’t Piepke

Alsof hij nooit is weggeweest, staat hij op zijn plek tegen de kale muur van de supermarkt, midden in de pretentieloze nieuwbouwwijk. De verse sneeuw, die de ochtend gevallen is, wordt netjes weggeveegd, terwijl ’t Piepke het allemaal soeverein bekijkt. En wij weten dan inmiddels dat de lente in aantocht is wanneer ’t Piepke weer in de openbaarheid verschijnt, ook al is het nog koud en winters voor andere stervelingen.

’t Piepke is een prettige zekerheid geworden in het leven. ’t Piepke staat meestal vrij roerloos op een strategische plek, vaak op meerdere momenten van de dag aan zijn pijp te lurken. Het moet wel heel hard regenen, of zoals nu, langdurig koud zijn, willen we ’t Piepke uit het oog verliezen.

In de anonimiteit van de moderne woonwijk heeft ’t Piepke ongewild, ook door gebrek aan beter, de rol gekregen van een soort dorpsgek. Hij weet dit overigens niet. Bovendien gedraagt hij zich ook niet heel buitenissig, het is meer het leger der kleurlozen dat hem tot een markante verschijning maakt.

Jaren geleden was de man me al opgevallen. Iedere avond reed ik met de fiets of auto langs hem op. Een gedrongen man van tegen de tachtig met een manchester broek, een pet, een grote donkere hoornen bril en een wat boerse jas voor als het koud is. Hij heeft een dunnere variant voor de minder koude dagen en hij verschijnt in hemdsmouwen bij zomerse temperaturen. Maar altijd heeft hij zijn pijp in de mond en met zijn handen op de rug monstert hij de voorbijgangers.

Bij terugkomst van een familie-uitje zei ik eens dat ’t Piepke er ook weer was. Ik zwaaide naar hem. Hij reageerde met een korte hoofdknik, nauwelijks waarneembaar, maar mijn kinderen waren onder de indruk.

‘Pappa kent ook iedereen.’

Ik heb ze uiteraard in de waan gelaten, inmiddels weten ze ook wel beter, maar ’t Piepke is sindsdien een begrip geworden. Al zijn gangen worden in familieverband besproken. Als ’t Piepke van zijn plaats wandelt om een boodschap te doen, wordt zoiets genoteerd inclusief wat er in zijn boodschappenmandje zit. Als hij een praatje maakt met een voorbijganger dan valt het op. ’t Piepke is een man zonder lange dialogen. Zijn bijdrage beperkt zich veelal tot enige losse opmerkingen in het plaatselijke dialect. En hoewel ’t Piepke nooit onwelwillend is naar zijn medemens, is zijn favoriete houding toch met de handen op de rug de auto’s, fietsers en wandelaars schijnbaar emotieloos observeren.

Mijn jongste zoon heeft mogen ervaren dat ’t Piepke wel degelijk negatieve emoties de vrije loop kan laten gaan. Heel opgewonden kwam hij eens thuis om dat te melden:

‘ ’t Piepke is helemaal uit zijn dak gegaan!’

In geuren en kleuren vertelde hij dat ’t Piepke vloekend en druk gesticulerend naar een huis aan de overkant wees. Hij zou schuttingtaal hebben gebezigd die niet echt past bij het oude baasje. Bovendien, zo gaat het verhaal, stak hij zijn middelvinger op.

‘Echt waar’, zei mijn jongste zoon volhardend toen hij ons ongeloof waarnam.

Inmiddels weten we dat hij in het huis aan de overkant woont, met zijn echtgenote, die we nog nooit hebben gezien, maar gemakshalve noemen we haar mevrouw Pipperette. Ik kan me zo voorstellen dat ze hem de deur heeft uitgezet met de woorden:

‘Ga jij maar op de hoek staan met je pijp, ik moet de boel aan kant maken.’

Nu zal ’t Piepke zich hebben neergelegd dat hij de vitrage niet meer mag besmeuren met zijn pijpwalmen. Maar hij wil wel naar buiten slenteren wanneer hij dat wil en niet op aandringen van mevrouw Pipperette zelf. In Amsterdam sturen vrouwen hun gepensioneerde mannen tenminste nog naar Artis. Hij moet op de hoek staan, tegenover zijn eigen huis nota bene.

De keer erop had hij zich weer verzoend met zijn Aardse plek tegen de blinde muur van de supermarkt. Hij volgde de langs rijdende auto’s en legde zijn nek in een kramphouding en mompelde nauwelijks hoorbaar:

‘Lekker wijfie.’

Onwillekeurig keek ik naar de vrouw in kwestie en moest concluderen dat ik zijn smaak niet deelde. Er fietste een dikke, ietwat fletse dame aan de verkeerde kant van de vijftig langs. Ze bezat in mijn optiek geen greintje ‘joie de vivre’ meer, maar ze kon ’t Piepke blijkbaar wel bekoren. Misschien kende hij haar nog wel van veertig jaar terug en heeft hij zich toen, op de rand van zijn midlifecrisis, verlekkerd aan haar. Ongetwijfeld was ze toen nog fris en fruitig en had het leven haar nog wat te bieden. Wie zal het zeggen?

Geheel onverwacht sprak ’t Piepke mij vorig jaar aan op de hem bekende losse lodderachtige wijze. Op een woensdagochtend had ik alle boodschappen gedaan. Bij thuiskomst was ik het wasmiddel vergeten, want woensdag is het wasdag. In een uiterst slechte stemming kon ik onverrichter zaken terug. Met een fles vloeibare zeep in mijn hand, merkte ’t Piepke me op. Hij bewoog zijn pijp van de ene mondhoek naar de andere.

‘Zo, dan kan moeder de vrouw ook weer aan het werk!’

‘Gvd’, dacht ik jaloers, ‘Niets moeder de vrouw, deze sukkel zelf moet aan de slag, luie uitvreter.’

Ik zag het onredelijke van mijn gedachten en lachte als een boer met kiespijn naar ’t Piepke.

Hij staat er dus weer, met een dikke jas aan, zijn pet op zijn hoofd en de pijp heel vertrouwd onder aan zijn lip, kijkend naar de witte wereld om hem heen, in de nietszeggende nieuwbouwwijk. Alsof hij een boer is die zijn landerijen bekijkt en voelt dat de lente er aankomt. Misschien was het land voorheen wel van hem? Wie weet? Ik weet het in ieder geval niet, want we kennen elkaar niet echt in de nieuwbouwwijk.

De Hoge Hoed

hoedhoed
hoedhoedhoed
hoedhoedhoedhoed
hoedhoedhoedhoedhoed
hoedhoedhoedhoedhoed
hoedhoedhoedhoedhoed
hoedhoedhoedhoedhoedhoedhoedhoed

Na het zuur kwam het zoet

Maar Bos zegt met ernstig gemoed
De economie draait dan wel goed
Ik doe het anticyclisch zoals het moet
Niet alleen uitgeven die poet
Anders worden we later maar beboet

Daar gaat die hele Haagse stoet
Bepakt, bejurkt en vooral behoed
Luisterend naar de Majesteit, doet zij het goed
Objectief, goede dictie en onbewogen snoet
En valt de inhoud zoals Bos bevroedt
Bij menigeen niet goed

Het is Woutertje die er even toe doet
Hij trekt vandaag een lange snoet
Naar links en rechts, en begroet
Morgen wel, zoals hij vermoedt
De ongezouten kritiek, die coûte que coûte
Door SP, VVD en PVV vol dégoût
Gegeven wordt, jij doet het absoluut niet goed!
Maar Wouter denkt,
gooi het allemaal maar in mijn hoge hoed

One day in your life/ MICHEAL JACKSON

‘One day in your life’ van de kleine en nog onverbouwde, maar toch al hevig beschadigde Michael Jackson, kwam uit de luidspreker van de computer.
De mogelijkheid herbergde zich al enige tijd in mijn hightech installatie, maar sinds twee jaar is dat kwartje pas echt bij me gevallen. Het eerste nummer dat ik hoorde was dus het nummer van Michael Jackson. “One day in your life kom je er dan achter” mompelde ik toen vergenoegd.

