logisch, per mail met de dood bedreigd.

Ondertussen blijven doden vallen in Sudan, Zaïre, Irak, Columbia en Azerbeidzjan en waar al niet meer.
Nederland is knettergek en ziek. Al staat bij mij respect voor al het leven in een hoog aanzien, deze psychopatische acties van het muslamfundamentalisme maken mij ziedend. Door dit soort overspannen reacties zal ik nalaten om een volgende keer voor Greenpeace te storten, ook zal ik nimmer in overweging nemen om ooit nog eens het vegetarische levenspad te bewandelen.
Boze gedachten komen in mij op. Zou er mussenlever bestaan?

Ik eet vanavond met smaak een verre achternicht van het musje. Een heerlijk gebraden kippetje zal ik verorberen. Ik zal er geen spijt van hebben oftewel ‘ ‘Je ne regrette rien’ zoals Edith Piaf zou zingen.

 

Rosenmontag Spaziergang

Mistroostig kijkt de man naar buiten. Het aanbod aldaar is niet erg uitnodigend, toch zal hij zijn verplichte wandeling moeten maken voor het psychische en fysieke welzijn. Het is wat grijzig in een witte wereld en op het journaal hebben ze een temperatuur van onder nul beloofd.

Eenmaal buiten blijkt hij een van de weinige helden te zijn. De rest van de mensheid las absoluut geen uitnodiging in de winterse kou geschreven. Ondanks de desolate aanblik, was er veel lawaai. Om voor hem onbegrijpelijke reden maakten de vogels een hels kabaal.

‘Ik ben geen ornitholoog, ik spreek hun taal echter niet.’

Misschien verwittigen ze elkaar dat er een rare tweevoeter met dit weer naar buiten gaat, zonder veren nota bene. Misschien hebben ze wel gewoon honger na zoveel weken sneeuw. Mogelijk spelen de hormonen hen parten, maar worden ze nog gedwarsboomd door de weersomstandigheden en dat is natuurlijk heel frustrerend. Een ding is zeker, de Wielewaal roept hen nog niet.

‘Dus wat doe ik hier in die Siberische koude.’

Buiten de vogels is het bijna stil. Alleen een auto komt langzaam aanrijden, de gladde wegen noodzaakten de chauffeur tot voorzichtig rijgedrag. Als de man bijna genaderd is, stopt hij. Hij kijkt alsof hij best sneller wil rijden, maar de verplichtingen die zijn werk met zich meebrengen zijn belangrijker. Hij pakt uit de achterklap van zijn kleine bestelbusje een pakketje. De leesportefeuille, leesplezier dat je zelf kunt samenstellen lees hij op de auto. De bladenman heeft een uitstervend beroep en aan zijn gezicht te zien, heeft hij er ook nog weinig plezier in. En hij moet nog tien jaar zo te zien en als het even tegenzit, zullen de opvolgers van Vader Drees hem nog twee jaar langer laten lijden.

Als de man in zijn tijdschriften mobiel verder gaat het leesplezier te verspreiden, is het wel echt stil. Ook de vogels houden hun gemak als de rand van het dorp achter hem ligt. Tussen de weilanden en langs het spoor treft de man niemand meer. Voor het psychische en fysieke welzijn, zet hij de pas erin. Het helpt hem ook om een beetje warm te worden en al snel nadert hij het volgende kerkdorp. De hoofdstraat is bezaaid met serpentines en confetti. Hier en daar liggen platgetrapte snoepjes die niet door kinderen zijn opgeraapt. De carnavalsoptocht is de zondag ervoor langs geweest, maar van enige feestelijkheden nu, is amper iets waar te nemen.

‘Het is Rosenmontag’, herinnert de man zich, maar de tijd van kolderieke leut is voor hem al eeuwen geleden.

Trouwens de feestelijkheden op deze desolate maandagochtend lijken ook hier nog niet op gang te zijn gekomen. Uit een van de huizen komt wel de geur van worst en boerenkool via de luchtkoker. De ultieme voorbode dat later die dag mogelijk weer leven in de brouwerij zal zijn. Nu moet de kater eerst weggewerkt worden met koffie en een stevige stamppot. De man kijkt op zijn horloge en ziet dat het half twaalf is.

‘Inderdaad, over een uur of twee zal het aanzienlijk drukker zijn.

