Utan Ramsa in Stockholm/ 07-08-2008

Ik weet niet hoe het u vergaat bij het reizen naar andere oorden, maar bewust of onbewust worden altijd vergelijkingen gemaakt door mij als reiziger. Eigenlijk denk ik dat iedereen dat wel doet, want verschillen met het eigen vertrouwde vallen natuurlijk op. De opmerkzaamheid en de bewustwording van die verschillen zorgen er voor, al is het soms maar een klein moment van onachtzaamheid, dat een waardeoordeel gevormd wordt. In een vakantieroes kan dat nog wel eens in het nadeel zijn van het eigen vertrouwde. Op andere momenten en in andere situaties lijk je je eigen omgeving, het soms zo benauwende Nederland, heel erg te kunnen waarderen.

Dit korte reisverslag gaat over mijn verblijf met het gezin in Stockholm. De voortschrijdende globalisering, maakt het steeds moeilijker om verschillen te constateren, zeker binnen Europa. Maar volgens mij zijn ze er wel degelijk. Alleen de taal al. Dus om goed in de sfeer te komen is mijn naam Sprakeloos voor dit blog maar even veranderd in ‘Utan ramsa’, mijn vertaling via het internetwoordenboek van Sprakeloos in het Zweeds. Sprakeloos wordt dan ‘zonder woorden’.

Waarom Stockholm?

Waarom niet? Het is eigenlijk heel dichtbij en de weerstand tegen Spanje, Frankrijk of Italië in de drukke zomermaanden begon een steeds groter struikelblok te vormen. En hoe goed kennen we Zweden nu, al licht het eigenlijk heel dicht bij? Even googelen op ‘Stockholm’ en ‘vakantie met kinderen’ leerde ons dat Stockholm een conferentiestad is, maar dat de hotelkamers in de zomermaanden een lage bezettingsgraad hebben. Voor een zeer acceptabele prijs, echt eentje waar ik ‘utan ramsa’ van werd, kregen we een acceptabele hotelkamer en de ‘Stockholm à la card’. Dat wil zeggen gratis openbaar vervoer en entree in heel veel musea en toeristische boottochten. Een goedkope vliegreis is tegenwoordig snel geboekt, nog wel. Dus al met al voor de prijs waar je normaalgesproken in het hoogseizoen een week een caravan huurt aan een van de costa’s, heb je vijf dagen Stockholm, exclusief avondeten. ‘Utan ramsa’ waren wij dus en de beslissing is snel genomen.

Zweden en Stockholm?

Zweden is, ja wat is Zweden eigenlijk voor een land? Een land met goed doorgevoerd sociaal-democratische traditie, met oog voor emancipatie voor een ieder en goede sociale voorziening. Mooie lange blonde vrouwen, dure prijzen in zijn algemeenheid en voor sigaretten en alcohol in het bijzonder. Een internationaal beperkte faam als het gaat om de culinaire hoogstandjes. Vooral ook heel veel leegte en dat moet je voelen in een land dat 14 keer zo groot is als Nederland en slechts 9 miljoen inwoners kent. Kortom een zeer welvarend land. We zullen het zien.

De eerste indruk

De leegte is vanuit het vliegtuig indrukwekkend en de weidsheid van de miljoenenstad Stockholm is weldadig. De miljoenen komen niet op je af zoals andere grote wereldsteden, of zoals je dat kan ervaren in de krioelende massa’s in Amsterdam, Utrecht of zelfs Arnhem. Rust straalde de stad uit, vooral ook in het prachtige metrostelsel van de stad.
Die rust is eigenlijk mogelijk wel de rode draad in die vijf dagen. Het straatbeeld van Stockholm is levendig, maar vooral ook rustig.

ondergrondse in Stockholm

Sociaal democratie

In vijf dagen museums bezoeken lukt het mij niet om de sociaal-democratie, zoals die bedoeld is, te doorgronden. In de wetenschap dat ook de sociaaldemocraten niet meer de meerderheid hebben in Zweden is er sprake van een diepgeworteld gevoel van de normen en waarden van de sociaaldemocraten zoals ze dat in de jaren zestig en zeventig ook nog in Nederland hadden. Werkende moeders zijn vanzelfsprekender, kinderopvang is standaard goed geregeld alsmede ouderschapsverlof voor beide ouders. In een sightseeing toer wordt omstandig uitleg gegeven aan goede ouderdomsvoorzieningen in Zweden, waarbij zelfstandigheid en thuiszorg een centrale rol hebben. Zoals gezegd, ik kan dit niet allemaal precies nagaan, maar mogelijk met deze kennis in mijn achterhoofd proef ik een grote mate van tevredenheid in de straten van Stockholm. Een tevredenheid die dreigt over te slaan naar zelfgenoegzaamheid, of is dat de kift van een Nederlander die ziet dat de verzorgingsstaat in Nederland om zeep wordt geholpen door verregaande kleingeestige betutteling en bureaucratie. En dat is veel erger dan een verschraling van de verzorgingsstaat als gevolg van economische malaise.

Opvallend was, tenminste dat dachten wij te zien, het feit dat ’s avonds junks werden weggehaald in de metro. Niet weggeveegd door de politie of andersoortige orderbewakers. Nee door hulpverleners die actief wierven en niet zoals in Nederland eerst geacht worden samen met de nooddruftige een uitgebreide hulpvraag te formuleren. Dat hulp noodzakelijk is, moge duidelijk zijn en als je zelf niet kunt willen, dan is actie van anderen noodzakelijk.

Mooie Zweedse dames

 

Ik ga geen gloedvol betoog houden over mooie Zweedse vrouwen, die waren er zeker wel, maar ook in Duitsland en Nederland zijn die in ruime mate te vinden. Wat wel opvalt in het straatbeeld is de grote hoeveelheid schonen van niet Zweedse afkomst. Zij stralen als bijna vanzelfsprekend een Zweeds zelfbewustzijn uit, al komen ze uit Korea, Iran of Turkije. Zelfs veel Somalische vrouwen zouden zo een volle nicht kunnen zijn van Ayaan Hirsi Ali, geen hoofddoeken of lopend met groepjes landgenoten. Nee, in volle schoonheid alleen in de metro waar te nemen.
Zou het integratiedebat en beleid in Zweden er anders aan toegaan? Of is het puur de ruimte die iedere Zweedse bewoner voor zich kan opeisen de verklaring voor ogenschijnlijk wederzijdse tolerantie?

Duur land

Iedere stad is duur voor een toerist die de situatie niet goed kent. Sigaretten zijn voor vijf dagen meegenomen, dus het bijspekken van de Zweedse verzorgingsstaat heeft niet plaatsgevonden. Alcohol, och bij het eten was een biertje tot 3,5 procent alcohol redelijk te betalen en voor de rest onthielden we ons maar. Ook het eten heeft ons toch kunnen bekoren al was het niet de Zweedse keuken. Via een van de onvolprezen reisgidsjes werd Kungshallen getipt. Veertien, vooral Aziatische restaurantjes zijn daar te bezoeken in een kantineachtige omgeving. Voor ieder wat wils en toch bij elkaar zitten. Geen haute cuisine, verre van dat, maar voor een euro of negen een volle buik.
Een huis is heel betaalbaar in Zweden, maar dat was niet het doel van onze verblijf, maar het is slechts een tip. De populariteit van een tweede huis in Zweden schijnt snel toe te nemen. Dus voor wie wil, grijpen die kans.

Huiskamergevoel

Of het de prijzen zijn in de meeste horecagelegenheden, of het mooie weer dan wel de Zweedse mentaliteit, Stockholm oogde wel een grote huiskamer. Dat er in parken op luchtige wijze werd genoten van de zon, kan ik inkomen maar de hoeveelheid blote buiken, ook van de Zweden in het straatbeeld, gaf wel een groot huiskamergevoel. Ook eten en drinken op straat, en dan niet alleen studentikoos uitziende mensen, maar uit alle lagen van de bevolking completeerde dit beeld. Even dacht ik nog dat het te maken zou hebben met de Europride die in deze dagen te Stockholm werd gehouden. Maar volgens mij was dit niet het geval.

Europride
Al heeft de Europride niets met Stockholm an sich te maken, de hele PR machinerie van de stad heeft zich wel uitgesloofd om er een groots festijn van de maken. Overal waren de regenboogvlaggen te zien. En daar was ik wel even utan ramsa van, zelfs geërgerd. In mijn optiek was de regenboogvlag van de vredesbeweging en niet van de internationale homobeweging. Het opzoeken via Wikipedia leert dat ik slechts deels gelijk heb en dat de vlag al sinds eind jaren zeventig ook het symbool is van Europride. Ik vind het jammer, want die vlag is van iedereen, zoals vrede van iedereen is. Maar ja, ik schijn ongeveer de enige te zijn die zich hieraan ergert, dus laat ik er maar geen woorden aan vuil maken.

Slotsom

Stockholm, een mooie weidse stad, met een prachtig goed metrostelsel die de moderne en de historische stukken van de stad goed met elkaar verbinden voor de toerist. Een zeer relaxte stad, met op het oog rustige en individualistische mensen die het minder nodig hebben om in de openbare ruimtes te schreeuwen en hun ego’s op te poetsen. Prettig vertoeven dus en veel bezienswaardigheden en musea.
Is Stockholm een bruisende stad? Nee, mijn eerste indruk zou zijn, de stad gonst. Het gonst zoals in een bijenraat waar voldoende eten is, tevreden en misschien wel een pietsie zelfvoldaan.

En wordt utan ramsa weer Sprakeloos. Ja, al valt de leefbaarheid in mijn optiek sterk in het voordeel uit van Stockholm, zeker in vergelijking met Amsterdam of Rotterdam. Toch zou ik die stad ook wel eens willen ontdekken in de wintermaanden. Bovendien, zolang er geen emplooi is en de familie (lees kinderen) niet meewillen, dan kunnen we er mooi over dromen en word ik weer gewoon Sprakeloos.
Utan ramsa wordt hiermee gedag gezegd.

Wandelen rond de hoogmis./Abdij Sion te Diepenveen

Na de goede ervaring van vorige week om met de auto een kerk te bezoeken en mijn meditatieve moment al te verkrijgen middels het radioprogramma ‘Vroege Vogels’, kon ik niet wachten om weg te rijden, ondanks het vroege tijdstip. Maar wat heet vroeg, de bewoners van Abdij Sion in Diepenveen, het doel van mijn reis, hebben het ochtendgebed al uren geleden achter zich gelaten. Dus als een betrekkelijk vroege vogel toog ik naar de Orde van de Cisterciënzers, een abdij dat in de bossen bij Diepenveen ligt.

Weg naar de kerk vanuit de kloostertuin.