Maar dit nummer is voor mij niet alleen een keerpunt in mijn multimediagebeuren, ook andersoortige herinneringen komen boven. Voor mij was dit het eerste schuifelnummer waar ik niet meer onderuit kon komen.
U hoort het al, het is geen hobby van me geworden, want het is ook ongeveer de laatste keer geweest in het openbaar. Maar dat wist ik toen, in de zomer van 1982, nog niet.
Een feestje, toen in mijn kringen steevast fuif genoemd, werd gegeven door een klasgenote, laten we haar voor het gemak Trudy noemen. Rond een uur of tien kwamen we met de vriendenkring aan. Het feest was nog niet echt op gang gekomen. Buiten bekenden van school, was ook een groep veel oudere jongens uitgenodigd. Jongens die al werkten en dus ver stonden van een scholier uit de vierde klas. Met de vriendengroep werd de koelkast snel gevonden en het was vast heel gezellig. Op de dansvloer werd gedanst op The Police, Madness en The Specials tot groot ongenoegen van de werkende jongens. Die waren blijkbaar niet gekomen voor een beetje expressief heen-en-weer gehuppel van een stelletje scholieren.
“Schuifelen, schuifelen” riepen ze naar de broer van de gastvrouw.
De broer bediende de platenspeler en op aanwijzing van zijn zus, veranderde hij van muziekstijl. En de werkende jongens wisten van wanten, want allen eisten ze een dame op en er werd geschuifeld. De gastvrouw stond ook innig tegen een potige jongen aangeplakt. Blijkbaar had ze een geheim leven voor haar klasgenoten, want de omstrengeling verried een meer dan vriendschappelijke band. Daar wisten wij als klasgenoten niets van.
Met de vriendenclub namen we nog maar eens een biertje en aanschouwden het spektakel met gemengde gevoelens.
De stoerste onder ons schreeuwde nog: “Madness, Madness.”
De broer kreeg echter geen nieuwe aanwijzingen en bleef hetzelfde genre draaien.

 

De gastvrouw was een goede gastvrouw en zorgde ervoor dat een aantal van ons er ook aan moest geloven. Zij zelf liep gedecideerd op me af en pakte mijn hand om met me te dansen, of wat daar voor door moest gaan.
Ze legde haar armen om mijn nek en instinctief voelde ik aan dat ik ook iets moest doen met mijn handen. Maar wat? Michael Jackson kwam al hard uit de luidsprekers zetten met zijn ‘One day in your life’.
De potige jongen zag mijn onhandigheid en riep:
“Handen op d’r kont.”
Blijkbaar weerhield een vermeende verkering hem er niet van om vreemden aan de billen van zijn vriendin te laten zitten. Later bleek dit een naïeve gedachte te zijn, want ze hadden geen verkering. Ik plantte mijn handen onwennig op haar rug en samen met haar bewoog ik in de tot disco uitgebouwde garage. Ik was nog aan het bedenken of ik het leuk moest vinden, toen mijn handen geheel onverwacht op ruwe wijze op de billen van de gastvrouw werden geduwd.
“Op haar achterste zei ik toch, of durf je niet” zei hij in het plaatselijke dialect uit het Oosten van het land. De potige jongen vond mijn manieren blijkbaar niet zo netjes, want hij siste er nog aan toe.
“Of vind je niet dat ze een lekker kontje heeft?”
Hij was zo ingenomen met zijn grap en liep naar zijn kameraden. Hij verwachte gelukkig geen antwoord op zijn vraag.

Inmiddels was het volgende schuifelplaatje al aan de gang dus het was onbeleefd om nu te stoppen dacht ik. Onhandig schuifelde ik verder op ‘How about us’ van Champaign.
“Ja how about us” dacht ik, terwijl de blonde krullen van Trudy tegen mijn kin kriebelden en ik haar bespijkerbroekte zachte achterste in mijn handen hield.
Gelukkig dat de gastvrouw niet de hele avond kan dansen en haar taak als gastvrouw heel serieus nam, dus de kwelling duurde niet meer dan twee nummers. Zij liep toen naar de koelkast om met hapjes rond te gaan en ik sloot me aan bij de vrienden die niet op de dansvloer waren gesommeerd.
“Hier, een biertje, daar zul je wel behoefte aan hebben?” zei een van hen meelevend.
“Ja, heel graag”, niet wetend of hij het uit jaloezie of leedvermaak aan me vroeg. We hebben het er ook nooit meer over gehad.
Schuifelen is door velen een hooggewaardeerd vermaak, net als Michael Jackson zelf trouwens, maar in beide heb ik nooit zo veel lol gehad.

Michael Jackson /One day in your life (1981)

One day in your life
you’ll remember a place
Someone’s touching your face
You’ll come back and you’ll look around you

One day in your life
You’ll remember the love you found here
You’ll remember me somehow
Though you don’t need me now
I will stay in your heart
And when things fall apart
You’ll remember one day…

One day in your life
When you find that you’re always waiting
For the love we used to share
Just call my name
And I’ll be there

(Oh-oh-oh-oh-oh…)

You’ll remember me somehow
Though you don’t need me now
I will stay in your heart
And when things fall apart
You’ll remember one day…

One day in your life
When you find that you’re always longing
for the love we used to share
Just call my name
And I’ll be there

(Ohh…)

Anti katten column/ 29-06-2008

Na drie kwart jaar bloggen is het me opgevallen dat de aandacht bij een aantal mensen voor hun huisdier en dan met name katten hevig uitgeleefd wordt. Nu, ik deel de liefde voor katten niet, integendeel.

Allereerst ben ik allergisch voor die beesten, dus het ultieme argument om mijn eega, wel kattenliefhebster, iedere vorm van discussie te ontnemen om een kat in huize Sprakeloos te nemen. Of beter gezegd, een kat de keus te geven voor een gezellig huisje. Ja, ja, want dat is ook zo’n jeukargument, dat mensen niet een kat kiezen, maar een kat een huis.

Maar de echte onenigheid tussen mij en katten, stamt van het eerste zandbakje dat ik als trotse en empathische vader heb laten metselen in de tuin. Niet snel daarna was het een openbaar toilet voor katten. Tegenwoordig, levend in een wijk met veel katten (en honden overigens) moet ik bij het tuinieren altijd rekening houden met kattenstront op de meest onverwachte plaatsen en zijn we genoodzaakt horren voor onze ramen te plaatsen want een van die brutale buurkatten heeft ontdekt dat je zo het raam in kunt klimmen. De echtelijke stonde is al twee keer misbruikt als rustplaats.

Mijn hekel gaat niet verder dan de katten de tuin uitjagen en mijn verbazing dat er wel hondenbelasting is (heel terecht), maar geen kattenbelasting. De titel boven dit blog is niet meer dan een lokkertje, want de echte kattenliefhebber zal zeker even kijken.

Voor mij is het een aanleiding om een van mijn eerste verhaaltjes te plaatsen. Een verhaaltje dat ik zo’n 6 jaar geleden, toen ik begon met kleine verhaaltjes, heb gemaakt. Over mijn lievelingsdieren.