Hier en daar fietst een ‘vroege vogel’ in kleurrijke kleding, maar ook met een dikke jas tegen de kou. De gezichten staan niet erg ontspannen, chagrijnig zelfs. Mogelijk dat hutspot met klapstuk bij een van de verzamelpunten van de verschillende vriendenclubs daar verbetering in kan brengen. Het zijn namelijk hoofdzakelijk jonge mannen. Hun vriendinnen zullen ongetwijfeld eerder zijn opgestaan om de noodzakelijke voorbereidingen te treffen voor het eten. Ze hebben statistisch gezien ook minder kans op een enorme kater.

Midden in het dorp staat de enige horecagelegenheid met een feesttent op de parkeerplaats. Aan de buitenkant is het een gewoon café zoals er nog velen staan in de verschillende kerkdorpjes. De tafels zijn bedekt met dikke tafelkleedjes en hoogstwaarschijnlijk staan er ook nog gewoon asbakken. Nu is de entourage feestelijk gemaakt met ballonnen en slingers. Boven de ingang staat dat prins Cor heer en meester is. Zijn gevolg, de carnavalssteken zijn goed zichtbaar vanaf buiten, praat nog rustig na over de avond ervoor. Mogelijk dat ze bezig zijn met de festiviteiten van die middag. Zachtjes is uit de luidsprekers, die boven de foto van prins Cor hangen, muziek te horen. Heel langzaam wordt de stemming er voor die dag ingesleten.

‘Am Rosenmontag bin ich geboren,

Am Rosenmontag bei uns daheim.

Bis Aschermittwoch bin ich verloren,

Den Rosenmontagskinder müssen närrisch sein,

Den Rosenmontagskinder müssen närrisch sein.’

‘Er is hier nog niemand ‘närrisch’’, bedenkt de man terwijl hij het etablissement achter zich laat en verder wandelt, zijn psychische en fysieke welzijn tegemoet.

‘De vogels zijn niet ‘närrisch, de bladenman niet en ook de onderdanen van prins Cor nog lang niet. De enige joker ben ik zelf om met dit weer te wandelen.’

Hij schroeft zijn wandeltempo nog maar eens een beetje op. Toch begint hij onbewust te neuriën en loopt in de cadans van het liedje dat hij in zijn hoofd heeft.

‘Am Rosenmontag bin ich geboren,………..

De zon begint zowaar een gevecht aan te gaan met de grijze lucht als de man zijn rondje heeft gewandeld. Een beetje lente dan toch en een beetje herboren na zijn wandeling. Met het carnavalsfeest bij prins Cor zal het ook wel goed komen die middag en ook de vogels zullen binnenkort hun nesten bouwen. Of het met de bladenman goed zal komen, weet hij niet. Hij kan het alleen maar hopen.

Werkschuw tuig, twee hits uit de musical HAIR

Ik zal het maar eens ronduit en hardop zeggen. Ik heb een hartgrondige hekel aan de jaren zestig en zeventig, of in ieder geval het hippiedom, de flowerpower en het toen geldende politiek en maatschappelijke engagement. Natuurlijk waren er ook goede dingen zoals daar zijn Pipi Langkous, Q & Q, Kunt u mij de Weg naar Hamelen vertellen en wat te denken van de Stratemaker op zeeshow, maar dit terzijde.

De reden om een blogaccount bij de Volkskrant te starten was deze afschuw en mijn onkunde om te reageren op een column van de heer Vreken (volkskrant, link werkt mogelijk niet meer na 1 maart 2011). Het lukte mij niet om het juiste mailadres te vinden om hem te mailen. Wel vond ik deze blogmogelijkheid en zo is mijn eerste blog ontstaan. Mijn bloggeschiedenis is sindsdien gegroeid en mijn hekel aan de overheersing van toonaangevende linkse babyboomers is niet afgenomen. De aanmatigende toon van Marcel van Dam, Jan Pronk en Bram Peper doen mij braken. Ciska Dresselhuijs, Sonja Barend en Hedy D’Ancona, ik word er niet vrolijk van.

De herhalende mantra van hun jeugd blijft hoorbaar. En op zich is dat niet erg, net zo als de generatie ervoor hun spruitjeslucht en wederopbouw mag blijven uiten. Maar de intolerantie voor andere geluiden, jongere generaties en andere strijd- en werkmethodes om doelen te bereiken. Altijd dat eeuwige gezeur over zaligmakende idealen, terwijl ze in hun grachtenpanden of buitenverblijven hun link(s) bij elkaar gegraaide geld verorberen, onderwijl de seksuele revolutie verkondigen, hun linkse ideeën als geboden prediken en jongere generaties voor dom, lui en gemakzuchtig verslijten.

