Grote ego’s/Peter R. de Vries & Freek de Jonge. Genieten! 8-11-2008

Vanavond Pauw & Witteman gezien? Ik wel en meteen holde ik naar mijn PC want ik dacht hier zit een stukje in. Twee ego’s gingen met elkaar op de vuist, figuurlijk dan. Peter R. de Vries vs. Freek de Jonge. Twee ego’s van allure, twee intelligente mannen, mogelijk beide (zeer) hoogbegaafd. Het was een stukje prachttelevisie met sterke regie in een live uitzending.

Dominee van zijn eigen mondiale gelijk, Freek de Jonge, mocht vertellen dat hij een oeuvre-prijs gaat ontvangen. Tevens vertelde Freek dat hij als oude man minder issuegericht was, maar meer op meso dan wel macro niveau van het spirituele bewustzijn de wereld beziet. Hij kan meer accepteren dat bepaalde zaken zijn zoals ze zijn en heeft er vrede mee? Dit bewustzijn noemt hij steevast awareness, om het maar eens in goed Nederlands te zeggen. Zijn opponent die non-verbaal al werd bejegend alsof het een grote zak stront was, attaqueerde hij dan ook als vuilnis. Peter R. de Vries had weer nieuws over Joran van der Sloot in zijn befaamde journalistieke misdaadprogramma.

Nu gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat ik de lol van een misdaadprogramma niet begrijp en zeker dat van Peter R. de Vries niet. Ingebed in het commerciële tv gebeuren heeft het iets hijgerigs. Maar wie ben ik om dat voor miljoenen anderen te beslissen. Om met de woorden van Freek de Jonge te spreken, mijn awareness op dit gebied is dat ik accepteer dat het bestaat in de context van de Nederlandse samenleving en binnen die context kan ik er respect voor hebben. Misschien wel meer dan dat, want Peter R. de Vries kan toch niet ontzegd worden dat hij op zijn vakgebied grootste zaken heeft gedaan.

Daar waar Peter R. de Vries luistert naar Freek de Jonge, meent Freek de Jonge zijn opponent te moeten kleineren. Hoe groot kan je awareness zijn denk ik dan? Peter R. de Vries poogt een ordinaire ruzie uit de weg te gaan, maar pareert de misplaatste opmerkingen van Freek wel. Wat moet je ook anders?

Met een maatschappelijk geëngageerd liedje sluit Freek de Jonge af. Nadat hij zich zo kleinzielig had gedragen, sloeg dat liedje als een tang op een varken. Het was helemaal niet meer geloofwaardig.
Toch een prachtige uitzending van Pauw en Witteman dat gevecht tussen twee ego’s. Het verheven morele ongelijk versus het licht ranzige pragmatische gelijk. Graag zou ik kiezen voor de moraliteit, maar als Freek die predikt, dan prefereer ik met graagte voor Peter R. de Vries.

24 uur later even iets van youtube geplukt toen de discussie van man tegen man ging. Jammer dat het domineestukje van de Freek over awareness er niet opstond.

(deze youtubelink is helaas niet meer beschikbaar, dus een soortgelijke link gevonden:

http://www.garagetv.be/video-galerij/greatg/Freek_De_Jonge_gaat_met_Peter_R__De_Vries_in_de_clinch.aspx