Ik deed het rustig aan. Vorige week meldde ik nog quasi-nonchalant dat ik met een beperkte overtreding van de maximumsnelheid naar Raalte ben gereden. Deze week heb ik proefondervindelijk ervaren dat er ook delen van de overheid effectief en efficiënt werken. Op zaterdag 20 maart 2010 lag er een rekening van het Centraal Justitieel Incasso Bureau op de deurmat. Een rekening van maar liefst € 52, – . Een wandeling rond de hoogmis wordt zo nog een dure aangelegenheid. Harde euro’s die ik beter in de collecteschaal van een kerk zou kunnen deponeren. Rustig aan dus maar vandaag.

Het radioprogramma ‘Vroege vogels’ ging over de bescherming van berberapen in Marokko, over een conferentie in Qatar met betrekking tot bedreigde diersoorten en ik heb mijn hersenen gepijnigd over een origineel idee ten aanzien van het planten van een boom. Het radioprogramma heeft in samenwerking met de Bomenstichting een wedstrijd uitgeschreven om met ideeën aan te komen om bomen, of boomgroepen op een zo markant mogelijke manier te planten. De boom moet dienen als herkenningsteken, iets laten zien, bijvoorbeeld vanuit de lucht of op een andere wijze een symbolische betekenis krijgen in het landschap of de stad.

Terwijl ik nog zit te denken over de zogenaamde ‘Boomkroon’ worden mijn gedachten onderbroken door het journaal van negen uur. Hierin werd vermeld dat afgelopen nacht de Stille Omgang in Amsterdam heeft plaatsgevonden. Zo’n 8000 gelovigen hebben meegedaan aan de processie en kerkdiensten in de hoofdstad. Over vroege vogels gesproken.

In mijn boekenkast staat nog een vermakelijk boekje van de Amsterdamse taxichauffeur Harry Boting die melding maakt dat de Stille Omgang voor zijn werk als taxichauffeur als ook voor de dames op de Wallen, hoogtij dagen waren in de jaren vijftig en zestig. Van heinde en verre wisten jongemannen uit Brabant, Gelderland en Groningen het hemelse genoegen van de Stille Omgang te combineren met een meer werelds genoegen dat ongetwijfeld minder stil is geweest.

Tegenwoordig ga ik ervan uit dat met de openheid van allerlei Vleeschelijke Lusten in de media, de deelnemers aan de Stille Omgang daadwerkelijk met slechts één intentie zullen komen.

 

Foto in de kloostertuin. Door het weer en de verbouwingen zijn echte mooie foto’s niet mogelijk.

Abdij Sion

Mijn intentie voor vandaag is een bezoek aan abdij Sion in Diepenveen. Vooral mijn vader ging met de Christelijke feestdagen graag naar de diensten van de Cisterciënzerbroeders. Als kind vond ik deze diensten oersaai en vervelend. En al hoefden we niet naar de kerk, mijn ouders zijn van een zeer efficiënte generatie, de Abdij lag op de weg naar het huis van mijn opa en oma in Twello, dus bij de bezoeken aan hen, werden wij geacht ons gemak maar te houden gedurende de kerkdienst.

Eind jaren zeventig ben ik er voor het laatst geweest en bij het zien van de site van de Abdij moet ik bekennen dat ik me er niets meer van kan herinneren. Dat gevoel van desoriëntatie van mijn geheugen werd nog eens versterkt toen ik de aanwijzingen volgde om de kerk van het klooster te vinden.

‘Ik ben nooit in deze kerk geweest’

Later, toen ik na de Eucharistieviering nog eens goed keek, bleek ik vroeger als kind nooit verder te zijn geweest dan de kapel, die nu dienst doet als stilte- en gebedsruimte.

Jaren later staat Abdij Sion dus op mijn lijstje van ‘wandelingen rondom de hoogmis’. En hoe oud de Orde ook mogen zijn en hoezeer stilte en het monnikenleven ook gewaardeerd worden, de Broeders hebben een hele wereldse website. Met veel informatie, uitnodigingen om deel te nemen als leek en vooral ook heel veel broninformatie over de pijlers waaruit de orde is ontstaan en hoe ze zich heeft ontwikkelt.

De eerlijkheid gebied me te zeggen dat het zoveel is, dat ik op deze lentezondag de moeite niet eens kan nemen om al die informatie tot me te nemen. Ik volsta voorlopig met de deelname aan de viering in de kerk.

Zicht op het altaar, dat inmiddels opgeruimd is. Ook de lampen zijn inmiddels uit. De touwen naar het dak toe om de klokken de luiden zijn niet zichtbaar op de foto.

De viering

Ik ben op tijd want wanneer ik in de kloostertuin loop, luiden de klokken. Het is een verrassende gewaarwording dat een van de broeders voor in de kerk, via touwen die naar het dak lopen, de klokken handmatig laat beieren. Twee broeders zitten al in de ‘broederbankjes’ dicht bij het altaar, terwijl mensen druppelsgewijs binnen komen. Vlak voor het begin komen meerdere broeders uit verschillende deuren aanzetten. De een met een rollator en de ander met een snelheid en haast, die doet vermoeden dat hij zijn monnikenwerk elders in het klooster met moeite achter zich kon laten. De broeder van dienst, ik noem hem voor het gemak maar even zo, was jonger dan de meeste andere broeders, kwam onverwacht van achter me naar het altaar lopen, vergezeld door een wierookbroeder.

In zijn opening sprak de broeder van dienst over woorden en gedachten die ieder mens heeft. Er zijn mooie woorden en gedachten die als een parfum zijn, maar ook nare woorden en gedachten die lijken op stenen. Het zijn de woorden van God die de mens ruimte moet geven. Het Evangelie ging over de overspelige vrouw die volgens de Fariziërs voor haar overspel gestenigd moet worden, conform de wetten die Mozes de mensheid heeft gegeven. Dit dilemma legden zij aan Jezus voor. Jezus sprak de wijze woorden, die ook voor veel niet gelovigen gemeengoed zijn geworden:

‘Hij die zonder zonde is, werpe de eerste steen.’

Het zijn woorden en gedachten van mensen die de kring (van leven) sluiten rondom anderen, in dit geval rondom de overspelige vrouw die door Jezus in bescherming wordt genomen. Later zal de kring zich sluiten rondom Jezus zelf als hij gekruisigd wordt.

De broeder van dienst, die dragend spreekt en ieder woord lijkt te wegen, komt tot de conclusie dat het niet alleen de zonden zijn, maar ook de dood, die mensen gevang houdt. Hij pleit ervoor om de woorden van God te gebruiken om ruimte te creëren en te leren leven met je eigen beperkingen en die van een ander.

In meer lekentaal zou ik zeggen: ‘Mens durf te leven.’

Er wordt door de kerkgangers dapper meegezongen vanuit het gezangenboek. Een gezangenboek waarvan ik me afvraag of daar ook de liederen van Huub Oosterhuis in staan. Liedjes die deze week als te werelds werden gezien en dus niet meer kunnen aldus het bevoedge kerkelijke gezag.

Voor mij loopt een dame weg uit de kerk, maar na de collecte komt ze weer terug. Heel even komt bij mij de gedachte op dat ze niet wil of kan bijdragen. Maar al snel herinner ik me de woorden: ‘Hij die zonder zonde is, werpe de eerste steen.’

De broederbankjes

 Tijdens de communievoorbereidingen blijken meerdere broeders een taak te hebben. In ieder geval verzamelen zij zich rondom het altaar. Na het uitreiken van de hostie, keren enkele broeders niet meer terug in de kerk. Ze hebben zeker andere werkzaamheden te verrichten elders in het klooster.

Direct na de dienst, als de broeder van dienst en de wierookbroeder verdwijnen uit dezelfde deur vanwaar ze gekomen zijn, blijkt de Orde een zeer efficiënte machinerie te zijn. In twee minuten is alles opgeruimd en zijn de lichten gedoofd. Wat overblijft is een enkeling die nog even blijft zitten en voor mij zit er niets anders op om de foto’s te maken in het donker.

De dienst duurde volgens mij langer dan in een ‘reguliere’ kerk, hetgeen het gebrek aan contemplatie in mijn jeugd tijdens de diensten in de Abdij mogelijk doet verklaren. Bij de ingang van de kerk blijkt de Orde daar tegenwoordig rekening mee gehouden. Een stapel kinderboeken ligt er voor de jeugdige kerkganger ter overbrugging van de dienst.

De wandeling terug

Eenmaal buiten, word ik geconfronteerd met een biddende roofvogel, volgens mij een buizerd, in de lucht. Het duurt helaas te lang voordat ik mijn fototoestel in positie heb, dus geen foto van de buizerd. Meer fotoleed deed zich even later voor bij het wegrijden. Twee reeën staken de laan naar de Abdij over. Uiteraard, zoals het reeën betaamt, waren ze weg voordat een foto geschoten kon worden. Bij het opnieuw wegrijden stak een konijn over. Ik bleef nog vijf minuten bij de auto staan, maar verder geen enkel wezen uit Noach´s Ark liet zich meer zien.

In de auto was een vraaggesprek bezig met de zoon van de schrijver Anne de Vries, u weet wel van Bartje’s ‘Ik bid niet veur brune bon’n’

Een ondankbaar jong als je het mij vraagt, maar mogelijk is het meer mijn ergernis omdat ik  natuur fotografisch vandaag niet uit de verf ben gekomen. Dus reageer ik het maar een beetje af op Bartje.

 

 

Geen ree of konijn meer te zien op de weg van en naar de Abdij

Overpeinzing

Op een van de sites van en voor leken van de cisterciënzergroep staat:

‘De groepsleden leiden ieder een leven in de wereld. Ze hebben relaties, kinderen, banen. En dat blijft zo. Het is niet de bedoeling van de Cisterciënzergroep Sion dat de leden een soort monnik in de wereld worden. Hoewel er in het innerlijk van de mens veel kan verschuiven en veranderen, blijven de uiterlijke omstandigheden in principe ongewijzigd. Of, zoals een monnik het ooit verwoordde: ‘Iedereen draagt zijn eigen klooster met zich mee.’

Dat is mooi, iedereen draagt zijn eigen klooster met zich mee ten behoeve van innerlijke rust en/of contemplatie. Ik vraag me af of bij mij de fundamenten voor een fijn klooster sterk genoeg zijn, maar goed, zonder al te veel bouwkundige kennis, weet je dat pas als het klooster een beetje af is. Is een klooster eigenlijk ooit af?

Bovendien mag een klooster ook een mooie synagoge moskee of hindoetempeltje zijn voor de broodnodige contemplatie?

Ik vind van wel.

PS. Ik heb een idee voor de boomplantwedstrijd. Op de autobanen moeten stevige bomen worden geplant, als een soort drempels om snelheidsovertreders tegen te gaan.