Tja, u begrijpt het. Ik heb het er niet zo mee. Ook in de minder hoge echelons is de betweterigheid nadrukkelijk aanwezig. In onderwijs, zorg en andere publieke sectoren zijn het vaak de mensen die de marktwerking propageren, terwijl ze zelf in hun vrije tijd met weemoed terug kijken op hun studententijd met vrije seks, bezettingen en papieren revoluties.

Love and Peace, laat me niet lachen. Bah.

Maar toch een van mijn favoriete stukjes film en muziek ziet u hieronder.

 

Tja, en als ik dat dan weer zie, dan past slechts mededogen, ook aan hen. Hoe kan ik mezelf weer zo laten gaan? Ik mag niet haten en ik mag geen hekel hebben. De film Hair heb ik misschien al wel 6 keer gezien en ik blijf het leuk vinden. Dit staat in schril contrast met hetgeen hierboven staat. Ik sta over deze tegenstrijdigheid in mezelf soms compleet versteld van mezelf. Sprakeloos als het ware.

 

God help me KNIELEN OP EEN BED VIOLEN/ Jan Siebelink

Het moest er maar eens van komen. Jan Siebelink staat al een aantal jaren in de kast, maar door mij nog ongelezen.

‘Een zwaar, maar prachtig boek’ is een veelgehoord oordeel. De zwaarheid betreft vooral de fundamentalistische geloofsbeleving, niet de intellectuele en filosofische inslag. Tenminste dat is mij verteld. Een gedegen kennis van de bijbel is slechts een pre, geen must. De kinderbijbel heb ik na mijn eerste Heilige Communie trouw gelezen en her en der heb ik nog wel eens een flard Bijbeltekst opgedaan. Het mag geen naam hebben, maar in ieder geval geen beletsel om toch maar aan mijn eerste Siebelink, ‘Knielen in een bed violen’ te beginnen.

Het vangt somber aan en tot mijn grote verbazing is Lathum, slechts tien kilometer van mijn huis, de startpositie van het boek Knielen in een bed violen. Korte hoofdstukjes beschrijven de jeugd van Hans Saviez. Een jongen met theatrale gaven, een ziekelijke moeder die vroeg sterft en een hardvochtige vader die de plaatselijke protestantse kerk niet bevindelijk genoeg vindt en zijn heil zoekt bij een varende Duitse prediker. De relatie tussen vader en zoon is ronduit slecht en de onverwachte slacht van zijn konijn die gold als troost voor de inmiddels puber Hans, drijft hem weg uit Lathum. Met zijn voorliefde voor de natuur trekt hij naar het Westland en zoekt zijn heil bij de kwekers in die contreien. In dezelfde staccato hoofdstukjes kan de lezer ervaren dat deze exercitie goed verloopt.

Echte vriendschappen sluit Hans niet, maar hij wordt gevolgd door de vadsige collega Josef, die hem in een beter christelijk vaarwater wil duwen. Zonder succes overigens. Hans blijft wel contact houden met een jeugdvriendinnetje, Margje uit Lathum, die voor de kost bij een rijk gezin in Velp werkt.

Tot zover leest het vrij vlot, de sfeer is gezet al ben ik nog niet diep onder de indruk. Niet meer dan een uitgebalanceerde streekroman waar een zware dominee op de achtergrond stevig aanwezig is. Mogelijk dat het genre te vinden is in bibliotheken van de ‘Bible Belt’, maar ik ken het niet.

Geheel volgens de verwachting van ‘de streekroman’ komen Hans en Margje bij elkaar en stichten een gezin, waarbij Hans de kost probeert te verdienen als zelfstandig kweker. De periode van trouwen, werken, het krijgen van het eerste kind en het opgroeien van hun zoon Ruben, neemt slechts enkele hoofdstukken in beslag. Mijn indruk is dat de relatie tussen Hans en Margje goed is, Hans is gek op zijn zoon en de zaak loopt niet zo goed in de benepenheid van het middenstandmilieu in Velp.

En in een keer komt Jozef weer in het leven van zijn oud-collega Hans. Tegen de zin van Hans wordt hij andermaal bestookt met zijn sektarische praatjes. Hans koopt obscure godsdienstige boekjes voor veel te veel geld. Hij verbergt zijn onbegrijpelijke belangstelling voor Jozef en zijn kompanen voor Margje, die ook geen weet mag hebben van de kosten voor de oude boekwerken.