Stokstaartjes 

Al heel vaak is de vraag gesteld, wie kijkt nu naar wie, bij een bezoek aan de dierentuin. Sommige dieren lijken helemaal geen belangstelling te hebben voor de mensen die hun verblijf bezoeken. Dit is bij vogels vaak duidelijk. Eenden gaan hun eigen weg, flamingo’s blijven staan waar ze staan en papagaaien met hun mooie felle kleuren hebben op grond van hun prachtige veren geen zin om te reageren. “Wij zijn mooi genoeg en dat is voldoende legitimatie om hier te zijn, doe er maar wat mee.” Zo’n houding stralen ze tenminste uit.

 
De leeuwen liggen meestal lui op de grond of lopen wat sloom heen en weer. Hun jachtinstinct lijkt uitgedoofd, maar af en toe lijkt het hun te spijten dat de afscherming naar de kijkende mensen een onneembare barrière is. Apen spreken natuurlijk al jaren tot de verbeelding, mede door het feit dat onze verre voorouders ontegenzeggelijk iets met hen van doen hebben. Wij projecteren het gedrag van de apen al snel op ons eigen gedrag en lijken ze goed te begrijpen. Andersom lijken apen ook heel veel belangstelling te hebben voor hun omgeving, met name de mensapen vermaken zich soms met de kijkende mensen. Op andere momenten storen ze zich zichtbaar aan hun “ontwikkelde” soortgenoten.
 

 Naast de apen mogen ook stokstaartjes zich in een grote schare fans verheugen. Ik durf niet eens te zeggen hoe de stokstaart zich verhoudt tot de mens als we de evolutie bekijken, maar ze hebben in ieder geval een schrander uiterlijk. Bovendien ogen het heel sociale diertjes die liever geen ruzie maken met hun buren.

Wat mij nu het meest intrigeert is waar ze hun blik op richten als ze zichzelf in evenwicht houden met hun staart en hun voorpootjes gekromd op hun borstkastje. Kijken ze alleen of ruiken ze vooral? En wat zien of ruiken ze? Ik weet het niet. Ik probeer mee te kijken, maar zie meestal niets bijzonders. Ja soms een wat buitenissig geklede dame met een rare hoed, maar zoiets trekt mijn aandacht, toch niet van de stokstaartjes? Nee, ze geven de indruk zaken waar te nemen die voor ons, menselijke stervelingen, altijd een geheim blijft. Het geeft de dieren iets mystieks zonder een hooghartige of verwaande uitstraling. Ik had al gezegd dat het ook sociale diertjes zijn, want als de een iets waarneemt dan houdt hij of zij het niet voor zich zelf. Met een of meer soortgenoten houden ze zaken in hun omgeving scherp in de gaten. Na een tiental seconden, soms korter en soms weer langer, verslapt de aandacht dan ook massaal. De stokstaartjes ontspannen zich, lopen op vier pootjes naar andere plekken in hun verblijf en herhalen dan weer hetzelfde ritueel.
In uitzonderlijke gevallen verdwijnen ze met zijn allen in de holletjes die de stokstaartjes ter beschikking staan. Volgens mij moeten ze dan vergaderen over hetgeen ze hebben meegemaakt. In alle rust delen ze elkaar mee wat ze gezien hebben. Zijn ze dan ongerust of verdrietig? Of lachen ze zich een ongeluk? De jongste van het stel wordt tijdens zo’n vergadering altijd nog even naar buiten gestuurd om te kijken of “het” er nog wel is. Hij neemt de mystieke tuurhouding even aan en verdwijnt dan weer naar de vergadering. “Het is er nog|” zal hij tegen zijn vriendjes zeggen. Maar wat, het blijft me intrigeren. Heel soms vraag ik me af of ikzelf niet het slachtoffer ben van hun observatiedrift. Maar dat idee zet ik gauw van me af want ik draag geen buitenissige jurken of rare hoedjes.

Wandelen rond de hoogmis. Werenfriduskerk te WESTERVOORT

De ‘wandeling’ naar de kerk

Met mijn neus tegen het raam gedrukt, kijk ik vanuit de keuken naar buiten, terwijl de koffie pruttelt. De weersvoorspellingen beloofden niet veel goeds, dus ik had me verzoend met de gedachte per auto naar de Werenfriduskerk in Westervoort te gaan. Echter er verschijnt een waterig zonnetje, dus die vijf kilometer fietsen mag geen probleem zijn. ‘Maar mijn fiets moet naar de fietsenmaker’, zegt het duiveltje in me.

Ik weet dat de stationsfiets me, met iets meer moeite weliswaar, ook wel in Westervoort brengt.

‘Ik ben al wat aan de late kant, bovendien heb ik een uur minder kunnen slapen vanwege het vooruit zetten van de klok.’ Weer dat duiveltje in mijn oor.

Voordat je goed en wel in de auto zit, ben je al halverwege Westervoort. Onzin dus. Bij het prepareren van mijn spullen ontdek ik dat de batterijen van het fototoestel op zijn. Gelukkig, nu moet ik wel met de auto om even langs het benzinestation te rijden.

‘Gered’ door de gong. Mijn gemakzucht wint het van mijn schuldgevoel. Vorige week maakte ik nog spijtig melding van het feit dat ik die week daarvoor een boete van €52, –  heb gekregen voor te hard rijden. Afgelopen week kwam daar een tweede boete bij. Ruim het dubbele bedrag nota bene voor diezelfde rit. Binnen een kwartier meer geld weggebracht aan verkeersovertredingen dan daarvoor. Ik voel me schuldig en wil de auto eigenlijk wegdoen. Ik ben de auto niet meer waard.

Parallel aan de woorden voorafgaand aan de communie ( Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt maar spreek slecht één woord en ik zal gezond worden) bedenk ik me het volgende: Heilige Auto, ik ben niet waardig om met U te gaan, maar geef me slechts één teken en ik zal U wederom vereren.

Het teken kwam, via de lege batterijen. Terwijl de klokken luidden, zette ik mijn Heilige koe enkele honderden meters van de kerk om ook vandaag het wandelende gevoel op te bouwen op weg naar de Werenfriduskerk.

 

De Volvo 850 met gezegende cruisecontrol

De Werenfriduskerk

Meerdere keren per week kom ik langs de kerk in Westervoort, maar pas bij het wandelen rond de hoogmis word ik me bewust van de naam, Werenfridus. Het kan mijn eigen domheid zijn, mijn gebrek aan onderwijs of onoplettendheid in het algemeen, maar ik had nog nooit van de beste man gehoord. Seksistisch als ik ben, ga ik er vanuit dat het een man is. Vooraf heb ik me dus snel ingelezen in Werenfridus of ook wel Werenfried van Elst genoemd.

Werenfried is geboren in Duitsland, doet zijn priesteropleiding in Ierland bij de orde van de Benedictijnen en sterft in 760 in Westervoort. Hij is dus een tijd- en Ordegenoot van Bonifatius, die ik dan weer wel ken. Misschien waren het wel maatjes van elkaar? Al zoekende kom ik er bovendien achter dat er toen, bij het evangeliseren van de Germanen, Franken en Friezen, al sprake was van een kerkelijke stammenstrijd. Het Christendom vanuit Ierland schijnt toch anders te zijn geweest dan de wijze van evangeliseren vanuit Rome. Nu schijnt Bonifatius ondanks zijn herkomst van de Britse eilanden, toch de Roomse manier van evangeliseren te hebben voorgestaan. Waarschijnlijk uit machtsoverwegingen die in dit kader te ver gaan om uit te leggen. Maar Rooms of Iers katholicisme, evangeliseren van de Wilden in de Lage Landen was geen sinecure. Bonifatius heeft het bij de Friezen zelfs met de dood moeten bekopen. (754 na Christus)Voor zover ik weet is Werenfridus een natuurlijke dood gestorven, maar ook hij zal toch de nodige weerstand hebben ervaren en ruimschoots rekening hebben gehouden met de heidense gebruiken, ook bij de voorouders van de huidige Westervoorters.