Zwarte dag voor Linda de Mol en mijn vrouw/21-12-2007

Het is koud, de langste nacht staat voor de deur en de kerstdagen met verplichtingen komen eraan. Drukte en narigheid alom voor een lading gezelligheid. Maar eerst nog een weekend om bij te komen van het werk. De vrijdagavond is de avond bij uitstek dat de man des huizes gaat koken, ik dus. In mijn geval is dat op de fiets naar de Appie Happie voor wat drinken, koekies en chips en op de terugweg een vette hap halen bij de cholesterolkeet. Vier frietjes speciaal, twee frikadellen speciaal en twee bamischijven. De telefoon gaat, maar die hoor ik amper want de dikke winterjas absorbeert het geluid.  Ik ben te laat. Voordat ik met mijn behandschoende vingers mijn telefoon, volgens mijn nageslacht een ouderwetse koelkast (een Nokia uit 2001), uit de zakken weet op te diepen, rest mij slechts het afluisteren van de boodschap. Mijn vrouw verzoekt me om de nieuwe ‘Linda’ te kopen, kan ze lekker op de bank liggen en een beetje lezen. Begripvol als ik ben, vraag ik aan de beheerder van de friettent om nog even te wachten met de bestelling. Ik moet nog even een boodschap doen. Ten overvloede krijg ik nog een boodschap mee hoe de cover eruit ziet, te weten Linda in bikini. Dit is hard nodig natuurlijk, want de letters Linda zeggen mij natuurlijk niet voldoende en de kans dat ik een oud exemplaar uit de winkel haal is natuurlijk levensgroot. Het vertrouwen van mijn wederhelft om deze specifieke boodschap tot een goed einde te brengen is niet bijster groot, maar haar afhankelijkheid in deze des te meer. Het is immers koud en de behoefte om met een glossy op de bank te gaan liggen is immens.

Bibberig, beladen met anti-Sonja Bakker voedsel en de Linda, krijg ik een warm welkom. De calorieën worden in een recordtempo naar binnen gewerkt, de boel opgeruimd en met de Linda in de hand nestelt wordt de bank bezet door mijn vrouw. Lekker warm, dus laat de koude lange winteravond maar komen.
De coverfoto van Linda is gefotoshopt volgens mijn vrouw. Ze staat er veel dikker op dan ze in werkelijkheid is volgens haar. Eigenlijk vindt ze dat Linda de Mol de wat ronde vrouw er eigenlijk belachelijk mee maakt. Bij nadere beschouwing komt ze er achter dat het hele tijdschrift een grote fakebende is, van onwaarheden, nepinterviews en misleidingen. Dat is ook de opzet van dit nummer van het populaire tijdschrift “Linda”. En dat alles onder het mom van humor. ‘Godverdomme, wat een afzetterij zeg.’ terwijl mijn vrouw het blad naast zich neer smijt. Ik kijk haar verbaasd aan, zeg niets en kijk in het blad. Ik zie het verschil niet met de reguliere nummers van de Linda en zeg dat ook als troost voor mijn vrouw. Dit blijkt niet de juiste troost te zijn, integendeel. Ze heeft het over heuse afzetpraktijken want het blad was ook nog dichtgeseald, zodat vooraf niet een snelle blik geworpen kon worden op de literaire hoogstandjes die er normaliter instaan. ‘Doe niet zo belachelijk, heb ik daar bijna vijf euro voor uitgegeven, staat er alleen maar onzin in en bovendien is die foto op de voorkant een regelrechte aanfluiting voor de vrouw die iets zwaarder is dan al die soepstengels van de Gooise matras!’

Als het over die boeg gegooid wordt, weet ik inmiddels dat zwijgen en begripvol knikken de beste remedie is en dat doe ik dan ook hevig. Ik besef terdege dat haar lange donkere winteravond er een stuk minder prettig uitziet dan ze van te voren had gepland. Mistroostig kijkt ze naar GTST. Ik heb met haar te doen en vraag aan haar of ik voor de gezelligheid mee zal kijken, geheel tegen mij gewoonte in. ‘Nee,’ snauwt ze bijna tegen me. ‘Dan niet, ga ik de krant wel lezen’. Onderwijl mompel ik: ‘Kutwijf………die Linda de Mol.

PAUPERPARADIJS/Suzanna Jansen

 

 

Een paar dagen rust, een aantal nieuwe boeken tot je beschikking en er kan weer gelezen worden. In dit geval ben ik begonnen met Het pauperparadijs van Suzanna Jansen. Als verplichte koop bij een van Nederlandse boekenclubs heb ik het boek gekozen op basis van de foto in combinatie met de tegenstelling ‘pauper’ en ‘paradijs’.