In deze fase van het boek begin ik al een beetje af te haken. Ik kan de hoofdpersoon niet volgen. Aan de ene kant is dat niet vreemd omdat godsdienstwaanzin ver van me af staat. Maar aan de andere kant verzaakt hier de schrijver mij als lezer mee te nemen. Ik zie geen enkele reden voor Hans het zover te laten komen. De ontwikkeling in het gedachtegoed van Hans is niet logisch. Ik kan een genetische component bedenken omdat zijn vader ook min of meer godsdienstwaanzinnig was. Je kunt het zien als een vlucht uit de werkelijkheid omdat de zaken niet goed gaan. Niets van dit alles kan ik als lezer aangrijpen om mee te gaan in de idioterie van Hans. Bovendien is de afkeer van Hans voor Jozef en zijn zwarte mannenbroeders eerder een reden om te breken, dan om zich mee de afgrond in te laten zuigen.

Een vermeende onweersbui boven zijn eigen land, heeft hem het licht doen zien en hij gaat uiteindelijk in op de uitnodiging een sektarische bijeenkomst in de buurt van Ede bij te wonen. Noodgedwongen neemt hij zijn zoon Ruben mee. De bijeenkomst in Lunteren moet gezien worden als een initiatieritueel bij de christelijke sekte.

Ik ben op dan op bladzijde 200 beland en besluit niet verder te lezen. De belangrijkste reden is dat ik de hoofdpersoon totaal ongeloofwaardig blijf vinden. Zijn ontwikkeling is niet logisch. Of dit nu komt omdat het fragmentarisch is geschreven, door gebrek aan fantasie bij mij of een combinatie van beide. Ik weet het niet. In mijn beleving hoeft een hoofdpersoon niet sympathiek te zijn, maar het hele inlevingsgevoel komt bij mij niet op gang en dat ligt niet aan het feit dat hij een richting opgaat die de mijne niet is. Een godsdienstwaanzinnige, een psychiatrisch patiënt of een crimineel, het maakt niet uit hoe ver je van de belevingswereld van de hoofdpersoon staat, het is de opdracht van de schrijver om de lezer hierin mee te voeren.

Jan Siebelink is hierin wat mij betreft niet geslaagd. Integendeel. De eerste tweehonderd pagina’s hebben ervoor gezorgd dat ik niet snel aan een nieuwe Siebelink zal beginnen. Het enige positieve waarin Siebelink geslaagd is dat hij de stroperigheid van de diepdonkere geloofsbeleving goed beschrijft want je voelt dat het gezin dat op het randje van de zwartekousenkerk staat en nog dieper in het zwarte goddelijke gat wordt getrokken.

Maar Waarom?

Misschien kan iemand het me in het kort uitleggen en zal ik mijn antipathie tegen dit boek mogelijk overwinnen.

Dus Waarde Medebloggers, help me knielen op een bed violen.

Jan Siebelink

Knielen op een bed violen 

De Bezige Bij 2005

Wandelen rond de hoogmis/ St. Antonius Abt Parochie te LOO

Een nieuw begin, een nieuwe lente met een Paaswandeling rond de Hoogmis die naar Loo gaat. Het kleinste plaatsje van de gemeente Duiven. Ik durf niet te beweren dat ik er op mijn paasbest uitzag, maar ik heb in ieder geval mijn best gedaan. Met nieuwe scheermesjes en een heel nieuwerwetse gezichtscrème voor mannen heb ik toch een mijn steentje bijgedragen. Met hele kleine middelen kun je ook er vernieuwd uit zien leert de reclame, of in ieder geval minder oud.

Even overwoog ik nog te gaan wandelen, maar mijn inschatting is toch dat ik er een half uur over zou doen en ik wilde niet te laat komen in de Sint Antonius Abt parochie in Loo. Dus ik pakte de fiets en geheel voorbereid peddelde ik naar het paar kilometer verderop gelegen kerkdorpje. De materiële voorbereidingen waren natuurlijk het digitale fototoestelletje, pen en papier. Maar voor die tijd heb ik me natuurlijk ook even in de geschiedenis van Loo en het Paasfeest verdiept. En daaruit blijkt maar weer dat een eenvoudige zondagse wandeling rond de Hoogmis ook zijn kennisvruchten afwerpt.