 

Andere wandelingen:

Hoe het begon; H. Remigius, Duiven; Andreasparochie, Groessen; Pauluskerk, Raalte; Abdij Sion, Diepenveen; Werenfriduskerk, Westervoort ; St. Antonius Abt Parochie, Loo; St. Stevenskerk, NijmegenMartinuskerk, Twello ; St. Mary -Star of the Sea Church, Hasting (GB); Ned. Herv. Kerk, Achlum; Kölnerdomkirche, Keulen; Stephanuskerk, Borne ; Vrij Katholieke Kerk ChristusPantocrator, Raalte, Stephanuskerk, Heel

Ach, meisjes van 13/ 30-09-2009

Ik heb er ruim twee dagen over gedaan om de ophef rondom de aanhouding van filmer Roman Polanski te kunnen vatten. Allereerst wist ik niet dat Polanski zich vergrepen had aan een meisje van dertien. Ik schijn zo ongeveer de enige te zijn die niet op de hoogte was van dit publieke geheim. De plaats van het delict zou het huis van acteur Jack Nichelson zijn geweest. Twee iconen vallen van hun sokkel, of zijn, in mijn perceptie, op zijn minst voorzien van een smetje in het geval van Nichelson.

Ten tweede reisde de man zo ongeveer de hele wereld rond en na 32 jaar was men voldoende bij machte om een opsporingsbevel na te leven? Dat begrijp ik al helemaal niet. Wat is het achterliggende belang om dat nu te doen en wel bij die kraakheldere Zwitsers? Ik begrijp het niet, zou de VS niet eerder belang hebben gehad om Polanski op te pakken. Ik denk dat Zijne Schijnheiligheid ex-president Bush veel kiezers voor zich gewonnen had als hij dit op zijn conto had kunnen schrijven.

Goed, het begint een beetje te landen bij mij. De Amerikaanse hypocrisie ten aanzien van waarden en normen is natuurlijk overweldigend. In het land waar niks mag en alles kan, preekt men over Sodom en Gomora, maar knijpt men de katjes van dertien stiekem in het donker. En meisjes van dertien behoor je als volwassen kerel niet te bezoedelen, dat vond men zelfs in de jaren zeventig al. Een terechte vervolging dus, al is van verkrachting na juridisch overleg geen sprake meer, het is slechts bezoedeling geworden.(?) Polanski wachtte niet af en verdween. Hij schijnt veel in Frankrijk en Polen te bivakkeren en bouwt een geweldig oeuvre op.

Laten we wel wezen, ik ben er toentertijd niet bij geweest toen, het inmiddels 45 jarige slachtoffer, als meisje van dertien al dan niet vrijwillig de lakens deelde met de toen al beroemdheid in de filmwereld. Ik denk dan laat het recht zegen vieren, liever laat dan nooit. Hoewel, het slachtoffer heeft liever een schikking en dat zal dan wel over miljoenen gaan, maar ook dit heb ik weer uit de media. Amerika, ik verbaas me er soms nog over, maar de hypocrisie als het om sex en moraal gaat, is bijna spreekwoordelijk. Ik kan er mee leven.

Ronduit stuitend vond ik de tsunami van verontwaardiging over die arrestatie die door Europa ging. Vond ik? Dat vind ik nog steeds. Poolse verontwaardiging is natuurlijk helemaal niet serieus te nemen. Het land had twee dagen ervoor met overweldigende meerderheid de chemische castratie voor pedofielen door het parlement gejast. Sarkozy, de hedendaagse Napoleon, spreekt schande over de aanhouding. Zijn huidige partner Carla Bruni valt uiteraard binnen de wettelijke leeftijdsgrenzen, maar volgens mij is de Franse president stiekem jaloers op de Italiaanse mafiabaas die sex met minderjarige niet alleen bepleit, maar ook nog in de praktijk brengt. In het kader van “If you can’t beat them, join them” moet Sarkozy gedacht hebben Hij bewees lippendienst ten aanzien van de verboden sexaffaire van Polanski. Zelfs de Zwitsers, die over het algemeen niet eens conservatief, maar zelfs reactionair te noemen zijn, waren verontwaardigd.

En, het kon niet uitblijven, ook in Nederland roerden de grootste salonsocialisten, Pauw en Witteman, met een immens Albert Verlinden gehalte, dapper mee in de Europese brei van verontwaardiging. Als gast lieten zij filmjournalist Joyce Roodnat opdraven. Ik kende haar niet, maar kreeg uit de mond van de goedgeconserveerde vijftiger, natuurlijk weer zo’n flowerpowertrut, een lofrede over het werk van Polanski en over de hypocrisie van de VS. Dat laatste klopt en dat eerste betwijfel ik niet, maar dat is nooit een reden om meisjes van dertien te berijden of dit goed te gaan praten. Ze opperde zelfs dat dit meisje op haar achtste al sexueel contact had met volwassen mannen. Ja, mevrouw Roodnat, zolang er mannen zijn zoals Polanski en stomme wijven zoals jij, die dit goedpraten, zullen er in de toekomst nog vaker meisjes van 13, 10 of 8 genomen worden. Ze vragen er gvd zelf om zeker? Ook acteur Jack Wouterse toetert dapper een partijtje pedofiele onzin mee. Die kun je in de toekomst ook lekker vertrouwen als politieman in Grijpstra & De Gier.

Ik begrijp het niet. Goed, de Amerikanen zijn hypocriet, maar meisjes van dertien, daar hoor je als volwassen kerel (of vrouw) van af te blijven. Meisjes van dertien, Paul van Vliet zong het al, te groot voor de poppen, te klein voor de kerels.

 

 

En of het nu Polanski is of iemand anders, dit hoort vervolgd te worden. En ook de context van de jaren zeventig is geen goedpratertje om je botte lusten te verdedigen. Over context gesproken. Meisjes van dertien, je hebt ze ook in Afrika. Meisjes van dertien als remedie tegen AIDS. De wereld is te klein als je dat verdedigt. De onwetende achterlijke Afrikaanse context? Lulkoek. Misdaad is!

Hypocrisie, wie is er nu hypocriet? Of beter gezegd, wie is het niet?

Grote ego’s/Peter R. de Vries & Freek de Jonge. Genieten! 8-11-2008

Vanavond Pauw & Witteman gezien? Ik wel en meteen holde ik naar mijn PC want ik dacht hier zit een stukje in. Twee ego’s gingen met elkaar op de vuist, figuurlijk dan. Peter R. de Vries vs. Freek de Jonge. Twee ego’s van allure, twee intelligente mannen, mogelijk beide (zeer) hoogbegaafd. Het was een stukje prachttelevisie met sterke regie in een live uitzending.

Dominee van zijn eigen mondiale gelijk, Freek de Jonge, mocht vertellen dat hij een oeuvre-prijs gaat ontvangen. Tevens vertelde Freek dat hij als oude man minder issuegericht was, maar meer op meso dan wel macro niveau van het spirituele bewustzijn de wereld beziet. Hij kan meer accepteren dat bepaalde zaken zijn zoals ze zijn en heeft er vrede mee? Dit bewustzijn noemt hij steevast awareness, om het maar eens in goed Nederlands te zeggen. Zijn opponent die non-verbaal al werd bejegend alsof het een grote zak stront was, attaqueerde hij dan ook als vuilnis. Peter R. de Vries had weer nieuws over Joran van der Sloot in zijn befaamde journalistieke misdaadprogramma.

Nu gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat ik de lol van een misdaadprogramma niet begrijp en zeker dat van Peter R. de Vries niet. Ingebed in het commerciële tv gebeuren heeft het iets hijgerigs. Maar wie ben ik om dat voor miljoenen anderen te beslissen. Om met de woorden van Freek de Jonge te spreken, mijn awareness op dit gebied is dat ik accepteer dat het bestaat in de context van de Nederlandse samenleving en binnen die context kan ik er respect voor hebben. Misschien wel meer dan dat, want Peter R. de Vries kan toch niet ontzegd worden dat hij op zijn vakgebied grootste zaken heeft gedaan.

Daar waar Peter R. de Vries luistert naar Freek de Jonge, meent Freek de Jonge zijn opponent te moeten kleineren. Hoe groot kan je awareness zijn denk ik dan? Peter R. de Vries poogt een ordinaire ruzie uit de weg te gaan, maar pareert de misplaatste opmerkingen van Freek wel. Wat moet je ook anders?

Met een maatschappelijk geëngageerd liedje sluit Freek de Jonge af. Nadat hij zich zo kleinzielig had gedragen, sloeg dat liedje als een tang op een varken. Het was helemaal niet meer geloofwaardig.
Toch een prachtige uitzending van Pauw en Witteman dat gevecht tussen twee ego’s. Het verheven morele ongelijk versus het licht ranzige pragmatische gelijk. Graag zou ik kiezen voor de moraliteit, maar als Freek die predikt, dan prefereer ik met graagte voor Peter R. de Vries.

24 uur later even iets van youtube geplukt toen de discussie van man tegen man ging. Jammer dat het domineestukje van de Freek over awareness er niet opstond.

(deze youtubelink is helaas niet meer beschikbaar, dus een soortgelijke link gevonden:

http://www.garagetv.be/video-galerij/greatg/Freek_De_Jonge_gaat_met_Peter_R__De_Vries_in_de_clinch.aspx

Zwarte dag voor Linda de Mol en mijn vrouw/21-12-2007

Het is koud, de langste nacht staat voor de deur en de kerstdagen met verplichtingen komen eraan. Drukte en narigheid alom voor een lading gezelligheid. Maar eerst nog een weekend om bij te komen van het werk. De vrijdagavond is de avond bij uitstek dat de man des huizes gaat koken, ik dus. In mijn geval is dat op de fiets naar de Appie Happie voor wat drinken, koekies en chips en op de terugweg een vette hap halen bij de cholesterolkeet. Vier frietjes speciaal, twee frikadellen speciaal en twee bamischijven. De telefoon gaat, maar die hoor ik amper want de dikke winterjas absorbeert het geluid.  Ik ben te laat. Voordat ik met mijn behandschoende vingers mijn telefoon, volgens mijn nageslacht een ouderwetse koelkast (een Nokia uit 2001), uit de zakken weet op te diepen, rest mij slechts het afluisteren van de boodschap. Mijn vrouw verzoekt me om de nieuwe ‘Linda’ te kopen, kan ze lekker op de bank liggen en een beetje lezen. Begripvol als ik ben, vraag ik aan de beheerder van de friettent om nog even te wachten met de bestelling. Ik moet nog even een boodschap doen. Ten overvloede krijg ik nog een boodschap mee hoe de cover eruit ziet, te weten Linda in bikini. Dit is hard nodig natuurlijk, want de letters Linda zeggen mij natuurlijk niet voldoende en de kans dat ik een oud exemplaar uit de winkel haal is natuurlijk levensgroot. Het vertrouwen van mijn wederhelft om deze specifieke boodschap tot een goed einde te brengen is niet bijster groot, maar haar afhankelijkheid in deze des te meer. Het is immers koud en de behoefte om met een glossy op de bank te gaan liggen is immens.