 

Ik had het boek al eerder zien staan, maar recensies had ik niet gelezen. Dat doe ik trouwens zelden, daarom is het eigenlijk bevreemdend dat ik ze wel schrijf. Misschien is recensie ook een te groot woord en zou het eigenlijk boekervaring moeten heten.

Het Pauperparadijs is voor mij beslist geen kat in de zak geweest, integendeel. Deze familiegeschiedenis van Suzanna Jansen begint in 1785 bij de geboorte van Tobias Braxhoofden en gaat door tot het heden, het leven van de schrijfster zelf. Als een rode draad door de geschiedenis van dit familieverhaal is de oprichting en het bestaan van de bedelaarskolonie in het Drentse Veenhuizen en de relatie die de voorouders van Suzanne Jansen ermee hebben gehad en/of nog hebben. Want het is niet voor niets dat journalist Suzanna Jansen Het pauperparadijs heeft geschreven. Familieherinneringen, ook die zaken die eigenlijk niet uitgesproken mochten worden, blijken wel degelijk invloed te hebben op de verschillende familieleden. Schaamte, achteraf beziend waarschijnlijk ten onrechte, over de handel en wandel van bijvoorbeeld de opa van Suzanne Jansen is veelzeggend. Dit heeft de journalist waarschijnlijk verleid om op zoek te gaan naar haar wortels. Zij kwam terug bij de reeds genoemde Tobias Braxhoofden, die zich op 17-jarige leeftijd meldde voor het leger van Napoleon om daarmee Europa in te trekken. Als gelouterd soldaat heeft hij zich ook in het na-Napoleontische tijdperk in de Nederlanden nog een zekere positie verworven. Toch is het misgegaan en heeft hij zich vrijwillig, met zijn gezin, laten brengen naar het toen nieuwe experiment in Veenhuizen dat door ene Johannes van den Bosch is opgestart. De wens om niet langer geconfronteerd te worden met de landlopers in combinatie met het geloof dat heropvoeding hen zou maken tot mensen met een fatsoenlijke status, is de reden van oprichting van de verschillende Gestichten te Veenhuizen. Tobias Braxhoofden was weliswaar bewaker, maar het verschil met de echte landlopers was in de loop van de jaren niet zo groot, de stigmatisering gelijk.

De keus van deze Tobias, vijf generaties terug, heeft tot op de dag van vandaag in zekere zin een hele familiegeschiedenis bepaald. De ouders van Suzanna Jansen zijn de eerste die zich uit de spiraal van armoede en stigmatisering weten te onttrekken. De herinnering echter aan het lijden van hun ouders is echter nog levendig en door het Pauperparadijs te schrijven, zorgt Susanna Jansen ervoor dat de herinnering levendig blijft.

Het boek beschrijft aan de ene kant de familiegeschiedenis van Braxhoofden tot Jansen door de eeuwen heen. Aan de hand van de gangen van de voorouders van de schrijfster krijgt de lezer een prachtig doorkijkje in de sociaaleconomische geschiedenis van Nederland. Nog fraaier is dat de zoektocht naar haar voorouders die na Tobias Braxhoofden altijd in de ban zijn gebleven van het heropvoedingsgesticht Veenhuizen, een plaatje geven van het gewone leven in Nederland met name bij de economische onderlaag en de krampachtige, soms goedbedoelde paternalistische maatregelen van de beleidsmakers van toen.

In dit kader wil ik het boek ‘Zorg en de Staat’ van de socioloog Abraham de Swaan aanhalen die op allerlei gebieden beschavingsoffensieven beschrijft die van bovenaf gestart worden. Hulp aan armen gebeurt maar deels omdat er sprake is van een grote menslievendheid. Hulp aan armen komt pas goed op gang, wanneer het wenselijk is dat armen verheven worden tot ‘fatsoenlijke mensen’ in het belang van de heersende klasse. Of het nu gaat om hygiëne, medische zorg of onderwijs. In het relaas van Jansen zie ik dit in de loop van de familiegeschiedenis duidelijk terug.