Kerkingang is via het kerkhof te bereiken

 Tot in de 15e eeuw hoorde de kerk van Loo bij de kerk van Angeren, aan de overkant van het Pannerdensch Kanaal. Hier keek ik van op, maar door even in mijn geheugen te graven, heb ik zomaar het vermoeden dat de Elisabethsvloed van 1421 verantwoordelijk is voor een verandering van de loop van de toenmalige Rijn. Ik kan het fout hebben. Loo heette toen nog Angeroy en de kapel die toen nog aan de Betuwse zijde stond, is verder gegaan als zelfstandige kerk in de Liemers. De huidige kerk is uiteindelijk in de tweede helft van de negentiende eeuw gebouwd.

Maar ook ten aanzien van Pasen leer ik enige nieuwe feiten. Natuurlijk weet ik dat met Pasen de herrijzenis van Jezus van Nazareth wordt gevierd. Ook het Joodse Paasfeest (Pesach) roept bij mij een ‘o ja-erlebnis’, de bevrijding van de Joden uit Egypte onder leiding van Mozes. In beide gevallen het feest van de nieuwe lente, vruchtbaarheid en nieuwe hoop. En dat moesten de eerste Christenen natuurlijk inpassen in de bestaande Germaanse cultuur. De vruchtbaarheidsgodin heette immers Ostera en werd begeleid door een haas ten teken van vruchtbaarheid. In het Engels en Duits is woord voor Pasen nog te herleiden van deze godin. (Ostern en Easter)

Fiets wordt onder het wakend oog van de Loose Dorpsomroeper gestald

 

De paasdienst

 Ik verheugde me op mijn uurtje bezinning en hoopte zoals altijd weer enige zaken op te steken om de diepgang van dit blog te vergroten. Ruim op tijd zette ik mijn fiets onder het wakende oog van de dorpsomroeper van Loo. Ik moest even zoeken waar ik naar toe moest, maar via het kerkhof kwam ik bij de kerk. Er stonden al behoorlijk wat fietsen, dus de niet al te grote kerk zal redelijk gevuld zijn. Toen ik de deur opende en in het voorportaal naar de kerk stond, hoorde ik een stem schelmen door de dichte deur. Nu ben ik niet altijd snel van begrip, maar ik concludeerde meteen dat de dienst begonnen was. Raar, het is toch nog geen tien uur? Wat zal ik doen, naar binnen klossen of wachten? Eerst maar luisteren waar ze in de dienst waren. Zo kan ik meteen mijn liturgische kennis een beetje testen. Veel was er niet voor nodig, de afsluitende woorden werden gesproken en een ieder werd uitgenodigd voor een kopje koffie met wat lekkers.

Te laat dus. Uit pure armoede maakte ik een foto van het halletje en hoorde dat het ‘U zijt de Glorie’ werd ingezet. Goede oude tijden herleven, want als er een top 40 van kerkliedjes zou bestaan, dan maakte dit lied voor mij een goede kans om op nummer 1 te komen.

Tussenhal naar de kerk

Die mening werd niet gedeeld door een oudere man die tijdens het zingen de kerk uitkwam. Hij schrok zichtbaar van de fotograferende man, maar herstelde zich snel toen ik hem de meeste stupide vraag stelde die je maar kunt stellen op zo’n moment:

“Is de mis al begonnen?”

‘Ja, om negen uur al.”

“Goh, dan ben ik te laat, ik dacht pas om tien uur.”

De man glimlachte zonder enig leedvermaak en stelde vast:

“Dan hej in ieder geval oe best gedoan.”

‘Tja, ik heb mijn best gedaan, maar dat is niet voldoende.’

Ik drentelde wat rondom de kerk in afwachting tot de andere kerkgangers naar buiten komen. Ik wilde in ieder geval nog wat foto’s schieten binnen.

Terwijl de eerste kerkgangers naar buiten kwamen, probeerde ik mijn onnozele houding een beetje te verdoezelen door ook van buiten alvast wat foto’s te maken. Dit kwam me te staan op enig wantrouwen.

“Komen die fietsen op marktplaats.nl te staan?”

Ik diende de grappenmaker van repliek met de woorden:

‘Net uit de kerk en dan al zulke negatieve gedachten over de medemens die zo zijn best doet. Maar voor de goede orde, de foto’s komen wel op internet.’