Bibberig, beladen met anti-Sonja Bakker voedsel en de Linda, krijg ik een warm welkom. De calorieën worden in een recordtempo naar binnen gewerkt, de boel opgeruimd en met de Linda in de hand nestelt wordt de bank bezet door mijn vrouw. Lekker warm, dus laat de koude lange winteravond maar komen.
De coverfoto van Linda is gefotoshopt volgens mijn vrouw. Ze staat er veel dikker op dan ze in werkelijkheid is volgens haar. Eigenlijk vindt ze dat Linda de Mol de wat ronde vrouw er eigenlijk belachelijk mee maakt. Bij nadere beschouwing komt ze er achter dat het hele tijdschrift een grote fakebende is, van onwaarheden, nepinterviews en misleidingen. Dat is ook de opzet van dit nummer van het populaire tijdschrift “Linda”. En dat alles onder het mom van humor. ‘Godverdomme, wat een afzetterij zeg.’ terwijl mijn vrouw het blad naast zich neer smijt. Ik kijk haar verbaasd aan, zeg niets en kijk in het blad. Ik zie het verschil niet met de reguliere nummers van de Linda en zeg dat ook als troost voor mijn vrouw. Dit blijkt niet de juiste troost te zijn, integendeel. Ze heeft het over heuse afzetpraktijken want het blad was ook nog dichtgeseald, zodat vooraf niet een snelle blik geworpen kon worden op de literaire hoogstandjes die er normaliter instaan. ‘Doe niet zo belachelijk, heb ik daar bijna vijf euro voor uitgegeven, staat er alleen maar onzin in en bovendien is die foto op de voorkant een regelrechte aanfluiting voor de vrouw die iets zwaarder is dan al die soepstengels van de Gooise matras!’

Als het over die boeg gegooid wordt, weet ik inmiddels dat zwijgen en begripvol knikken de beste remedie is en dat doe ik dan ook hevig. Ik besef terdege dat haar lange donkere winteravond er een stuk minder prettig uitziet dan ze van te voren had gepland. Mistroostig kijkt ze naar GTST. Ik heb met haar te doen en vraag aan haar of ik voor de gezelligheid mee zal kijken, geheel tegen mij gewoonte in. ‘Nee,’ snauwt ze bijna tegen me. ‘Dan niet, ga ik de krant wel lezen’. Onderwijl mompel ik: ‘Kutwijf………die Linda de Mol.

PAUPERPARADIJS/Suzanna Jansen

 

 

Een paar dagen rust, een aantal nieuwe boeken tot je beschikking en er kan weer gelezen worden. In dit geval ben ik begonnen met Het pauperparadijs van Suzanna Jansen. Als verplichte koop bij een van Nederlandse boekenclubs heb ik het boek gekozen op basis van de foto in combinatie met de tegenstelling ‘pauper’ en ‘paradijs’.

 

Ik had het boek al eerder zien staan, maar recensies had ik niet gelezen. Dat doe ik trouwens zelden, daarom is het eigenlijk bevreemdend dat ik ze wel schrijf. Misschien is recensie ook een te groot woord en zou het eigenlijk boekervaring moeten heten.

Het Pauperparadijs is voor mij beslist geen kat in de zak geweest, integendeel. Deze familiegeschiedenis van Suzanna Jansen begint in 1785 bij de geboorte van Tobias Braxhoofden en gaat door tot het heden, het leven van de schrijfster zelf. Als een rode draad door de geschiedenis van dit familieverhaal is de oprichting en het bestaan van de bedelaarskolonie in het Drentse Veenhuizen en de relatie die de voorouders van Suzanne Jansen ermee hebben gehad en/of nog hebben. Want het is niet voor niets dat journalist Suzanna Jansen Het pauperparadijs heeft geschreven. Familieherinneringen, ook die zaken die eigenlijk niet uitgesproken mochten worden, blijken wel degelijk invloed te hebben op de verschillende familieleden. Schaamte, achteraf beziend waarschijnlijk ten onrechte, over de handel en wandel van bijvoorbeeld de opa van Suzanne Jansen is veelzeggend. Dit heeft de journalist waarschijnlijk verleid om op zoek te gaan naar haar wortels. Zij kwam terug bij de reeds genoemde Tobias Braxhoofden, die zich op 17-jarige leeftijd meldde voor het leger van Napoleon om daarmee Europa in te trekken. Als gelouterd soldaat heeft hij zich ook in het na-Napoleontische tijdperk in de Nederlanden nog een zekere positie verworven. Toch is het misgegaan en heeft hij zich vrijwillig, met zijn gezin, laten brengen naar het toen nieuwe experiment in Veenhuizen dat door ene Johannes van den Bosch is opgestart. De wens om niet langer geconfronteerd te worden met de landlopers in combinatie met het geloof dat heropvoeding hen zou maken tot mensen met een fatsoenlijke status, is de reden van oprichting van de verschillende Gestichten te Veenhuizen. Tobias Braxhoofden was weliswaar bewaker, maar het verschil met de echte landlopers was in de loop van de jaren niet zo groot, de stigmatisering gelijk.

De keus van deze Tobias, vijf generaties terug, heeft tot op de dag van vandaag in zekere zin een hele familiegeschiedenis bepaald. De ouders van Suzanna Jansen zijn de eerste die zich uit de spiraal van armoede en stigmatisering weten te onttrekken. De herinnering echter aan het lijden van hun ouders is echter nog levendig en door het Pauperparadijs te schrijven, zorgt Susanna Jansen ervoor dat de herinnering levendig blijft.

Het boek beschrijft aan de ene kant de familiegeschiedenis van Braxhoofden tot Jansen door de eeuwen heen. Aan de hand van de gangen van de voorouders van de schrijfster krijgt de lezer een prachtig doorkijkje in de sociaaleconomische geschiedenis van Nederland. Nog fraaier is dat de zoektocht naar haar voorouders die na Tobias Braxhoofden altijd in de ban zijn gebleven van het heropvoedingsgesticht Veenhuizen, een plaatje geven van het gewone leven in Nederland met name bij de economische onderlaag en de krampachtige, soms goedbedoelde paternalistische maatregelen van de beleidsmakers van toen.

In dit kader wil ik het boek ‘Zorg en de Staat’ van de socioloog Abraham de Swaan aanhalen die op allerlei gebieden beschavingsoffensieven beschrijft die van bovenaf gestart worden. Hulp aan armen gebeurt maar deels omdat er sprake is van een grote menslievendheid. Hulp aan armen komt pas goed op gang, wanneer het wenselijk is dat armen verheven worden tot ‘fatsoenlijke mensen’ in het belang van de heersende klasse. Of het nu gaat om hygiëne, medische zorg of onderwijs. In het relaas van Jansen zie ik dit in de loop van de familiegeschiedenis duidelijk terug.

Als geïnteresseerde in familiegeschiedenissen, met name de lotsverbondenheid tussen de verschillende generaties, is dit een heel fijn boek. Ook mijn historische belangstelling, zowel sociaaleconomisch als ook op het gebied van mentaliteitsgeschiedenis, wordt in ruime mate met dit boek bevredigd. Verder prikkelde het boek mij om te zoeken naar verschillen en overeenkomsten tussen het heden en verleden op het gebied van zorg aan de onderklasse en outcast in de maatschappij. Op die vraag blijf ik nog broeden voorlopig.
De duidelijke schrijfstijl en goede verbindingen tussen de verschillende hoofdstukken maken het verder een zeer lezenswaardig boek. Een echte aanrader dus.

Rest mij te eindigen waar het boek mee begint:

‘Wij zijn niet dom, alleen maar arm. (…)
Dat is altijd door elkaar gehaald.
het pauperparadijs van Suzanna Jansen

De kikker en de rokende man

Er was eens een doodgewone man in een gewoon land hier niet zo ver vandaan. Het land was meestal vredig, soms niet. Het land was welvarend, hoewel niet iedereen daar de vruchten van plukte. Bovenal het land kenmerkte zich door gelijke rechten voor een ieder. Allemaal heel gewoon dus. In dat land woonde de gewone man samen met zijn bijzondere, maar gewone vrouw en dito kinderen. De man had niets te klagen. Natuurlijk zijn er altijd wel dingetjes die beter, mooier en groter kunnen, maar dat is eigenlijk ook heel gewoon.

In het land is het credo, leven en laten leven. Zo mag de man roken, maar niet in het bijzijn van zijn kinderen. In het begin was dat vervelend, om bij weer en wind buiten je sigaretje te moeten roken, maar och, het went wel. Hij mag tenminste zijn sigaretje roken, zonder dat iemand hier commentaar op heeft.

Zo rookt hij iedere avond een paar sigaretjes in zijn tuin, bij goed weer een paar meer en als het regent wat minder. Het terugtrekken voor een paar minuutjes uit het huiselijke bestaan heeft vaak iets meditatiefs voor de man. Hij kan zich even ontrekken aan  zijn plichten of de drukte van het gezin, zonder dat dit meteen schade oplevert, behalve dan voor zijn longen. Hij denkt dan na over zijn leven of het leven in het algemeen. Soms ook over helemaal niets en dat is ook lekker. Andere momenten zijn er sombere overpeinzingen die weer afgewisseld worden met lichtvoetige gedachten. Vaak fantaseert hij dat hij een groot schrijver is. Want juist bij die korte momenten van rust borrelen soms waanzinnig scherpe ideeën uit het brein van de man, hoe gewoon hij ook moge zijn. Het roken in je eentje, zo ´s avonds in je eigen tuin is net zoiets als de momenten tussen waken en slapen. In luttele seconden ontstaan complete romans. Romans die de beroemde schrijvers in het land doen verbleken. Romans trouwens die nog wel even geschreven moeten worden. Maar de man kent zijn plaats, hij is tevreden met zijn bestaan en blijft dromen, vooral tijdens het roken in zijn eigen tuin.

Maar de man droomt niet altijd tijdens de rooksessie. Hij is dan met heel praktische zaken bezig. Bijvoorbeeld opruimen of het snoeien van een overbodige tak. Hij kijkt dan heel tevreden naar de bloemen en planten in zijn tuin. Bij de verlichting in de avond is de tuin vaak nog mooier dan overdag.