Als geïnteresseerde in familiegeschiedenissen, met name de lotsverbondenheid tussen de verschillende generaties, is dit een heel fijn boek. Ook mijn historische belangstelling, zowel sociaaleconomisch als ook op het gebied van mentaliteitsgeschiedenis, wordt in ruime mate met dit boek bevredigd. Verder prikkelde het boek mij om te zoeken naar verschillen en overeenkomsten tussen het heden en verleden op het gebied van zorg aan de onderklasse en outcast in de maatschappij. Op die vraag blijf ik nog broeden voorlopig.
De duidelijke schrijfstijl en goede verbindingen tussen de verschillende hoofdstukken maken het verder een zeer lezenswaardig boek. Een echte aanrader dus.

Rest mij te eindigen waar het boek mee begint:

‘Wij zijn niet dom, alleen maar arm. (…)
Dat is altijd door elkaar gehaald.
het pauperparadijs van Suzanna Jansen

De kikker en de rokende man

Er was eens een doodgewone man in een gewoon land hier niet zo ver vandaan. Het land was meestal vredig, soms niet. Het land was welvarend, hoewel niet iedereen daar de vruchten van plukte. Bovenal het land kenmerkte zich door gelijke rechten voor een ieder. Allemaal heel gewoon dus. In dat land woonde de gewone man samen met zijn bijzondere, maar gewone vrouw en dito kinderen. De man had niets te klagen. Natuurlijk zijn er altijd wel dingetjes die beter, mooier en groter kunnen, maar dat is eigenlijk ook heel gewoon.

In het land is het credo, leven en laten leven. Zo mag de man roken, maar niet in het bijzijn van zijn kinderen. In het begin was dat vervelend, om bij weer en wind buiten je sigaretje te moeten roken, maar och, het went wel. Hij mag tenminste zijn sigaretje roken, zonder dat iemand hier commentaar op heeft.

Zo rookt hij iedere avond een paar sigaretjes in zijn tuin, bij goed weer een paar meer en als het regent wat minder. Het terugtrekken voor een paar minuutjes uit het huiselijke bestaan heeft vaak iets meditatiefs voor de man. Hij kan zich even ontrekken aan  zijn plichten of de drukte van het gezin, zonder dat dit meteen schade oplevert, behalve dan voor zijn longen. Hij denkt dan na over zijn leven of het leven in het algemeen. Soms ook over helemaal niets en dat is ook lekker. Andere momenten zijn er sombere overpeinzingen die weer afgewisseld worden met lichtvoetige gedachten. Vaak fantaseert hij dat hij een groot schrijver is. Want juist bij die korte momenten van rust borrelen soms waanzinnig scherpe ideeën uit het brein van de man, hoe gewoon hij ook moge zijn. Het roken in je eentje, zo ´s avonds in je eigen tuin is net zoiets als de momenten tussen waken en slapen. In luttele seconden ontstaan complete romans. Romans die de beroemde schrijvers in het land doen verbleken. Romans trouwens die nog wel even geschreven moeten worden. Maar de man kent zijn plaats, hij is tevreden met zijn bestaan en blijft dromen, vooral tijdens het roken in zijn eigen tuin.

Maar de man droomt niet altijd tijdens de rooksessie. Hij is dan met heel praktische zaken bezig. Bijvoorbeeld opruimen of het snoeien van een overbodige tak. Hij kijkt dan heel tevreden naar de bloemen en planten in zijn tuin. Bij de verlichting in de avond is de tuin vaak nog mooier dan overdag.

Op een van die observatiemomenten neemt de man een kikker waar. Een grote kikker, bruingrijs van kleur met een duidelijke zwarte structuur van figuren op zijn lijf.
´Hé, een kikker in mijn tuin, dat is grappig.´
Ze komen uit de vijvers van de belendende percelen, waarbij de buren, ook heel gewone mensen, een vijver hebben.
´Wat doet een kikker eigenlijk zo ´s avonds laat nog in een vreemde tuin?’ vraagt de man zich af.
De kikker beweegt zich niet, al zittend met zijn kont tegen de muur van het huis, kijkt het stoïcijns met zijn blik vooruit, of mogelijk met een steelse blik naar de rokende man. En de man kijkt terug met geamuseerde verbazing. Verbaasd omdat de kikker niet beweegt en geamuseerd, ook omdat de kikker niet beweegt.
‘Zou het beestje gewond zijn, of doet het gewoon een wedstrijdje wie elkaar het langste kan aankijken?’
Wie zal het zeggen? De man dooft zijn sigaret en gaat naar binnen.
‘Het is mooi geweest voor vandaag.’