Dit lezende ben ik over twee zaken erg verbaasd. Wat een reislust hadden de mensen toen al. Bovendien verwonder ik me iedere keer weer over kleine wetenswaardigheden van dorpen en kerkgemeenschappen en dat hun geschiedenis al zo ver terug gaat. Dat verwacht je helemaal niet van een slaapdorp onder de rook van Arnhem. U kent Westervoort misschien niet, ze hebben landelijke ‘faam’ gekregen door al twee keer als slechtste gemeente uit de bus te komen volgens Elseviers Magezine.

Ik weet niet of het terecht is, maar ze hebben in ieder geval wel de Werenfriduskerk en dat is een kerk met een roerige geschiedenis die al dateert van de 12e eeuw en ook tijdens de Tweede Wereldoorlog bij het terugtrekken van de Duitsers niet ongeschonden uit de strijd is gebleven. Op Palmzondag ‘wandel’ ik dus rond de hoogmis van de Werenfriduskerk.

 

De Werenfriduskerk te Westervoort aan de Dorpsstraat

Palmzondagviering

Bij binnenkomst van de kerk, viel een enkele palmpasenstok op. Ik vond het er niet veel, terwijl het toch relatief druk was en ook meer dan gemiddeld jongeren van onder de vijftig aanwezig waren. De viering zou worden geleid door pastor Sevenhoven. Een gelegenheidskoor van kinderen en volwassen was eveneens aanwezig. Ze stonden achter het altaar samen met twee gitaristen en een fluitist(e). De laatste heb ik alleen gehoord, niet gezien.

Aan de andere kant van het kerkpad zitten twee oudere dames geanimeerd met elkaar te praten, niet beseffend dat de akoestiek van de kerk vrij ver draagt. Ze hebben het over de teloorgang van de personele bezetting in de kerk, maar ook andere praatjes die meer bij een theekransje horen, waren luidt en duidelijk te verstaan. Het valt me andermaal op dat van een serene stilte voorafgaand aan de viering, hooguit onderbroken door hinderlijk gekuch, geen sprake meer is. Om te zeggen dat er een kroegsfeer is, gaat te ver, maar zonder schaamte babbelen mensen met elkaar in afwachting van de ‘voorstelling’ die gaat komen.

Om tien uur precies komt vanuit de hoofdingang een tweetal dames met zo’n vijftien kinderen. Uiteraard zijn ze voorzien van fleurige palmpasenstokken. Ik dacht ook al, is er al weer een traditie in onbruik geraakt. Ik was te snel met mijn conclusies. Achter de kinderstoet loopt de pastor. Een van de oude dames groet hem omstandig, hetgeen mij als ietwat overdreven overkomt. Maar goed wie ben ik in deze. De aanvang van de mis zorgt er wel voor dat de aandacht van de twee dames verlegd wordt naar het gebeuren rondom het altaar in plaats van zich met elkaar bezig te houden.

Met palmpasen wordt herdacht dat Jezus van Nazareth als een koning wordt binnengehaald in Jeruzalem. De hoop en verwachtingen waren hoog gespannen in het toenmalige Jeruzalem. Het zinderde in de lucht. De nieuwe koning zou mogelijk de machthebbers inclusief de Romeinen verjagen. Met palmtakken werd Jezus binnengehaald en bejubeld. De bevrijding die Jezus in gedachte had, was toch van een hele andere aard.

De palmstokken worden na afloop van de dienst opgehaald

De kinderen met hun palmpasentakken werden betrokken bij de viering. Zij deden hun ronde door de kerk met de pastor ter verering van de Koning en het koor zingt van Hosanna. Palmstokken werden gezegend en alle kerkgangers kregen hun gezegende ‘palmtakbuxes’. En wat te doen met deze palmtak? Dat was het onderwerp van de preek. Voor de handliggende suggesties werden gedaan zoals het bij een foto van een overleden geliefde leggen, of op diens graf. Ook zou de tak de bescherming van je huis kunnen dienen. De palmtak symboliseert de hoop, een nieuw begin, misschien wel de lente. Ik heb zomaar een vermoeden dat Werenfridus en zijn maatje Bonifatius hier ook consessies moesten doen aan de heidense gebruiken, ook in het rivierenlandschap van Westervoort. Zelf kom ik op een lumineus idee om zijn palmtakje een goede plek te geven.

De pastor gaat verder, want losse palmtakjes zullen verwelken als ze van de bron worden afgerukt. Hierin zit natuurlijk de kern van het verhaal, dat het los geraken van de bron, het gevaar van verwelking met zich meebrengt en dat moet ten alle tijden voorkomen worden.

De beide dames naast me blijven op momenten dat de pastor even druk is met de kinderen, elkaar met allerhande wetenswaardigheden bestoken. Het komt wel oneerbiedig over, maar dan wel gezellige oneerbiedigheid. Bij het elkaar vrede wensen en handen schudden is de luidruchtigste van de twee dan ook niet te beroerd om uit de kerkbank te stappen en alle haar omringende mensen vrede te wensen. Ook mij geeft ze de hand en kijkt me monsterend aan.

Als halverwege een vrouw met een meisje binnenkomt, gooit ze haar oude nek in een verrekking, zeker als het tweetal met de palmpasenstok naar het altaar loopt. Pas daarna nemen ze plaats in de kerkbanken. Het gezicht van de vrouw in combinatie met de witte handschoenen van het meisje geven mij de zekerheid dat het om Polen gaat. Naast mij hoor ik iets miespelen van ‘zomertijd’. Dat is ook mijn gedachte. Even later komt nog een vrouw binnen. Ook zij ziet er niet uit alsof zij afkomstig is van voorouders die Werenfridus nog hebben gekend. Mijn inschatting is dat ze uit de voormalige Sowjet-Unie komt. Vanaf haar commentaarpositie legt de oude dame nu heel omstandig uit dat de klok een uur vooruit is gegaan. De nieuwkomer kijkt alsof ze het niet begrijpt.

‘Maar je kunt nog wel ter communie’ zegt de kerkelijke Mart Smeets als troost.

Westervoort zou het oudste dorp van de Liemers zijn. In 726 na Chr. komt de naam voor het eerst voor. Dit is ook de tijd dat Werenfridus zijn evangeliserende werken deed in de omgeving. Het kunstwerk (van Dick van Duivenvoorde) dat het 1250 bestaan van Westervoort symboliseert. De man, vrouw en het kind staan uiteraard voor de bevolking in de plaats. De handen in elkaar symboliseren de “W” van Westervoort. Voorts moet het monument ook de grilligheid van het rivierenlandschap weergeven.

Overpeinzing

 Vanaf het moment dat ik weet wie Werenfridus is, loop ik met de gedachte wat deze mensen moet hebben bewogen om te evangeliseren. Buiten het feit dat het in die dagen een buitengewone gevaarlijke klus was, vraag ik me af wat de achterliggende ratio is geweest. Uitgaande van goede bedoelingen bij het verkondigen van de blijde boodschap  – letterlijke vertaling vanuit het Griekse woord euvangelia – ben ik er zeker van dat het niet louter en alleen uit menslievendheid is gedaan en zeker niet altijd met vrede gepaard is gegaan.

Wat overweegt mensen om anderen te overtuigen van een boodschap of deze nu kerkelijk is of politiek? Wat doen mensen niet goed zodat zij bij anderen het gevoel oproepen dat er iets gedaan moet worden om te verbeteren, het brengen van een blijde boodschap. Wat deden de primitieve Westervoorters toen niet goed volgens Werenfridus. En wat doen christenen nu niet goed volgens sommige moslims en andersom natuurlijk? Raar toch dat evangeliseren, maar wel goed dat je kennis kunt nemen van allerlei boodschappen, bijvoorbeeld deze week in de Werenfriduskerk.