Op een van die observatiemomenten neemt de man een kikker waar. Een grote kikker, bruingrijs van kleur met een duidelijke zwarte structuur van figuren op zijn lijf.
´Hé, een kikker in mijn tuin, dat is grappig.´
Ze komen uit de vijvers van de belendende percelen, waarbij de buren, ook heel gewone mensen, een vijver hebben.
´Wat doet een kikker eigenlijk zo ´s avonds laat nog in een vreemde tuin?’ vraagt de man zich af.
De kikker beweegt zich niet, al zittend met zijn kont tegen de muur van het huis, kijkt het stoïcijns met zijn blik vooruit, of mogelijk met een steelse blik naar de rokende man. En de man kijkt terug met geamuseerde verbazing. Verbaasd omdat de kikker niet beweegt en geamuseerd, ook omdat de kikker niet beweegt.
‘Zou het beestje gewond zijn, of doet het gewoon een wedstrijdje wie elkaar het langste kan aankijken?’
Wie zal het zeggen? De man dooft zijn sigaret en gaat naar binnen.
‘Het is mooi geweest voor vandaag.’

Hij sluit de deur achter zich en vergeet de kikker. Die avond erop, het is mooi weer, dus een aantal sigaretten zullen onder prachtige zomerse omstandigheden geconsumeerd worden. Zolang de zon nog schijnt is er niets aan de hand. Het gewone zomeravond lawaai zorgt ervoor dat de dag nog niet ten einde is, dus voor de man is het roken nu slechts een kwestie van gewoonte en primaire behoeftebevrediging. Maar als het donker is, het geluid dempt, is de nacht in aantocht. De man kan dan van zijn nicotinepauze weer een waar introspectief momentje creëren. Hij gaat op de picknicktafel zitten, pakt zijn aansteker en al zuigend aan zijn sigaret neemt hij een kikker waar. Zomaar een kikker, of de kikker? De man is opnieuw verbaasd.
‘Zo ben je er weer?’ terwijl hij vooroverbuigt om zich ervan te gewissen of het dezelfde kikker is.
Het is ook een bruin beestje met duidelijke zwarte vlekken op zijn rug. Opvallend is dat bij nadere beschouwing het diertje een geprononceerd kontje heeft.
‘Goed voor de Franse keuken.’ is zijn eerste ingeving.
Peinzend blijft hij voorover staan, maar moet toch vaststellen dat hij die avond ervoor niet echt naar het vlekkenpatroon heeft gekeken.
‘Waarschijnlijk is het de kikker van gisteravond.’
Hij springt in ieder geval niet weg, ook niet nu de man met een brandende sigaret tot op een tiental centimeters is genaderd. De man probeert de kikker met zijn vingers aan het schrikken te brengen, maar het beest blijft rustig zitten.
Al is de man een dierliefhebber, maar een kikker daadwerkelijk aanraken, dat gaat hem echt te ver. Dat doe hij maar niet.
Hij loopt weer terug naar de picknicktafel en rookt verder, terwijl hij zich focust op de kikker.
‘Misschien is dit voor hem ook wel een moment van overpeinzing, weet ik veel wat er in zo’n kikkerbrein omgaat?’
De man heeft een nuchter karakter, maar hij sluit niets uit, dus ook niet dat er aanwijsbare argumenten voor de kikker zijn om voor de tweede achtereenvolgende avond met zijn dikke achterste tegen te muur van zijn huis te zitten. Bovendien is het niet normaal dat het beest geen aanstalten maakt om te vluchten zodra een menselijk wezen in zijn nabijheid komt. Nu weet de man dat de kikker niets te vrezen heeft, maar weet de kikker dat ook? In een vredige sfeer van verdraagzaamheid accepteren de rokende man en de kikker elkaars nabijheid. De man heeft de neiging om een praatje te maken, over het weer, over uit welke tuin de kikker komt en over zijn gemoedstoestand. Echter de starende en onbeweeglijke houding van het beest nodigt niet uit tot een losse burenconversatie.
‘Bovendien is het een kikker’ beseft de man bijtijds.
Toch blijft het hem intrigeren, zo’n katatone verschijning, die niet reageert op zijn aanwezigheid.
‘Ben je soms niet goed wijs, autistisch of is er anderszins iets mis tussen je oren?’
‘Heb je sowieso wel oren.?’
Maar die laatste vraag is natuurlijk onzinnig, want het luide gekwaak van zijn soortgenoten elders in de buurt, geven aan dat kikkers elkaar in ieder geval iets te melden hebben. Deze kikker neemt hem blijkbaar niet serieus als gesprekspartner, want ook een beetje kwaken, hoe bescheiden dan ook, heeft de man nog niet waargenomen.
‘Zal ik je eens een geheim vertellen’ meldt de man toegeeflijk, ‘Ik begrijp je eigenlijk wel, want als ik alleen ben, praat ik ook niet in mezelf en zit meestal maar een beetje voor me uit te kijken. Het zou me nogal wat zijn, als ik in mijn eentje hardop ga praten. De buren zullen dan opkijken, want het geluid draagt ver als het donker en rustig is.’
De man kijkt of zijn woorden tot enige toeschietelijkheid bij de kikker leiden, maar niets van dat alles. Met zijn billen tegen de muur, zijn benen in de spreekwoordelijke kikvorshouding en zijn kopje een weinig omhoog gericht, blijft het stil aan de andere kant.
‘Ja, dat geluid ver te horen is, weet jij natuurlijk ook wel, want als kikker kwaak je wat af. Tenminste een gewone kikker, jij blijkbaar niet.’
De man neemt nog een sigaret, in de hoop dat er nog enige verandering komt in de gemoedstoestand van de kikker. Maar nee hoor.
Later op de avond komt hij nog eens terug voor de finale sigaret die dag, maar de kikker blijft op dezelfde plaats zitten en geeft geen enkel teken van leven.
‘Tot morgen dan maar.’

Die dagen erop blijft de kikker komen en de man roken. De man vraagt zich af wat de kikker bezielt, maar kan geen verklaring vinden voor het gedrag van het beestje. De man vindt het wel goed zo, want naast zijn overpeinzingen, lichtvoetig of zwaar, zijn ideeën, briljant of zomaar een losse gedachten, richt hij zich nu op de kikker, zijn kikker bijna. Hele conversaties voert hij op, alsof de kikker een gelijkwaardige gesprekspartner is. En al reageert het beest nog steeds niet op zijn woorden of bewegingen, het feit dat hij terug blijft komen is natuurlijk al mooi.

Op de zesde dag, als de kikker zich al lang heeft geïnstalleerd, komt de man wat later dan gewoonlijk.
‘Sorry hoor, ik had vanavond een afspraak buiten de deur, dus ik kon niet vroeger, maar goed ik ben er.’
Hij pakt gewoontegetrouw zijn sigaretten en zoekt naar de aansteker. Als de man op zijn vertrouwde plek zit, de picknicktafel iets dichter naar de kikker toegeschoven, blaast hij pesterig wat rook naar het beest.
‘Nog steeds geen beweging, volgens mij heb je een missie, want die standvastigheid is bijna bovennatuurlijk, volgens mij wacht je op je liefje, niet waar?’
Heel even, een fractie van een seconde lijkt het kopje van de kikker te bewegen. De rokende man ziet het gebeuren en beseft dat er een verandering, hoe summier ook, is opgetreden in hun vreedzame co-existentie.
‘Zag ik je bewegen?
‘Bracht ik je soms in verlegenheid toen ik over een liefje begon?’
De man begon te lachen, hij moest er zelfs van heel hard van hoesten, daarbij angstvallig kijkend naar het huis van de buren..
Dan denkt hij aan het sprookje van de kikker, die gekust moest worden en dan verandert in een mooie prins. De kussende vrouw is natuurlijk ook prachtig en meteen worden ze verliefd en ze leefden nog lang en gelukkig.
Maar dat is alleen in sprookjes en bovendien gelooft de man niet in sprookjes. Vroeger als kind natuurlijk wel, maar dat is al lang geleden.
‘Of ben je misschien toch stiekem een prins’ lacht de man.
En weer, nu voor de tweede keer, is er een kleine beweging bij de kikker waar te nemen, alsof het via die minieme bewegingen toch pogingen doet om te communiceren. Maar zo pakt de man het niet op. Integendeel. Hij vertelt de kikker dat als hij echt een prins is, hij pech heeft. Pech omdat de man eigenlijk geen kikkers wil aanraken, laat staan kussen.
‘De idee’ zegt de man nu hardop, ‘en al zou ik in sprookjes geloven, wat moet ik met een man, laat staan een prins.’
Wederom een schaterlach. Het geluid draagt tot ver in de omtrek, maar brengt ook een reactie bij de kikker teweeg. Het diertje neemt een paar pasjes, draait zich om en gaat weer stil zitten op de plek die hij zojuist verlaten heeft met een klein verschil. In plaats van zijn kontje tegen de muur te schuren, kijkt hij nu naar de muur en de kikkerbillen zijn nu duidelijk zichtbaar voor de man. Het lijkt wel of de kikker zwaar beledigd is en zijn billen toont om uiting te geven aan zijn ongenoegen.
‘Sorry hoor, nu moet je je niet beledigd voelen, ik val nu eenmaal niet op mannen. Ik ben gewoon getrouwd met mijn vrouw, daar past geen prins bij vind ik.’
Misschien dat de echtgenoot van de man het wel leuk zou vinden, maar daar wil de gewone man maar niet aan denken. Wel realiseert hij zich dat ook bij kikkers het fenomeen mannetjes en vrouwtjes bestaat.
‘Misschien ben je wel een vrouwtjeskikker?’
De man beseft dat een innige knuffel met de kikker dan heel andere mogelijkheden biedt. Hij ziet een mooie prinses voor zich. Jong, dartel en bovenal met een enorme toewijding naar hem, omdat hij haar immers heeft wakker gekust.
Het leven zal er beslist heel anders uit gaan zien, maar zal zijn echtgenoot het zo grappig vinden. De man weet wel zeker van niet.
‘Nee, kleine prinses van mij, ik zal je niet kussen. Ik ben niet gek en ik geloof niet in sprookjes.’
Weer beweegt de kikker een beetje. Het wipt een beetje op en neer en schudt bijna elegant met zijn ietwat dik uitgevallen billetjes. Alsof het de man wil verleiden om het onmogelijke toch te proberen. Het mag niet baten.
Terwijl de man nog een sigaret opsteekt, probeert hij te achterhalen hoe de prinses eruit zou zien. Een donkerharige dame, misschien wel met een getinte huid, de kikker is immers ook bruin. Al rokend visualiseert hij zich een droom van een dame, maar bij iedere teug verandert het beeld van zijn gedroomde prinses.
Er zijn immers zoveel mooie vrouwen weet de man. Hij herinnert zich de wijze woorden van zijn vader nog.
‘Hoe zei hij dat ook al weer? Een mooie vrouw is als een schilderij, de compositie moet kloppen, maar je kunt liefhebber zijn van veel stromingen in de schilderkunst.’
Met de laatste teug van zijn sigaret komt de man weer terug bij de realiteit en gaat naar binnen, naar zijn eigen compositie. Hij heeft niet eens door dat de kikker gelijktijdig met hem vertrekt.