Hij sluit de deur achter zich en vergeet de kikker. Die avond erop, het is mooi weer, dus een aantal sigaretten zullen onder prachtige zomerse omstandigheden geconsumeerd worden. Zolang de zon nog schijnt is er niets aan de hand. Het gewone zomeravond lawaai zorgt ervoor dat de dag nog niet ten einde is, dus voor de man is het roken nu slechts een kwestie van gewoonte en primaire behoeftebevrediging. Maar als het donker is, het geluid dempt, is de nacht in aantocht. De man kan dan van zijn nicotinepauze weer een waar introspectief momentje creëren. Hij gaat op de picknicktafel zitten, pakt zijn aansteker en al zuigend aan zijn sigaret neemt hij een kikker waar. Zomaar een kikker, of de kikker? De man is opnieuw verbaasd.
‘Zo ben je er weer?’ terwijl hij vooroverbuigt om zich ervan te gewissen of het dezelfde kikker is.
Het is ook een bruin beestje met duidelijke zwarte vlekken op zijn rug. Opvallend is dat bij nadere beschouwing het diertje een geprononceerd kontje heeft.
‘Goed voor de Franse keuken.’ is zijn eerste ingeving.
Peinzend blijft hij voorover staan, maar moet toch vaststellen dat hij die avond ervoor niet echt naar het vlekkenpatroon heeft gekeken.
‘Waarschijnlijk is het de kikker van gisteravond.’
Hij springt in ieder geval niet weg, ook niet nu de man met een brandende sigaret tot op een tiental centimeters is genaderd. De man probeert de kikker met zijn vingers aan het schrikken te brengen, maar het beest blijft rustig zitten.
Al is de man een dierliefhebber, maar een kikker daadwerkelijk aanraken, dat gaat hem echt te ver. Dat doe hij maar niet.
Hij loopt weer terug naar de picknicktafel en rookt verder, terwijl hij zich focust op de kikker.
‘Misschien is dit voor hem ook wel een moment van overpeinzing, weet ik veel wat er in zo’n kikkerbrein omgaat?’
De man heeft een nuchter karakter, maar hij sluit niets uit, dus ook niet dat er aanwijsbare argumenten voor de kikker zijn om voor de tweede achtereenvolgende avond met zijn dikke achterste tegen te muur van zijn huis te zitten. Bovendien is het niet normaal dat het beest geen aanstalten maakt om te vluchten zodra een menselijk wezen in zijn nabijheid komt. Nu weet de man dat de kikker niets te vrezen heeft, maar weet de kikker dat ook? In een vredige sfeer van verdraagzaamheid accepteren de rokende man en de kikker elkaars nabijheid. De man heeft de neiging om een praatje te maken, over het weer, over uit welke tuin de kikker komt en over zijn gemoedstoestand. Echter de starende en onbeweeglijke houding van het beest nodigt niet uit tot een losse burenconversatie.
‘Bovendien is het een kikker’ beseft de man bijtijds.
Toch blijft het hem intrigeren, zo’n katatone verschijning, die niet reageert op zijn aanwezigheid.
‘Ben je soms niet goed wijs, autistisch of is er anderszins iets mis tussen je oren?’
‘Heb je sowieso wel oren.?’
Maar die laatste vraag is natuurlijk onzinnig, want het luide gekwaak van zijn soortgenoten elders in de buurt, geven aan dat kikkers elkaar in ieder geval iets te melden hebben. Deze kikker neemt hem blijkbaar niet serieus als gesprekspartner, want ook een beetje kwaken, hoe bescheiden dan ook, heeft de man nog niet waargenomen.
‘Zal ik je eens een geheim vertellen’ meldt de man toegeeflijk, ‘Ik begrijp je eigenlijk wel, want als ik alleen ben, praat ik ook niet in mezelf en zit meestal maar een beetje voor me uit te kijken. Het zou me nogal wat zijn, als ik in mijn eentje hardop ga praten. De buren zullen dan opkijken, want het geluid draagt ver als het donker en rustig is.’
De man kijkt of zijn woorden tot enige toeschietelijkheid bij de kikker leiden, maar niets van dat alles. Met zijn billen tegen de muur, zijn benen in de spreekwoordelijke kikvorshouding en zijn kopje een weinig omhoog gericht, blijft het stil aan de andere kant.
‘Ja, dat geluid ver te horen is, weet jij natuurlijk ook wel, want als kikker kwaak je wat af. Tenminste een gewone kikker, jij blijkbaar niet.’
De man neemt nog een sigaret, in de hoop dat er nog enige verandering komt in de gemoedstoestand van de kikker. Maar nee hoor.
Later op de avond komt hij nog eens terug voor de finale sigaret die dag, maar de kikker blijft op dezelfde plaats zitten en geeft geen enkel teken van leven.
‘Tot morgen dan maar.’