De wandeling terug

Voordat ik wegrijd, hang ik het palmtakje aan het achteruitkijkspiegeltje in de auto. Terwijl ik het dorp Westervoort bijna verlaat, kijk ik tevreden naar het stukje lente in de auto. Nieuwe hoop en hulp bij beter rijgedrag. Echter door deze onoplettendheid gaat de snelheidsmeter al naar de 55 km en dan juist op een stukje dat bekend staat om de strikte controles. De verantwoordelijkheid mag ik dus niet aan het takje ophangen, maar moet ik bij mezelf houden.

 

Andere wandelingen:

Hoe het begon; H. Remigius, Duiven; Andreasparochie, Groessen; Pauluskerk, Raalte; Abdij Sion, Diepenveen; Werenfriduskerk, Westervoort ; St. Antonius Abt Parochie, Loo; St. Stevenskerk, NijmegenMartinuskerk, Twello ; St. Mary -Star of the Sea Church, Hasting (GB); Ned. Herv. Kerk, Achlum; Kölnerdomkirche, Keulen; Stephanuskerk, Borne ; Vrij Katholieke Kerk ChristusPantocrator, Raalte, Stephanuskerk, Heel

 

DE OVERGAVE/ Arthur Japin

Deze zomer was ik, net als velen met mij ‘slachtoffer’ van de marketingafdeling van Uitgeverij De Arbeiderspers. Preciezer gezegd, mijn partner kwam thuis met het boek ‘De Overgave’ van Arthur Japin en daarmee was het ons boek.

Het woord slachtoffer is mogelijk een denigrerende opmerking, want tot mijn schaamte kende ik Arthur Japin niet. Ik had nog nooit iets van de man gelezen, sterker nog ik, kende zijn naam niet eens. Misschien schandalig, maar soms zijn Gods wegen ondoorgrondelijk en Hij had bepaald dat Sprakeloos en Japin elkaar nog niet hadden getroffen. Uiteraard is mijn treffen met Japin meer voor de hand liggend dan andersom, maar dit terzijde.
Deze zomer kon geen enkel persoon die een boekwinkel binnenkwam of een catalogus inkeek om Arthur Japin heen. En dat is heel handig, want ik behoorde blijkbaar niet tot de doelgroep die zou zeggen:
‘Hup, naar de winkel, de nieuwe Japin is uit.’
Dus met een heuse Japin in ons bezit, hebben de marketing managers groot gelijk gekregen.

En in één keer had iedereen het over ‘De Overgave’ en Japin was kind aan huis in Hilversum om over zijn werk te praten. Bovendien, mijn vrouw was laaiend enthousiast, dus vol goede moed begon ik in augustus 2008 met het meesterwerk.
Degene die dit blog een beetje volgt, heeft kunnen zien dat ik me niet echt heb kunnen overgeven. Sterker nog, ik heb het opgegeven bij pagina 268. De laatste honderd bladzijdes lukten me niet meer.

Mijn uitdaging is te achterhalen waarom? “Iedereen”heeft het gelezen, iedereen is lyrisch en ‘De Overgave’ is door vaklieden en publiek ruim geprezen en dus van prijzen voorzien. Waarom kan ik niet gezellig meedoen? Ik kan de vinger er niet echt achter krijgen. Te rauw? Te plastisch? Te traag? Dit kunnen nog wel eens oorzaken zijn dat ik afhaak. Maar daar kan ik dit boek niet op betrappen.
Ook taalgebruik of zinsopbouw kan ik intellectueel behappen, al had ik zelden dat ik onder de indruk was. Het verhaal en de historische achtergrond zijn ook geen reden om het lezen te staken. Onwillekeurig moest ik denken aan mijn middelbare schooltijd en het begrip ‘New Frontier’. In dit boek proefde ik eindelijk dit begrip inclusief een weinig romantisch beeld van de avonturiers. Bovendien waren de Indianen nu eens niet alleen willoze slachtoffers of Wilden. Allemaal ingrediënten die pleiten voor dit boek.

Al terugdenkend vermoed ik dat Granny, de hoofdpersoon en held in dit boek mij te nadrukkelijk aanwezig was. Het vertelperspectief lag te veel bij haar ook als het gaat om relatief kleine onbeduidende details. Hiermee kreeg ik onwillekeurig en mogelijk ten onrechte de indruk dat er te nadrukkelijk naar een plot toe gewerkt moest worden. De uitkomst is mij uiteraard onbekend, want nog honderd bladzijden niet gelezen.

Het is maar een indruk, maar er is nog iets waardoor het leesgenot stagneerde, namelijk het optreden van de auteur zelf. Zoals gezegd, ik kende de beste man niet, maar nu zag of hoorde  ik hem menigmaal en ik stoorde mij aan ogenschijnlijk kleine dingen. Zijn accent irriteerde me mateloos. Hoe konden zijn geschreven woorden geloofwaardig zijn in ‘De Overgave’ terwijl ik hem als schrijver arrogant inschat?

Ik ben mogelijk heel kleinzielig, maar ik heb dat met meer schrijvers en niet de minste namelijk Harry Mulisch en Arnon Grunberg. Ik heb een enorme aversie hun boeken te lezen omdat de schrijver bij mij dan op de voorgrond komt en niet het verhaal. Dit brengt een incongruentie met zich mee die ik helaas niet kan overbruggen. Het is mijn gebrek, maar ik kan leven met een onvoltooide ‘Overgave’.

De overgave

Arthur Japin

Uitgeverij De Arbeiderspers

Amsterdam-Antwerpen

1e druk 2007 

 

 

 

39, het voorgeborchte van de midlife crisis

In mijn jeugdige overmoed schreef ik bijna drie jaar geleden het onderstaande stuk met bovenstaande titel. Volgens mij is dit stuk na bijna drie jaar aan revisie toe. Ik heb nog een maand om hieraan te werken.

Ieder weldenkend mens heeft in meer of mindere mate momenten in het leven dat er sprake is van overpeinzingen, bespiegelingen of reflecties. De ene mens wat meer dan de ander, hetgeen ook meteen leidt tot grote verschillen in de gemoedstoestand. Ik wil daarbij de non-denkers niet meteen bestempelen tot leeghoofden of psychopaten, maar in mijn overpeinzingen komt dat wel eens bij me op.

Nu zijn er ontwikkelingsfasen in het leven van de mens waarbij allen, zonder uitzondering, in ieder geval de mogelijkheid wordt geboden om eens bij jezelf stil te staan. Vaak ligt de ontregeling van de hormoonhuishouding, voor zowel hem als haar, hier aan ten grondslag. De puberteit en de meno/penopauze zijn hiervan de meest voor de hand liggende voorbeelden. Niet dat een ieder gebruik maakt van de kansen die het menselijk lichaam hen biedt om wijzer uit die hormonenstrijd te komen, maar ik gaf al aan dat de verscheidenheid tussen de mensen onderling groot is en dat is prettig voor observatoren met schrijversambities.
Naast de hormoonhuishouding is er binnen de ontwikkelingspsychologie een aantal indelingen gemaakt van ontwikkelingsstadia die een normaal mens zou moeten doorlopen. Nu wil ik in dit kader niet de discussie aangaan wat normaal is, want als amateur-observator kan ik daar geen zinnig antwoord op geven.