Fiets niet te koop, wel op internet

Sint Antonius Abt parochie aan de binnenkant

Een illusie armer

 Binnen schoot ik de foto’s. Ik zag dat het misboekje voor 20 eurocent te koop is. Ik legde een muntje in het daarvoor bestemde mandje, in de hoop al lezend nog tot enige contemplatie te komen. Terwijl ik als een van de laatste wilde weglopen, zag ik dat een van de actieve kerkgangers bezig was met het uitblazen van de kaarsjes bij de Mariakapel. Maar dat kan toch niet, dacht ik verschrikt. Die kaarsjes waren net aangedaan door gelovigen of Maria-aanbidders die hun wensen en noden middels een kaarsje op die manier aan de Heiland hebben kenbaar gemaakt. Dan maar snel twee foto’s maken, als bewijsmateriaal. Terwijl het flitslicht door de kerk ging, bedacht ik me dat de man te goeder trouw handelde, waarschijnlijk in opdracht van de plaatselijke brandweercommandant. Zo blijkt maar dat de scheiding van Kerk en Staat nog niet altijd zo gemakkelijk is.

Maar ik bedenk me nu wel twee keer als ik in een ver buitenland tijdens de vakantie weer eens een kaarsje opsteek.

Overtuigend bewijsmateriaal

 De ontmoeting

Gewaarschuwd door de lichtflitsen, kwam de man naar me toe. We raakten aan de praat en hij liet vol trots het kruis boven het altaar zien. De vriendelijke en enthousiaste man, Wim Rosendahl, blijkt het kruis zelf gemaakt te hebben. Met splitpennen heeft hij het kruis vervaardigd. De bovenste ronding stelt de doornenkroon van Jezus voor, in het midden is het bloedend hart van Jezus te zien en in de onderste ronding is de Calvarieberg (ook wel Golgota genoemd) De tussenliggende kleurstellingen symboliseren alle andere geloven en daarmee de verbintenis naar alle mensen, zonder onderscheid. En dat is dan weer erg mooi. Een kleine replica is door hem ook nog in 120-voud gemaakt voor de vrijwilligers van de kerk.

Wim Rosendahl deed erg zijn best om het kruis voor mij als fotograaf zo mooi mogelijk in beeld te brengen door de lampen aan en uit te doen. Ook ik, als fotograaf, deed erg mijn best, maar vrees het resultaat. Ook hier gelden de profetische woorden van de man in het kerkhalletje:

“Dan hej in ieder geval oe best gedoan.”

Terwijl de kerk werd afgesloten liepen we naar buiten. En passant attendeerde Wim Rosendahl mij op de onlangs gerestaureerde Angelusklok, buiten op het dak van de pastorie. Dit blijkt een klokje te zijn dat in Loo twee keer per dag oproept tot gebed.

Best bruikbare foto, maar ik heb ‘mien best gedoan’

En ondanks het feit dat ik de dienst niet heb bijgewoond, kreeg ik mijn kopje koffie en een sneetje krentebrood. De paaswensen worden uitgewisseld. Ondertussen werd er nog even over de negatieve publiciteit van de katholieke kerk gesproken door de aanwezigen. Het waren andere tijden werd er geconstateerd, maar gelatenheid en onbegrip overheersten. De discussie kwam op gang toen de terugloop van het aantal kerkgangers ter tafel kwam. De houding van Rome is daar ongetwijfeld debet aan, denken de koffiedrinkende kerkgangers in de pastorie.

De wandeling terug

 De terugweg is altijd het moment om de opgedane indrukken in perspectief te zetten. Ik kijk naar de lucht of ik de fietstocht naar de paasbrunch bij mijn schoonouders droog ga houden. Ik krap me eens achter de oren en bemerk dat er een witte vettige substantie aan mijn vinger zit. Met een vies gezicht vraag ik me af wat dat nu is. In een keer herinner ik me de nieuwerwetse mannencrème die ik deze ochtend ten behoeve van de lente en het paasfeest heb opgedaan. Ik wist niet hoeveel ik moest gebruiken, maar ik vond de crème wel wat vettig.

Van een overpeinzing is in het geheel geen sprake meer. Ik zit de hele tijd te bedenken of ik in kerk en pastorie heb rondgelopen als gekke Eppie met een wit crème-oor.

Gedane zaken nemen geen keer en de Allesbestierende zal ook zeker houden van ‘Gekke Eppies met een wit crème-oor. Bovendien en dat is het allerbelangrijkste, ik heb in ieder geval ‘mien best gedoan’.