De volgende avond is het druilerig weer. Hoewel het niet koud is, nodigt de gestaag vallende regen niet uit tot veel roken. Bij het schemerdonker bemerkt de man dat hij alleen is.
‘Och, mijn prinsesje zal straks wel komen’ stelt hij zichzelf gerust.
Maar later op de avond, geen spoor van de kikker. De man gaat verderop kijken of het beest een andere plek heeft uitgekozen voor zijn overpeinzingen. Maar nee, de kikker is niet gearriveerd. Met een lichte weemoed sluit hij die avond de deur van zijn huis. Een beetje mist hij zijn kikker, zijn kleine droomprinsesje wel, al kenden ze elkaar nog niet zo lang.
Die dag erop vertelt hij zijn vrouw en kinderen aan het ontbijt dat hij al zes dagen op rij een kikker als gezelschap heeft gehad bij het roken in de tuin.
‘Maar gisteravond was hij weg en ik mis het beestje wel een beetje.’
Hij vermeldt maar niet dat hij in zijn overpeinzingen gedacht heeft te maken te hebben met een heuse knappe prinses. Ze zouden hem beslist uitlachen. De man accepteert het verlies van zijn gesprekspartner en gaat over tot de orde van de dag. Een aantal uren later neemt hij een rookpauze, dit maal aan de voorkant van zijn huis. Daar vleit zich op een klein bankje, genietend van de warme middagzon en zijn sigaret.

In de verte ziet hij twee mensen aankomen. Als ze hem naderen, bemerkt hij dat het de buurman van een straat verder op is. De buurman is op zijn paasbest gekleed. Normaliter loopt de man er ongeschoren bij en heeft hij absoluut geen aandacht voor zijn kleding. Meestal draagt hij versleten slobberkleding, grote werkmansschoenen en heeft hij ongekamde haren.. Zijn verschijning is waarschijnlijk de reden dat de buurman een notoire vrijgezel is. Het feit dat hij nu zo netjes gekleed is, heeft overduidelijk een reden. Want naast hem loopt een dame, en niet zomaar een dame. Een grote struise donkere dame met prachtige afrolvlechten, een puntgaaf vrolijk en open gezicht, waarin een brede glimlach te voorschijn komt bij ieder woord van de buurman. De vrouw is gekleed in een zomerse jurk die nauwsluitend om haar lichaam zit. Haar borsten mogen er zijn, maar vooral haar billen komen op een prachtige geraffineerde wijze uit in haar kleding. Het zijn prachtige stevige billen die met bevalligheid getoond worden, zoals alleen donkere vrouwen hun achterste met trots aan de wereld laten zien. Ook al zijn die billen volgens de norm aan de forse kant.
De man staat aan de grond genageld bij het zien van de schoonheid en dan nog wel in gezelschap van de morsige buurman. Een ongeloofwaardige combinatie die komt aangewandeld.
‘Goedemorgen’ zegt de buurman opgewekt.
‘Hallo’ zegt de donkere dame met een sensuele klank in haar stem, terwijl ze de rokende man indringend aankijkt.
De man kan amper iets terugzeggen, en zijn tegengroet lijkt meer op een paar gorgellende en kwakende keelgeluiden.
Het tweetal loopt verder. Op het moment dat de man het volledige zicht heeft op de billen van de mooie vrouw, kijkt ze achterom. Ze geeft haar mooiste glimlach, pakt haar partner stevig bij zijn arm en schudt, heel even maar, met haar magnifieke billen in het volle besef wat voor effect dat heeft op de starende man. Nog een keer kijkt ze achterom. Dan ziet ze dat de man een kreet onderdrukt. Een kreet veroorzaakt door een brandende sigaret die doorsmeulde terwijl de man met open mond naar de zwarte Madonna staarde.
Het stel loopt verder, terwijl de man de peuk weggooit en zijn geblesseerde vingers ter afkoeling in zijn mond stopt.
‘Ik moet maar eens stoppen met roken, daar komen alleen maar rare gedachtekronkels van.’

Dorus de Binnenboel

De moderne man! Die bestaat niet, die wordt slechts door zichzelf gecreërd. Een verhalenreeks voor de komende maandagen.

De stilte die Dorus ervaart bij binnenkomst in zijn eigen huis, voelt aan als een warme en behaaglijke deken. Na de hectiek van de ochtendstart is het gereutel van het koffiezetapparaat en het omslaan van een bladzijde van de ochtendkrant het enige geluid dat die stilte doorbreekt. Dorus absorbeert met graagte het nieuws uit binnen- en buitenland, leest de achtergronden en commentaren, is tot op zekere hoogte geïnteresseerd in cultuur en ook de sportbijlage mag zich in zijn belangstelling verheugen. Dorus schermt zich af van zijn eigen kleine buitenwereld door zich onder te dompelen in het grootse wereldgebeuren.

Meestal, na een klein uurtje zichzelf opgelegde quarantaine, dient langzaam maar zeker de dagelijkse realiteit zich aan. Dorus kijkt om zich heen en mompelt:
“Ja, nu moet ik aan de slag.”
Nog even vlucht hij in een ongelezen artikel en bekijkt de dagelijkse column, maar de echte aandacht is weg. Schuldgevoel knaagt aan hem. Vertwijfeld kijkt hij nog eens rond:
“Waar zal ik eens beginnen?”
De ochtendstart van de overige gezinsleden heeft zijn tol geëist ten aanzien van de properheid in het huis. Vandaag is het de dag van Dorus om enige orde in de chaos aan te brengen.
“Maar ik moet ook aan mezelf denken.”
Dorus is heel goed in het vinden van uitvluchten om de huishoudelijke taken uit te stellen.
“Eigenlijk heb ik zin om een verhaaltje te schrijven.”
Maar door de input van de kranten weet Dorus dat het geen vrolijk verhaaltje gaat worden.
“Weltschmerzen, doorwrocht met venijnige uitspraken en een diarree aan veel te moeilijke woorden zullen het resultaat zijn” doceert Dorus zichzelf, “eerst nog maar eens een sigaret roken.”

Twee sigaretten verder en na het opstarten van de computer om de post te checken, blijft de weerzin om aan de slag te gaan het voorlopig winnen van het verantwoordelijkheidsgevoel.
Dorus mijmert nog even verder als hij bruut opgeschrikt wordt door de telefoon.
“Shit te laat” zegt hij als na vijf keer overgaan de onbekende beller waarschijnlijk met de ‘elektrische Miep’ aan het converseren is.
Even later gaat de telefoon opnieuw en nu neemt Dorus meteen op.
“Dorus.”
…………..
“Hoi, nee, niets bijzonders. Ben druk bezig met de keuken.”
…………..
“Ja, dat doe ik vanmiddag, ik ga toch nog naar de supermarkt.”
…………..
“Ik van jou, tot vanavond.”

Dat was Dora, zijn vrouw. Dora belt regelmatig op vanuit haar werk om nog even een boodschap door te geven die door het rennen en vliegen die ochtend mogelijk vergeten is.
Dorus kijkt mismoedig naar buiten waar de lentezon langzaam maar zeker de mist laat verdwijnen.
“Nog een sigaretje en dan begin ik.”
Met flinke teugen hijst hij aan zijn sigaret. Dorus moet aan zijn moeder denken en in zijn gedachten hoort hij haar zeggen:
“Niet van dat slappe Dorus, gewoon de handjes laten wapperen, het moet toch gebeuren.”
Zijn moeder is een zorgzame vrouw die veel voor een ander over heeft, maar aan zeuren heeft ze een broertje dood. Ook als zwaarmoedigheid of tegenslag hieraan ten grondslag ligt, heeft ze geen oneindig mededogen.
“Och, iedereen heeft wel eens wat, morgen is alles weer anders.”
Zijn moeder praatte nooit over psychisch leed in welke vorm dan ook, ze was hard voor zichzelf. Het kleine leed van anderen, zelfs van haar eigen kinderen, heeft ze daarom ook nooit echt kunnen accepteren. Je moest gewoon doorgaan.
“Van hard werken is nog nooit iemand doodgegaan.”
“Arbeid adelt zeker” zegt Dorus, alsof zijn moeder naast hem zit.
Er komt geen antwoord.
“Arbeid adelt” mompelt hij nog een keer en staat dan resoluut op.
“Aan de slag, arbeid adelt.”
“Aan de slag, arbeid adelt.”
In een gelijkmatig tempo blijft Dorus die zin herhalen, alsof hij een eigentijdse raptekst repeteert. Een tekst voor in de huishouding participerende vaders.
Terwijl Dorus een passende CD uitzoekt om het adelend vermogen kracht bij te zetten, blijft hij rappen. Toch kiest hij met overtuiging voor een verzameling van Franse chansons uit vroeger tijden.

Terwijl Dorus de badkamer ter hand neemt, schalt door het hele huis de donkerbruine stem van Gilbert Bécoud die zijn liefde voor Nathalie wereldkundig maakt.

La place Rouge était vide,
Devant moi marchait Nathalie
Il avait un joli nom, mon guide
Nathalie

 

De herkenbare stukken tekst zingt Dorus mee, hij wordt er erg vrolijk van. Franse chansons doen hem altijd denken aan vakantie en ‘joi de vivre’. De koude winter die Bécaud bezingt in het toenmalige Moskou ten spijt, Nathalie geeft hem vleugels. Zeker als de bak violen op de achtergrond overgaat in een temperamentvolle Russische melodie. Dorus wordt bijna manisch met stofdoek, zeem en een chemisch geurend schoonmaakmiddel. Ook de collega’s, die na Bécoud de CD vullen, verhogen de positieve poetsdwang van Dorus. Charles Aznavour, Frida Boccara, Gérard le Norman en Julien Clerc passen uitstekend bij de gemoedstoestand van Dorus. Zelfs de Griek Demis Roussos, die een Frans moppie muziek ten gehore brengt, doet daar geen afbreuk aan.
Dorus komt weer tot zinnen als het bekende ‘Paroles, Paroles’ van Dalida aan de beurt is.
“Woorden, woorden.” vertaalt Dorus de tekst.
Het zijn de woorden en vooral de verkeerde combinaties ervan die Dorus soms in melancholische en apathische stemming kan brengen. Constructen van woorden, zinnen die hem afhouden van de noodzakelijke discipline. Discipline die het leven van hem vraagt en die hij op zijn minst kan billijken.

Zijn moeder heeft dus toch gelijk.
“Arbeid adelt zeker” constateert Dorus.
Als dan ook nog Demis Roussos zingt “Si j’etais roi de la terre’ concludeert Dorus tevreden.
“Et pour le moment, je suis le roi de mon propre maison.”
Of is het nu maison propre. Voor Dorus maakt het die ochtend niet meer uit, de huishouding heeft zijn therapeutische werk gedaan.