Het is de wetenschap eigen om via modellen, classificaties of enigszins kunstmatige indelingen de werkelijkheid in beeld te brengen, zo ook het ontwikkelingsmodel van Erik Erikson (1902-1994). Erikson geeft het leven van de mens weer in een aantal fases te weten de orale fase, anale fase, schooljaren, adolescentie en de verschillende fases in de volwassenheid.
In een grove simplificatie van de theorie van Erikson stel ik dat zich in iedere levensfase een levensles herbergt. De levenslessen zijn zeer uiteenlopend, maar het goed doorlopen van de fase gaat samen met het op een bevredigende manier beantwoorden van de levensvragen in een specifieke fase. Een positieve afsluiting van de ene levensfase herbergt garanties voor een sterker ego in de volgende levensfase.
Een psycholoog zou kromme tenen krijgen van bovenstaande uitleg en een psycholoog met wetenschappelijk aspiraties kan mogelijk met de simplificatie überhaupt niet leven.
Schrijver dezes is echter geen psycholoog en kan zich heel goed vinden in de indeling van de ontwikkelingspsycholoog Erikson.
Ik mis echter een belangrijk aspect in de indeling van Erikson die ook bij zijn collega’s niet is terug te vinden en dat is de zogenaamde kruispuntfase. Een korte uitleg is hier wel op zijn plaats dunkt me.

De levensverwachting van Nederlandse mannen anno nu is ongeveer 76 jaar. Het is niet onmogelijk dat dit nog een klein beetje gaat toenemen de komende decennia, dus laten we uitgaan van 78 jaar voor de gemiddelde Nederlandse man en alles wat meer is, is een cadeautje van de Allesbestierende.
In het huidige tijdsbestek heeft de Nederlandse man op zijn negenendertigste verjaardag zijn kruispuntdag, want de kruispuntfase is slechts een dag. Ook hier is nadere uitleg op zijn plaats, al zal de intelligente lezer het al wel begrijpen. Op zijn negenendertigste verjaardag is de Nederlandse man statistisch precies op de helft van zijn leven. Je zou ook kunnen zeggen op zijn hoogtepunt, maar dat klinkt niet waardevrij en om mijn toevoeging aan de theorie van Erikson toch enig wetenschappelijk cachet te geven, kies ik voor kruispuntfase, slechts een dag dus.

Ik begon mijn betoog over peinzers en losbollen, over mensen met zelfreflectie en domkoppen en het moge dus duidelijk zijn dat iedereen deze fase anders beleeft. Nederlandse vrouwen krijgen in de regel iets later te maken met de kruispuntfase dan mannen, maar ieder weldenkend mens ervaart zijn 39e verjaardag dus heel intens, niet voor de buitenwereld, maar voor zichzelf.

Negenendertig jaar is voor mij het beste te kwalificeren als het voorgeborchte van de midlifecrisis. Je bent nog te dicht bij je eigen jeugd en de jeugd in je directe omgeving, om al bezig te kunnen zijn met het opmaken van een balans van je leven. Maar aan de andere kant is iemand van 21 jaar vele lichtjaren verder verwijderd dan een 55-plusser die de midlifecrisis heeft doorlopen. 39 jaar, eigenlijk te groot voor het servet en nog te klein voor het tafellaken, zo kun je dat eigenlijk het beste omschrijven. Het voelt dus aan als het voorgeborchte van de midlifecrisis maar hoe beschrijf je dat?

Voor mij is dat het beste te omschrijven als je een leeftijdgenoot van de andere sexe observeert, want bij vrouwen is de strijd tussen de jeugdigheid, ijdelheid aan de ene kant en tevredenheid en doorleefdheid aan de andere kant, veel beter voor de buitenstaander waar te nemen. De buitenkant van een 39-jarige vrouw is vaak een spiegel van de innerlijke strijd die rondom de kruispuntfase gestreden moet worden. Bij mannen is dit veel minder zichtbaar, maar daarom is de strijd niet minder heftig.
Een vrouw van negenendertig ziet er in de regel niet meer zo jeugdig uit als een twintigjarige, of de cosmetische industrie, of erger nog, de plastische maffia heeft zijn werk goed gedaan. Toch kan de uitstraling van een 39e jarige vrouw ongelooflijk jeugdig zijn. Een negenendertig jarige vrouw met plezier in het leven, weldenkend en doorleefd, is misschien qua uiterlijk wel op haar hoogtepunt. Een tikje zwaarder, een rimpel of zelfs een grijze haar is daarbij absoluut geen bezwaar. Meestal zijn dat vrouwen die modern (of zelfs jeugdig) gekleed kunnen zijn, maar zich heel goed realiseren dat ze het niet meer zijn, dus niet met iedere vluchtige trend mee hobbelen, want dat zou pathetisch zijn.
Dit zijn niet de vrouwen die kost wat kost jeugdig moeten zijn en niet kunnen accepteren dat de zwaartekracht zijn tol eist en dit proberen te verbloemen met siliconen of andere correcties. En al evenmin zijn dit de vrouwen die al het jeugdig elan meer dan een decennium ervoor hebben opgegeven en tevreden zijn met een vijfenzestigplus permanentje en hun gebrek aan ‘joi de vivre’ etaleren met slobberkleding en een afgetobde uitstraling waarvan de buitenwereld de schuld krijgt omdat ze totaal gebrek aan zelfreflectie hebben.
Het uiterlijk is in alle gevallen een afspiegeling van de innerlijke strijd en de persoonlijke oplossingen voor de levensvragen. Het willen blijven openstaan voor veranderingen en het accepteren van de dynamiek van het leven is in de kruispuntfase mogelijk wel het belangrijkste issue.

Ook voor mannen geldt dit, alleen is dit veel minder gemakkelijk af te lezen aan het uiterlijk. De aandacht voor uiterlijk mag al minder gemanifesteerd worden en een kalend hoofd wordt al snel met ouderdom geassocieerd. Toch geldt ook voor mannen in de kruispuntfase ‘ben ik klaar om nog flexibel in het leven te staan en daarmee mezelf in te dekken om de midlifecrisis zonder al te veel brokken te doorstaan?’

Koeien op stal en de tang op het varken

Op de voorpagina van De Gelderlander staat een foto van een dartelende jonge koe. In combinatie met de heldere blauwe lucht en de zonnestralen dacht ik dat de krant ons de lente in wilde praten. En daar stond ik open voor, ‘Spring is in the air’. Nadere beschouwing leert dat geleerden van de Wageningen Landbouw Universiteit van oordeel zijn dat koeien beter af zijn op stal en ook het welzijn van varkens en kippen binnen beter is dan wanneer ze vrij buiten lopen.

Net op het moment dat ik standaard op de verpakking kijk van mijn eitjes in schap van de supermarkt of ze wel van het merk ‘Scharrel’ zijn; net op het moment dat we in de buurt voor het eerst een biologische rundvleeshouder hebben ontdekt en overwegen om er vaker te komen; net op het moment dat we niet standaard in een lachstuip schieten als er allerlei macrobioten en andere ongezonde bleke types vanuit de biologische winkel ons wijzen op de voordelen van onbespoten groente, rechtsdraaiende yoghert en een kippetje dat van het leven heeft genoten, met als gevolg dat de carnivoor in ons er iets minder lol aan heeft.

Net op dat moment moeten we allemaal weer anders. Schijnen de ligboxstallen eigenlijk best goed te zijn, hoeft een varken niet te wroeten en geniet misschien wel van de knorflats op de industrieterreinen en vinden de dames kip het best gezellig zo dicht op elkaar. Schiet mij maar lek. Wie levert op dit moment de verantwoordelijke voor landbouw in het kabinet Rutte? Ik geloof geen minister, maar een staatssecretaris. O ja, Bleker van het CDA.

‘Do I have to say more?’

Nu ben ik geen warm voorstander om dieren allerlei menselijke eigenschappen toe te dichten, de reden om mij verre te houden van de Partij voor de Dieren. Laat staan dat ik het absurde idee van Dion Graus (PVV) ga omarmen, Animalcops. Mensen gaan bij mijn politieke keuzes toch altijd voor. Dat neemt niet weg dat ik het belangrijk vind om een beetje netjes omgaan met je omgeving (mens, dier en natuur). Alleen daarom was of ben ik best ontvankelijk voor een eerlijk stukje vlees. Of me dit als carnivoor altijd lukt, durf ik niet te beweren, maar het streven is in ieder geval nobel. Tenminste, dat dacht ik tot vanmorgen. Koeien horen op stal aldus de Wageningse geleerden. Het slaat als een tang op een varken.