Paasbrunch in wording, ik was namelijk vroeger dan gepland

Andere wandelingen:

Hoe het begon; H. Remigius, Duiven; Andreasparochie, Groessen; Pauluskerk, Raalte; Abdij Sion, Diepenveen; Werenfriduskerk, Westervoort ; St. Antonius Abt Parochie, Loo; St. Stevenskerk, NijmegenMartinuskerk, Twello ; St. Mary -Star of the Sea Church, Hasting (GB); Ned. Herv. Kerk, Achlum; Kölnerdomkirche, Keulen; Stephanuskerk, Borne ; Vrij Katholieke Kerk ChristusPantocrator, Raalte, Stephanuskerk, Heel

Mijn eerste twitterpasjes, snoezig hè

Laten we vooral eerlijk zijn. Het is Jolande Sap die mij op Twitter heeft gekregen. Die eer komt haar, voor de rest was het louter frustraties als het gaat om Jolande Sap en GroenLinks. Verbijstering en ongeloof waren mijn deel. Eenmaal op Twitter was Sap snel gevonden alsmede het GroenLinks geweten Ineke van Gent. Mijn aanwezigheid heeft de geschiedenis niet kunnen keren. Maar de eerste pasjes zijn gezet, mijn tweet verwijzend naar een galspuwend stukje over GroenLinks. Snoezig hè.

 Twitteren en in het kielzog Facebook, of misschien wel andersom, zijn inmiddels verworden tot de wapens van een volwassen hedendaagse revolutie. Jongeren, ook buiten de Westerse wereld, hebben hun weg gevonden om starre dictators te breken. Soms is de loop van een geweer nog sterker (Iran), maar in Egypte hebben de sociale media een belangrijke rol gespeeld om Mubarak te breken. They walk like real Egyptians. Ook ik heb mijn steentje bijgedragen na bijvoorbeeld de teleurstellende toespraak van 10 februari 2011. Het kan zomaar zijn dat mijn bijdrage een functie heeft gehad?

En toch heb ik Twitteren en Facebook lang afgehouden. Zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Dat was al bij de mobiele telefoon. Ik lag al snel in een deuk om de pedanterigheid van mobielbezitters eind jaren negentig. Het publieke domein was verworden tot een grote huiskamer waarbij je gewild of ongewild getuige was van de meest genante gesprekken. Ik wilde helemaal niet bereikbaar zijn en eigenlijk wil ik dat nog steeds niet. Mijn naasten dachten daar wezenlijk anders over. In het begin was ik slechts voor hen bereikbaar, maar er is sprake van een glijdende schaal en ook anderen, zelfs zakelijke bellers, weten inmiddels mijn nummer. Ik neem me heilig voor het Twitteren echt alleen vanaf de computer te doen, want de maatschappij is al zo autistisch aan het worden. De druk om van alles te moeten weten en meteen weer uit te spugen naar de rest van de wereld is gekmakend. In de trein kijk ik wel naar buiten of naar anderen. Op vakantie lees ik een boek of bezoek een museum. Hoe zal ik over deze boude uitspraak terugkijken over tien jaar?

 

Goed, het eerste stapje is gezet. En dan is de wereld ineens best groot. Ik denk dat een dreumes zich zo ongeveer moet voelen bij de eerste pasjes. En al snel wil je dan verder. Wie wil je volgen en waarom? Zullen er mensen zijn die jou willen volgen? En als die verhouding erg scheef is, wat doet dat met je ego? Om met dat laatste te beginnen. Het zal me een worst wezen, hoewel? Eén van de doelen is ook om mijn blogs onder aandacht te brengen, nu de volkskrant in al haar wijsheid heeft besloten om de vkbloggemeenschap per 1 maart 2011 op te heffen. Nu is bloggen misschien wel voor oudere jongeren en dus hopeloos ouderwets, maar het was/is wel mijn ding. De veiligheid van een relatief zekere groep lezers is bevredigend geweest de afgelopen jaren. Via Twitter en Facebook probeert een ieder de gemaakte contacten bij het vkblog in leven te houden onder het mom ‘word je mijn vriendje, dan zal ik die van jou worden.’

Ik ben wel dapper genoeg om mijn spamvolgers eruit te wissen ondanks dat daarmee de verhouding wel wat triest is. Kan mij het ook schelen, ik observeer liever, dan geobserveerd te worden. Maar iedereen moet wel naar mijn stukjes komen. Het gemiddelde aantal hits per dag op het vkblog was 150 en daar kom ik nog lang niet aan.