Wandelen rond de hoogmis. Pauluskerk te RAALTE

Waarom gaat een mens naar de kerk? In mijn geval om een blogje te schrijven. Maar zult u misschien denken, waarom dan niet naar een tentoonstelling, of schrijven over het leven van je tante Truus of over de politiek in het algemeen. Dat doe ik ook wel, misschien met uitzondering van het leven van tante Truus, maar de kerk heeft mijn belangstelling vanwege mijn mild liberale katholieke opvoeding in combinatie met belangstelling voor de rol van het geloof in de hedendaagse maatschappij en natuurlijk het schrijven an sich is een belangrijke motivator.

Waarom andere mensen gaan? Ik kan er vele redenen voor bedenken, zowel positieve als negatieve.  Maar ik denk dat voor de meesten, op zijn of haar manier, de kerkdienst een meditatief momentje is. Een punt van bezinning, al dan niet in gesprek en/of contact met God, uitgaande van het katholieke geloof. Na voor de derde keer een kerk bezocht te hebben, ga ik nu al genieten van het meditatieve karakter van de serie ‘Wandelen rond de hoogmis’ en dan niet alleen in de kerk, maar ook de weg ernaar toe.

In dit geval is de dienst in de kerk waar ik jarenlang parochiaan was en waarvan ik niet eens zeker weet of uitschrijving uit de gemeente Raalte ook betekent dat ik bij de Pauluskerk ben uitgeschreven.

Pauluskerk vanaf de straat waar mijn ouderlijk huis staat

De kerkgang

De weg naar Raalte kan ik uiteraard dromen want het is nog steeds de plaats waar mijn ouderlijke huis staat, inclusief het toebehoren, een gezonde vader en moeder. Zij wonen op zo’n 200 meter van de kerk. Op de vroege zondagochtend is met een beperkte overschrijding van de maximumsnelheid de afstand in 40 minuten te overbruggen. Uiteraard met de radio op het eerste net. Om acht uur begon het programma ‘Vroege Vogels’ hetgeen iedereen kent, maar volgens mij slechts een beperkte groep ook daadwerkelijk beluistert. Geheel ten onrechte kan ik u nu zeggen, want in de auto (mijn eigen oude Volvo 850) met de radio aan, is het programma ‘Vroege Vogels’ al een meditatief moment op zich. Het programma, dat muzikaal ondersteund wordt door licht klassieke muziek, waarbij vooral de klavecimbels opvallen, brengt je in de wereld van de natuur, terwijl de grote boze buitenwereld mijlenver weg lijkt. De lente is in aantocht, dus uiteraard gepaste aandacht voor allerlei lentekriebels. Een rapportage over de Europese bizon (wisents) gaat over twee jonge stiertjes die overgeplaatst worden naar een andere kudde om inteelt te voorkomen. Het gaat verder over de vogeltrek, waarbij op kundige wijze melding wordt gemaakt over succesvogels en pechvogels. De ene vogelsoort doet het namelijk beter met de veranderende klimaatomstandigheden dan andere soorten. Ook de balszang van de vink komt ter sprake, de zogenaamde vinkenslag. Ik wist niet dat dit zo heette, maar goed, de winter zorgt ervoor dat het mannetje de typerende lokroep een beetje verleerd is. De lente zorgt ervoor dat die kunde weer bijgeschaafd wordt en zo niet, dan geen vrouwtje volgens mij.

Voor ik de auto uitstap gaat het over ‘Earth hour’ waarbij mondiaal stil wordt gestaan bij de zorg voor de Aarde. Een uur lang worden eind maart de lampen, ook van belangrijke gebouwen, uitgedaan.  Deze wereldse boodschap gaat geruisloos over in de soortelijke kerkelijke boodschap van het rentmeesterschap.

Vandaag dus in de Pauluskerk te Raalte.

 

De Pauluskerk in Raalte

Er kan ongetwijfeld veel gezegd worden over de bouw van de Pauluskerk, maar ik laat het bij de stichting ervan in de jaren zestig. Toentertijd was het een zeer modern gebouw en in feite is dat nog steeds het geval. Het is de kerk waar ik mijn Eerste Heilige Communie heb gedaan en ook het Vormsel heb ondergaan. De kerk waar ik twee jaar misdienaar was, parochieblaadjes wegbracht en zelfs omwille van de liefde, zitting nam in het kerkkoor, hoewel mijn zangkwaliteiten nooit als zodanig opgevallen zijn. Nu nog steeds niet. Het is ook de kerk die vanaf het tuinpad van mijn ouders meteen te zien was en iedere ochtend om kwart voor acht van zich liet horen als aankondiging van de mis om acht uur. Om klokslag half negen was de dienst klaar en konden de misdienaars op tijd naar school. Na mijn twaalfde ben ik er met uitzonderingen zoals kerst of een begrafenis, niet meer geweest.

Volgens mij zijn mijn ouders ook zelden meer in die kerk geweest, zeker mijn vader niet na de clash met de pastoor na mijn eerste communie in 1974. (zie ook onderschrift foto) Lange tijd is hij met hoogtijdagen naar de abdijkerk Sion geweest, met ons af en toe in zijn kielzog.

Mei 1974, het ultimieme doel is bereikt, de eerste heilige communie een feit voor Sprakeloos (vierde kind van links, zittend op de onderste rij). De festiviteiten kunnen beginnen en de cadeau’s uitgepakt. Die ochtend heeft zich buiten mijn belevingswereld nog een klein drama voorgedaan. De ouderparticipatie is door mijnheer pastoor ingetrokken. Toen vader Sprakeloos bij de evaluatie verhaal wilde halen, was hoon zijn deel, ook van vele andere ouders. De autoriteit van het kerkelijk gezag was toen nog onfeilbaar, dus niet aan kritiek onderhevig.

 

 

Vier jaar later, het Vormsel. Sprakeloos is het derde jongetje van rechts. De twee heren naast hem waren ‘concurrenten. Alle drie wilden we vereeuwigd worden bij het meisje met de blonde haren en het witte ‘holly hobby’ jurkje aan. Ze stond precies achter ons, totdat de compositie op gezag van het hoofd van de school veranderd werd. Er moest nog een laatkomer tussen. De concurrentie om de aandacht van haar te krijgen heeft overigens goede vriendschap toen nooit in de weg gestaan. 

De viering

 Ik was deze keer ruim op tijd. Voor mijn gevoel was de kerk kleiner dan ik in gedachten had en uiteraard ook minder vol dan op de zondagen in vroeger tijden. Ik schat een man of tachtig, hoofdzakelijk vijftigplussers. Bekenden zag ik in de ouders van een vroegere schoolvriend. Ze zagen of herkenden mij niet. De kerk is weliswaar een ontmoetingsplaats, maar het ging mij te ver om even uit mijn bank te lopen en de mensen de hand te schudden. Het had waarschijnlijk best gekund, want in de tien minuten die restte tot aan het begin van de dienst, leek het op een rustige reünie waarbij men elkaar nog even het laatste nieuws doorgaf. Gezien de hoeveelheid mensen zorgde dat voor een gezellig geroezemoes.

Op de site van de Pauluskerk schrijft pastor Astrid van Engeland over ‘Verborgen Geloof’, waarbij ze aangeeft dat geloven niet alleen met kerkgang heeft te maken en dat  niet gaan zeker niet slechter hoeft te zijn. Tijdens de catecheselessen van Mijnheer Pastoor op de Paulusschool, begreep ik dat hij daar beslist heel anders over dacht.

Om negen uur begon de dienst met pastor Astrid van Engeland en nog een mevrouw. Zij werden gevolgd door een misdienaar en een misdienette. Een luxe in deze tijd. Ik bekeek mijn oude beroepsgroep met belangstelling en moet constateren dat de aanwezigheid van deze jongelingen een levendige choreografie met zich meebracht die er voor zorgde dat er ook wat te kijken was voor de minder meditatief ingestelde kerkganger.

Een van de pastors ging in op de vertelling van De Verloren Zoon. Zij legde de kerkgangers uit dat dit verhaal gezien moest worden als een parabel waarbij je je altijd een voorstelling moet maken welke rol jij speelt in het geheel. De jongste zoon, die na het hoeren en snoeren, terugkomt bij zijn vader. De hartelijk ontvangende vader, die zonder nadenken zijn vreugde over de terugkeer prefereert boven een arsenaal aan verwijten of de oudste zoon die is gebleven voor de zekerheid en de verwachting alles te krijgen van de vader. Zij stelt de vraag of in de kerkzittende katholiek per definitie een beter katholiek is dan de zogenaamde ongelovige. Wie mag of moet daar over oordelen, vraagt zij zich af. Daarmee is het verband gelegd tussen de Bijbeltekst en het verhaal op de site van de kerk.

Boven het altaar hing een schilderij. Ik vond het niet mooi, maar het bleek een wisselende tentoonstelling te zijn, dat wil zeggen iedere week wordt er stil gestaan bij bepaalde details van het schilderij. Het blijkt om een Hongerdoek te gaan. Ik kende het begrip niet, maar gedurende de vastentijd zal stil worden gestaan bij de klimaatveranderingen en de gevolgen voor met name de allerarmsten in Afrikaanse landen. De parochie in Raalte richt zich op boerengezinnen in het Afrikaanse Malawi.

De uitleg van vandaag ging over de mensen aan de tafel. De tafel staat symbool voor de Aarde. De mensen komen uit alle windstreken en zullen samen moeten delen. Opvallend is de vogel in de hand van derde persoon, een Chinese man. Hij heeft een geluksvogel in zijn hand. En daarmee is de link al snel gelegd met het Aardse meditatieve moment op weg naar de kerk waar het ging over pech- en succesvogels, maar vooral ook over de zorg voor de Aarde.

 

Het hongerdoek

Als zeer vroege vogel op weg naar de Pauluskerk, word ik maar liefst op twee manieren gewezen op de zorg voor de wereld om ons heen. De eerste keer op een wereldlijke manier, de tweede keer via de kerkelijke weg. Qua intentie en bedoelingen is hierin voor mij geen verschil te ontdekken. Ik geloof, in beide boodschappen.

 De terugweg.

Uiteraard te voet tot aan mijn ouderlijke huis voor koffie en koek en met de belofte dat mijn ouders erg nieuwsgierig zijn naar het verslag dat zij zullen lezen op maandagochtend, neem ik afscheid. En uiteraard de verzekering dat ze het groene beoordelingsknopje boven aan de tekst zullen indrukken. Onderweg naar huis was er een documentaire over de Zusters van Liefde in Velp. De, inmiddels, dames op leeftijd vertelden over van alles en nog wat tijdens hun verblijf bij de zusters en vooral over de totale afwezigheid van iedere vorm van liefde. Er was geen sprake van seksueel misbruik, maar het heeft iets bevreemdends dat opvoeding en scholing in handen werd gelegd van groepen mensen die in veel gevallen ver weg stonden van de maatschappelijke werkelijkheid. Kinderen die niet meer hadden misdaan dan wees worden of mogelijk ongewenst zwanger worden, werden met jarenlange militaire tucht benaderd. Andere tijden zullen we maar zeggen, maar geldt dat ook voor de nieuwste feiten over misbruik.