Ik denk dat ik maar eens ga genieten van de lente door een wandeling te maken. Misschien kom ik al wel heel veel foute koeien tegen. Ik hoop het.

K*tjelekker25, veel is er in veertig jaar niet veranderd

De herinnering aan je eigen geboorte is voor de meeste mensen een onmogelijke opgave. Tenminste, dat is mijn mening, al beweren kleine groepjes spirituelen het tegendeel. Je eigen komst op Aarde is een enorme leegte die hooguit opgevuld kan worden met de informatie die je ouders kwijt willen. In mijn tijd was het nog niet gebruikelijk om van de bevallingssereniteit een multimediaal circus te maken en de kraamvisite te trakteren met foto’s en video’s van het moment suprême. Ik geloof dat ik niet rouwig ben over het gemis van de beelden van mijn Aardse landing.

In tegenstelling tot de geboorte, behoort een bezoek aan je geboorteplaats wel tot de reële mogelijkheden. In mijn geval is dat Heel, nabij Roermond. Soms zijn er momenten dat je heel even een glimp wil opvangen van het huis waar het eens allemaal begon. Een rationeel argument voor deze oprisping kan ik niet bedenken. Maar goed, de ratio van het leven zelf is niet altijd even gemakkelijk, echter omdat levenstwijfel zo’n vermoeiende bezigheid is, zoeken we maar naar wat verstrooiing. Bijvoorbeeld in een weekend met je zoon langs je geboortehuis rijden. In het Limburgse Heel dus.

Welwillend zit je zoon naast je in de auto, na een lunch op het marktplein in het nabij gelegen Belgische Maaseik. Samen keuvelen we een beetje, de radio is aan met hedendaagse muziek. Het is behaaglijk warm in de wagen, in tegenstelling tot de natte waterkou in het Limburgse Maaslandschap.

‘ Zullen we even naar mijn geboortehuis rijden?’

‘ Is goed, maar zijn we daar acht jaar geleden ook al niet geweest?’

‘ Goh, weet je dat nog?’

‘ Ja, maar ik wil er nog wel eens heen.’

Bij binnenkomst in Heel is het noodzakelijk om de plaatselijke plattegrond even te raadplegen, want de weg weet ik niet meer. Ik heb dan ook maar 18 maanden in Heel gewoond. De zachte G is ook niet aan me blijven kleven. Gelukkig is het een klein dorpje en het adres is zo gevonden.

Ondertussen vermaakt mijn zoon zich met het lezen van de routernamen in de omgeving. Via zijn mobiele telefoon kan hij al rijdend alle draadloze internetverbindingen traceren. Vaak hebben deze verbindingen voor de hand liggende namen die refereren naar de naam van de bewoners van het pand. Het was ons al opgevallen dat naast Janssen, de naam Gijssen en Hendriks veelvuldig voorkomen. Soms wordt slechts het adres de routernaam en in enkele andere gevallen is er iets creatievers bedacht.

‘ Pierke, Ge Fransen, vlaaibaai, Janssen.’

De namen in Heel worden opgelezen via het mobiele wonder van mijn zoon.

‘ We zijn er bijna.’

Mijn zoon kijkt op en zegt terecht dat het niet zo’n beste buurt is.

‘ Och, dat valt wel mee,’ zeg ik tegen beter weten in.

De vorige keer was het me al opgevallen dat de straat waarin ik geboren ben er wat sjofel uitzag.

‘ Gewoon een arbeidersbuurt, niets mis mee.’

Mijn ouders, komend van ver buiten Limburg, waren altijd erg content met het nieuwbouwhuis dat zij toentertijd betrokken. In de tijd van woningnood van de jaren zestig was een knap huisje belangrijker dan een baan. Toen het huis via een landelijke advertentie gevonden was, werd de baan er gewoon bij gezocht.

‘ Frans Schoenmaker, Arie&Truus, Kutjelekker……….hè?

Mijn zoon barst in lachen uit.

‘Die zijn niet wijs, Kutjelekker25, dat doe je toch niet? Wat een kansloze lui. Op welk nummer ben jíj geboren pa?’

‘ Op nummer 25.’

De hilariteit was compleet. Met een korte blik op het huis, de vleselijke voorkeur van de huidige bewoners tonend, rijden we maar door, de verloedering achter ons latend.

‘ Het is niet meer wat het geweest is,’ verweer ik me zachtjes zonder dat mijn zoon het hoort.

De laatste zin blijft in mijn hoofd hangen. Hoe was het eigenlijk, toen, in het jaar 1966?

Over Heel heb ik altijd lovende verhalen gehoord als het gaat om het eerste huis van mijn ouders. De omgeving vonden ze bovendien geweldig, maar daarmee hield de loftrompet over Heel eigenlijk wel op.

Ze kwamen uit Amsterdam en Utrecht en hadden inmiddels geroken aan de vrijheden die beginjaren zestig aan het ontluiken waren in Nederland. Zelf kwamen ze beide uit degelijke katholieke gezinnen uit het oosten des lands, dus eerst netjes trouwen en dan pas samenwonen. Met deze Roomse bagage dachten ze het wel te redden in Limburg. Het viel wat tegen. Mijn moeder heeft nog een tijdje gewerkt als verpleegkundige in een verzorgingstehuis voor nonnen. Menigmaal heb ik het verhaal gehoord dat de oude besjes pas dan bediend werden, hetgeen voor een plaats in het Hemelse Rijk een voorwaarde was, als het testament aan de kerk werd overgemaakt. Mijn vader was als gediplomeerd verpleegkundige aangetrokken in de zwakzinnigenzorg dat tot die tijd bestierd werd door Broeders. Ik durf niet te zeggen van welke orde ze waren, maar Broeders van Liefde voor de verstandelijk minderbedeelden waren ze zeker niet. Het vergelijk met het hedendaagse Roemenië wil ik niet maken, maar veel beter was het niet. Waarschijnlijk wel schoner, maar daar was dan ook alles mee gezegd.

In het Roomse Heel was het toen nog zeer ongebruikelijk om weerwoord te bieden tegen de geestelijkheid. Maar met diploma en eigentijdse kennis op zak, heeft mijn vader dat toch met regelmaat gedaan. Het is hem uiteindelijk duur komen te staan.

Naast de werkkring, beleefden ze ook weinig vriendschappelijke contacten met dorpsgenoten, uitzonderingen daargelaten. Ze waren ‘Òlanders’ en voor de gemiddelde bewoner van Heel deugden de Maastrichtenaren eigenlijk al niet. Mijn ouders hadden het gevoel dat ze met de nek aan werden gekeken. De hang naar hun beider roots werd snel groter. Een telefoon hadden ze nog niet, want voor een aansluiting moest rekening worden gehouden met een wachttijd van twee jaar of meer. Noodgedwongen fietste mijn vader met enige regelmaat naar het nabij gelegen Thorn om met de familie te bellen. Het alternatief was de telefoon in het plaatselijke postkantoor waarbij iedereen kon meeluisteren.

Hoewel het aan hun kerkgang niet heeft gelegen, hebben ze snel na de geboorte van mij en mijn broertje het Rijke Roomsche Limburg achter zich gelaten.