Natuurlijk gaat mijn eerste belangstelling uit naar politici. Wat hebben ze te zeggen en genereren hun tweets nog stukjes voor me? Van de belangrijkste partijen heb ik een aantal twitteraars gevonden. Eigenlijk is dat best raar je zegt daarmee ‘ik vind je interessant om te volgen’. Dat doe je toch niet in het echte leven, tenminste ik niet. En dan zomaar, een wildvreemde aanspreken? Het idee en de brutaliteit. Maar het gebeurt. Zo was mijn verbazing over een stuk in De Gelderlander op de voorpagina erg groot. Nieuwe studies zouden uitwijzen dat scharrelkippen, weidekoeien en varkens in modderpoelen minder welzijn beleefden aan hun leven dan de meer geïndustrialiseerde soortgenoten. Dus meteen reageren middels een blogje en dat via Twitter en Facebook de wereld in geholpen. Blijkt er een groep twitterdieren te zijn die me meteen wisten te spotten. Ik werd al gevolgd door volgzwijn, twarken sprak mij aan en ook volgkonijn meldde zich. Na het stukje verdween volgzwijn echter uit mijn twitterleven, maar toen ik even in de twitterwereld mijn verbazing uitriep, hebben volgzwijn en ik blijkbaar een gedoogakkoord gesloten. Leuk hè. Nu ben ik geen voorstander van de partij van de dieren, integendeel. Volgzwijn gaf echter via een gerichte tweet onderricht aan mij.

Ik blijf echter denken als ik prioriteiten moet stellen, kies ik voor mensen en niet voor dieren. Waarom moet ik me druk maken over het psychisch welzijn van dieren, terwijl onze eigen jeugdzorg niet voldoet of mensen in vele landen op aarde eigenlijk geen humane bestaansmiddelen hebben? Misschien is de mens wel de veroorzaker, maar dan moet je ook beginnen bij de mens en niet gaan projecteren door dieren te vermenselijken.

Ik weet niet of ik bij de twitterdieren nu nog respons krijg of dat na lezing van dit stukje de hele ark van Noach achter me aankomt. We zullen zien.

 

Als ik aangesproken kan worden, misschien durf ik zelf ook wel eens de drempel te slechten. En ja hoor, terwijl Egypte hot news was op tv, facebook, twitter en o ja, zelfs in Egypte zelf, rolden de tweets over Mubarak en Egypte over mijn scherm. De wereld komt letterlijk je huis inrollen en je hebt bijna de indruk deelgenoot te zijn. Heel vervreemdend is dat vind ik. In al mijn spontaniteit reageerde ik op een tweet van Sharon Dijksma (PvdA). Ik heb geen antwoord gekregen, maar misschien doet ze er wat mee. Misschien ook niet.

 Zo moest ik gisteravond glimlachen om Ineke van Gent die moe, maar voldaan haar dag beschreef en opgetogen was met een ‘verse’ NRC die in de trein van Zwolle naar Groningen lag. Zo lief. Maar volgens mij heeft ze de krant niet gelezen, want ze twitterde er nog vrolijk op los.

Even overwoog ik Monique Samuel ook nog aan te spreken. Jeugdig, enthousiast en vooral heel geëmotioneerd was ze bij Pauw & Witteman en loste haar belofte in dat ze zou gaan buikdansen op tafel bij haar gastheren. Het leverde haar honderden nieuwe volgers op en dat zal nog wel even voortduren. Ook ik vond haar in de Twitterarena. Toch is het dan weer gênant om als veertiger haar persoonlijk een tweet te sturen. Ik denk dat haar mailbox vol zit met penopauzers, daar wil ik dan niet bijhoren.

Zo, dat waren mijn eerste pasjes in de wereld die Twitter heet. Ik heb niet jaren onder een grote steen geleefd, maar ik moet zeggen, het is wel een medium dat er voor zorgt dat de wereld anders belicht wordt. Je kunt hier zelf  invloed op uitoefenen. Je komt op terreinen die je anders niet zo snel zou betreden. Zo heeft een tweet bij André Rouvoet er voor gezorgd dat ik nu via de mail het Nederlands Dagblad ontvang. Niets mis mee en een zeer lezenswaardig stuk over de nieuwe media in relatie tot de ‘oude kranten en tijdschriften’ zal op korte termijn nog een blogje opleveren. De arrogantie van redacteuren en de onkunde om de nieuwe media, en daarmee de lezer, niet te kunnen integreren in hun werk, zal ze uiteindelijk de das omdoen. Het volkskrantblog is binnenkort niet meer, maar ik zal mijn best doen mijn pennenvruchten geïntegreerd de wereld in te krijgen, of in ieder geval mijn wereld. Hoe groot die gaat worden, weet ik nog niet. Twitter is in ieder geval een hulpmiddel. De eerste pasjes zijn gezet, nu nog goed leren lopen.