Ook in de Pauluskerk is tijdens de dienst stilgestaan bij de seksschandalen in het land.

Overpeinzing

Hoe anders is een dienst die gedaan wordt door leken? Daarmee wil ik alle goedbedoelde pastoors en kapelaans niets te kort doen. Maar wordt de verantwoordelijkheid voor het reilen en zeilen in een kerkgemeenschap niet veel meer bij het individu en de gemeenschap zelf gelegd. Is een wereldse kijk niet de voorwaarde om over het zielenheil te kunnen waken. Is de kans op uitwassen niet minder door die gezamenlijke verantwoordelijkheid?

 

PS. Voor de goede orde, als misdienaar, koorknaap of gewoon kerkganger heb ik nimmer slechte ervaringen gehad met welke kerkelijke dienaar of gezag dan ook. Hoewel ik toen al ‘theologische’ geschillen ontwaarde met bijvoorbeeld de pastoor, heeft dit voor mij nimmer geleid tot enige vorm van onheuse bejegening.

Andere wandelingen:

Hoe het begon; H. Remigius, Duiven; Andreasparochie, Groessen; Pauluskerk, Raalte; Abdij Sion, Diepenveen; Werenfriduskerk, Westervoort ; St. Antonius Abt Parochie, Loo; St. Stevenskerk, NijmegenMartinuskerk, Twello ; St. Mary -Star of the Sea Church, Hasting (GB); Ned. Herv. Kerk, Achlum; Kölnerdomkirche, Keulen; Stephanuskerk, Borne ; Vrij Katholieke Kerk ChristusPantocrator, Raalte, Stephanuskerk, Heel

AFRIKA/Jan Brokken

Eerder kwam ik met een boek van Jan Brokken in aanraking, te weten Mijn kleine Waanzin. Met veel plezier gelezen. De Indische achtergrond van de familieleden van Brokken is mogelijk de oorzaak van zijn belangstelling voor de tropen en/of Afrika. Wat de psychologische achtergrond van Jan Brokken ook is, hij heeft een lezenswaardig boek geschreven. Hieronder volgt mijn beoordeling, je mag het een boekbespreking noemen.

Voor allen die in het Afrikaanse continent geïnteresseerd zijn, en dan met name West Afrika, is het boek van de auteur Jan Brokken een echte aanrader. En zeker voor hen die Afrika nooit aan den lijve hebben meegemaakt of zullen meemaken, kan zich mee laten sleuren in de ziel van Afrika. Een ziel die wordt beschreven vanuit alle ingrediënten die de Afrikaanse ziel compleet maakt, geschiedenis, geloof (christendom, animisme, islam en de combinatie van de drie), het koloniale verleden en zijn neokoloniale opvolger.
Al deze ingrediënten worden gemengd tot een aantal ‘Afrikaanse gerechten’ want wat Jan Brokken heel duidelijk weet over te brengen is het feit dat van één Afrikaanse ziel geen sprake is. Landen verschillen onderling sterk en zelfs binnen een land zijn er grote verscheidenheid. Dit kunnen de geografische mogelijkheden zijn, de wijze waarop het gekoloniseerd is en de interne (politieke) machtsstrijd tussen de verschillende stammen, al dan niet voortvloeiend uit het aloude machtsevenwicht van voordat de Europeanen kwamen.

Vanuit ‘Verwegistan’, in dit geval Europa, zetelend op een comfortabele stoel moet ik constateren dat de neiging bij mij bestaat om alles maar op één hoop te gooien, het ‘uniforme’ donker Afrika. Rationeel weet ik natuurlijk beter, gezien de (burger)oorlogen in veel Afrikaanse landen, maar tot mijn schaamte moet ik constateren dat ook ik heimelijk uitga van het standaardbeeld, arm, zwart en afhankelijk van het Westen. Onder de huidige politieke omstandigheden is dat in materiële zin misschien het geval, immaterieel is dat veel minder dan ‘wij’ denken. In al zijn boeken laat de auteur zien dat er door de intelligentsia en politiek leiders, weliswaar vaak in Europa gestudeerd, een eigen weg wordt gezocht. De eigen weg blijkt dan veel vaker te stoelen op oude gebruiken en conventies die voor Europeanen, hoe lang ze ook al domineren in Westelijk Afrika, onbegrijpelijk zijn. Het is bovendien de vraag of die Europeanen al een poging wagen om de ratio van Afrikanen te doorgronden.
Conventies, of ze nu van Afrikaanse snit zijn, een koloniale achtergrond hebben, gebaseerd zijn op hedendaagse maatschappelijke verhoudingen of een mengeling van alle drie, altijd spelen persoonlijke motieven een rol in het handelen van een individu. Het maakt dan niet uit of die individu uit Burkino Faso komt of als koloniaal, zakenman of hulpverlener uit Europa. Over deze persoonlijke verhalen in de verschillende Afrikaanse landen heeft Jan Brokken aandacht, zowel in het heden, als ook historische figuren worden van hun menselijke kant belicht. Een overkomst hebben ze echter allen, gewild of ongewild hebben ze allemaal met Afrika te maken. Hun individuele geschiedenissen worden bezien vanuit de Afrikaanse context.

Het is al even aangegeven, eigenlijk is het niet één boek, maar meerdere boeken en/of verhalen die op meerdere tijdstippen zijn uitgegeven en veelal gebaseerd zijn op verschillende reizen.
Het eerste boek ‘Zaza en de president’, in mijn optiek het meest verhalende, speelt zich af in Burkino Faso. De ik-figuur krijgt een alarmerend bericht van zijn partner die als hulpverleenster werkzaam is in een van de armste landen van de wereld. Zonder duidelijke aanwijzingen gaat hij haar zoeken, terwijl hij nota bene de verkeerde aanwijzingen krijgt van de vertegenwoordigers van de hulpverleningsinstantie ter plekke. Naast de persoonlijke belevenissen, de warmte en droogte, gebrek aan alles, moeilijkheden tijdens het reizen en vooral de verhalen en het handelen van de inwoners van het land, is ook de individuele band met zijn partner (en Afrika) voortdurend het onderwerp van schrijven. Al deze ontmoetingen in bars, nachtclubs, hotels of in de verlatenheid van de woestijn geven een prachtig beeld van de situatie van dat moment in het Afrikaanse land (medio jaren tachtig van de 20e eeuw.) De wijze waarop hij bejegend wordt door de verschillende mensen geeft bovendien de sfeer van revolutie aan. Een revolutie die vooral gekenmerkt wordt door anti-Westerse sentimenten, maar op andere gebieden wordt tegelijkertijd de afhankelijkheid en de interne tegenstellingen aangetoond. Hoewel er met geschiedkundige feiten wordt gewerkt en het veel weg heeft van een spannend reisverhaal, leest het als een roman. Volgens mij is het ook als zodanig bedoeld.

Het tweede boek is in dagboekvorm geschreven en geeft de kijker meer achtergrondinformatie over het eerste boek en de belangrijkste figuren zoals die daarin beschreven zijn. Hun handelen wordt bezien vanuit in meer beschouwelijk perspectief en nadrukkelijker gerelateerd aan de dan bestaande politieke situatie. Ook wordt andermaal een bezoek gebracht aan Burkino Faso en gesproken met bekenden van de ik-figuur en zijn partner Zaza. Hoewel Jan Brokken aangeeft dat hij zijn eerste boek al bij de drukker heeft liggen op het moment dat hij opnieuw naar Burkino Faso gaat, lijkt het ook een soort verantwoording te zijn naar de lezer. In dit deel is de rode draad van het boek het leven en de lotsgeschiedenis van de president Thomas Sankara en diens politieke vriend en latere moordenaar Blaise. De titel van het tweede boek is niet voor niets ‘De moordenaar van Ouagadougou.’

‘Een basiliek in het regenwoud’, het derde boek, legt Ivoorkust in de schijnwerpers. Het is een veel optimistischer boek, maar evenzogoed onmiskenbaar Afrikaans. De toenmalige president Félix Houphouët-Boigny, regeert het land als een soort ‘ouderwets’ stamhoofd met gedegen kennis van de Europese waarden en normen. Met deze combinatie weet hij verhoudingsgewijs veel stabiliteit in het land te brengen. Dit is ook mogelijk door de rijkdom aan grondstoffen die voor een substantieel deel ook bij de bevolking van Ivoorkust terecht komt. De rijkdom vanuit dit land trekt ook velen uit omringende landen aan om een graantje mee te pikken. Het mag vanzelfsprekend zijn dat dit niet zonder gevolgen blijft. Desondanks genoot de president van Ivoorkust veel gezag en kon hij hierdoor zich ook zaken permitteren die in Westerse ogen misschien compleet belachelijk zijn. Het meest extravagante voorbeeld is de bouw van een basiliek midden in het oerwoud in het geboortedorp Yamoussoukro. De basiliek moet een kopie worden van de Sint Pieter in Rome. Het moet een stad worden die de toch al moderne hoofdstad Abidjan moet doen verbleken.

Ondanks het ogenschijnlijke belachelijke van deze onderneming slaagt Brokken zijn Westerse lezer ervan te overtuigen niet, of hooguit mild te laten oordelen over de president. Feiten, historie en vooral de culturele achtergrond worden daarbij nadrukkelijk gebruikt om deze Afrikaanse rationaliteit te begrijpen.
Het restende deel van het ruim vijfhonderd bladzijdes tellende boekwerk geeft een mooie combinatie van historische feiten omtrent ontdekkingsreizigers, zendelingen en hulpverleners en hun persoonlijke motieven. Brokken verlevendigt deze geschiedenissen door te reizen naar de verschillende landen en de historische plekken te bezoeken en ze in contemporain perspectief te plaatsen. Hij laat daarbij vooral ook de plaatselijke bevolking, al dan niet de gidsen van de ikfiguur, aan het woord en tekent hun bevindingen op.

Al met al een zeer lezenswaardig boek en al speelt het zich af in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw het doet niets af van de actualiteit. Want het is niet alleen de Afrikaganger die gewild of ongewild Afrika in zijn poriën krijgt, steeds meer gewone Westerlingen krijgen te maken met Afrika. Door de globalisering, de milieuproblemen, de rijkdom aan grondstoffen en vooral het ontbreken van een eerlijke mondiale verdeling van die rijkdommen, is de kans dat Afrika niet lang meer een ver van mijn bedshow blijft erg groot. Kennis van de Afrikaanse geschiedenis is dan ook onontbeerlijk en de manier waarop Brokken die weergeeft, spreekt mij erg aan.

Jan Brokken
Afrika
uitgever Atlas Amsterdam/ Antwerpen
1988 tot 2001
509 pagina’s