Een van de positieve uitzonderingen was de buurvrouw van mijn ouders, die van nummer 23. Niet dat ze goede vrienden zijn geworden, maar toch ze hadden een band, vooral mijn vader. Uiteraard met volledige instemming van mijn moeder. De buurman is een ander verhaal. Die zoop en sloeg zijn vrouw. Tegenwoordig zouden we dat huiselijk geweld noemen, toen blijkbaar niet. Ook ‘Blijf van mijn lijf’ huizen waren nog niet in zwang. Deugdelijke zwakzinnigenzorg moest trouwens nog uitgevonden worden.

De buurvrouw en buurman bleven gewoon bij elkaar en mijn ouders konden ongewild delen in lief en leed van het Limburgse burenpaar. Ik weet niet of de buurvrouw een knappe verschijning was. Ze had ze in ieder geval niet allemaal op een rijtje. Zo liep ze iedere keer naar buiten als mijn vader de tuin aan het sproeien was. De planten moesten nog groeien, het waren immers nieuwbouwhuizen, dus van enige privacy was geen sprake, daaraan werd gewerkt middels het sproeien. Ze bukte zich omslachtig met haar achterste naar mijn vader, die uiteindelijk bezweek voor de verleiding en de tuinslang richtte op de billen van de buurvrouw, die het uitgilde van plezier.

Op zondag had ze echter andere verplichtingen. Na de kerkgang gingen de dorpsbewoners uiteraard naar de kroeg of naar de kruidenier, die toen nog open was. Een enkeling had andere plannen. Via het achterommetje klopte ze bij de buurvrouw aan, om een half uur later weer te verdwijnen. Of buurman hier weet van had, vertelt het verhaal niet. Hij zat op dat moment in de kroeg, misschien wel van het geld dat zijn vrouw verdiende.

Eenmaal vergiste zich een klant en klopte bij mijn moeder aan met de vraag in onvervalst Limburgs:

‘ Doet de naaimachine het nog een beetje?’

Hij is onverrichter zaken weggegaan.

‘Kutjelekker25, kutjelekker25………’

Eigenlijk is er niet zoveel veranderd in die ruim veertig jaar. Toen was het ‘kutjelekker23’. Het was nog niet via een mobiel te traceren, maar veel katholieke mannen uit Heel wisten het wel degelijk te vinden.

DE SCHADUW VAN DE WIND/ Carlos Ruiz Zafón

Er zijn kwade tongen die beweren dat recensisten, mislukte schrijvers zijn, die wenend over hun eigen falen, verworden tot vileine azijnpissers, die amper in staat zijn hun frustraties en jaloezie te verbergen in hun stukjes. Terwijl ze blijven dromen over hun eigen literaire project, dat beslist beter zal zijn dan het niemendalletje dat ze van hun redacteur moeten bespreken, verlagen ze zich tot muggenziften en kinderachtige scherpslijperij.
Andere recensieschrijvers kruipen de schrijver zowat in hun hol als diens nieuwste werk aan het publiek gebracht moet worden, alsof zij zelf aandelen bezitten van de uitgeverij die het boek moet verkopen.
In het geval van ‘De schaduw van de wind’ van Carlos Ruiz Zafón kan ik u verzekeren dat de schrijver van dit stukje tot geen van beide partijen behoort. Wel moet ik benadrukken, mocht u na lezing van dit artikeltje, niet per direct besluiten het boek te gaan lezen, dit slechts ligt aan de capaciteit van de recensist. ‘De schaduw van de wind’ is namelijk een absolute aanrader voor lezers van het spannende boek met literaire kwaliteiten die bijkans ongeëvenaard zijn. Ongetwijfeld past het om dit boek aan te prijzen met louter overdrijvingen en superlatieven. Dat zegt dan vooral iets over het enthousiasme van mij als lezer. Het doet verder geen recht aan de daadwerkelijke kwaliteiten van dit boek.

‘De schaduw van de wind’ is op de eerste plaats een ongemeen spannend verhaal dat de lezer meezuigt in het Spanje, of eigenlijk vooral Barcelona, van de eerste helft van de twintigste eeuw. Het verhaal begint in 1945. Spanje is zich nog steeds aan het herstellen van de burgeroorlog en leert leven in de dictatuur van Franco, terwijl de rest van Europa nog aan het bijkomen is van de Tweede Wereldoorlog. Een jonge weduwnaar, antiquair van beroep, neemt zijn tienjarige zoon mee naar een geheime plek om hem als het ware in te wijden in de liefde voor het geschreven woord en dan vooral de literaire roman. De jongen Daniël mag op die speciale plek een boek kiezen, of eigenlijk kiest het boek de persoon in kwestie, met daarbij de zekerheid dat dit zijn leven zal gaan beïnvloeden. Daniël verkrijgt het boek ‘De schaduw van de wind’ van de onbekende schrijver Julián Carax. Al snel zal het leven van Daniël helemaal in het teken staan van het boek. Met vele verrassende wendingen, onverwachte doorkijkjes en vooral bloedstollende spanning, weet Zafón de lezer blijvend te boeien op een manier die het boek “De verdwenen Geschiedenis” van Donna Tart doet verbleken.

Maar er is meer dan alleen duizelingwekkende spanning. Naast de verhalende kwaliteit, heeft de schrijver een woord- en zingebruik die de lezer eveneens laat duizelen. Prachtige zinnen volgen elkaar in een vlot tempo op, met daarbij een zeer gevarieerde woordkeus die, zeker in het begin van het boek doet verlangen naar een woordenboek, ware het niet dat daarmee kostbare tijd verloren gaat om verder te lezen. Het woordgebruik brengt de sfeer van het verhaal, maar ook de beklemmende periode van het toenmalige Barcelona, zeer helder op het netvlies van de lezer.
Ondanks de spanning en zeer realistisch beschreven geweldadige scènes die de lezer zal laten huiveren, is het verhaal ook met een grote dosis humor gelardeerd, die vooral tot uiting komt in de verschillende dialogen. Ruzies en scheldpartijen verbouwt Zafón tot kleine literaire pareltjes, waarbij de lezer soms twee keer moet nadenken over de ernst van de beschuldigingen over en weer.
Eén zin ter illustratie, op bijna het einde van het boek, wil ik u niet onthouden. Als een van de hoofdpersonen op zoek is naar een pastoor om een huwelijk in te zegenen, weigert de pastoor, omdat de vrouw in kwestie reeds zwanger is. Zafón schrijft dan: ‘Fermín (goede vriend van de bruidegom) ontstak daarop in grote woede en sleurde hem de kerk uit, naar de vier winden schreeuwend dat hij zijn habijt en de parochie niet waard was, en bezwoer hem dat als hij ons ook maar een strobreed in de weg legde, hij een schandaal zou veroorzaken bij het bisdom waardoor de pastoor op zijn minst verbannen zou worden naar de Rots van Gibraltar om daar in al zijn benepenheid de apinnen tot het christendom te bekeren.’

De schrijver weet de spanning tot het einde vast te houden. Als het plot dan bij de lezer bekend is, volgen enkele korte afsluitende hoofdstukken die de hoofdpersonen hun gewone leven verder laten leven. Een leven waarin, evenals de enerverende episode ervoor, het boek, de liefde en de liefde voor het boek weer centraal staan.

(Ik heb het boek al in 2006 gelezen en in de overtuiging dat het al eerder onder aandacht is gebracht door andere bloggers, lijkt het een overbodige aanvulling. Echter omdat ik mijn lijst van eigen boekervaringen compleet wil maken, toch nog maar een keer dit geweldige boek. Ten tweede, ik was niet alleen de zoveel miljoenste lezer in 2006, nadien blijft het boek in alle boekwinkels nadrukkelijk aanwezig. Misschien een goede marketing, maar vooral ook omdat het een pareltje is en blijft.)

De schaduw van de wind
Carlos Ruiz Zafón
Uitgeverij Signature Utrecht /2004

Oorspronkelijke titel: La sombra del viento (2001)