Die dagen erop blijft de kikker komen en de man roken. De man vraagt zich af wat de kikker bezielt, maar kan geen verklaring vinden voor het gedrag van het beestje. De man vindt het wel goed zo, want naast zijn overpeinzingen, lichtvoetig of zwaar, zijn ideeën, briljant of zomaar een losse gedachten, richt hij zich nu op de kikker, zijn kikker bijna. Hele conversaties voert hij op, alsof de kikker een gelijkwaardige gesprekspartner is. En al reageert het beest nog steeds niet op zijn woorden of bewegingen, het feit dat hij terug blijft komen is natuurlijk al mooi.

Op de zesde dag, als de kikker zich al lang heeft geïnstalleerd, komt de man wat later dan gewoonlijk.
‘Sorry hoor, ik had vanavond een afspraak buiten de deur, dus ik kon niet vroeger, maar goed ik ben er.’
Hij pakt gewoontegetrouw zijn sigaretten en zoekt naar de aansteker. Als de man op zijn vertrouwde plek zit, de picknicktafel iets dichter naar de kikker toegeschoven, blaast hij pesterig wat rook naar het beest.
‘Nog steeds geen beweging, volgens mij heb je een missie, want die standvastigheid is bijna bovennatuurlijk, volgens mij wacht je op je liefje, niet waar?’
Heel even, een fractie van een seconde lijkt het kopje van de kikker te bewegen. De rokende man ziet het gebeuren en beseft dat er een verandering, hoe summier ook, is opgetreden in hun vreedzame co-existentie.
‘Zag ik je bewegen?
‘Bracht ik je soms in verlegenheid toen ik over een liefje begon?’
De man begon te lachen, hij moest er zelfs van heel hard van hoesten, daarbij angstvallig kijkend naar het huis van de buren..
Dan denkt hij aan het sprookje van de kikker, die gekust moest worden en dan verandert in een mooie prins. De kussende vrouw is natuurlijk ook prachtig en meteen worden ze verliefd en ze leefden nog lang en gelukkig.
Maar dat is alleen in sprookjes en bovendien gelooft de man niet in sprookjes. Vroeger als kind natuurlijk wel, maar dat is al lang geleden.
‘Of ben je misschien toch stiekem een prins’ lacht de man.
En weer, nu voor de tweede keer, is er een kleine beweging bij de kikker waar te nemen, alsof het via die minieme bewegingen toch pogingen doet om te communiceren. Maar zo pakt de man het niet op. Integendeel. Hij vertelt de kikker dat als hij echt een prins is, hij pech heeft. Pech omdat de man eigenlijk geen kikkers wil aanraken, laat staan kussen.
‘De idee’ zegt de man nu hardop, ‘en al zou ik in sprookjes geloven, wat moet ik met een man, laat staan een prins.’
Wederom een schaterlach. Het geluid draagt tot ver in de omtrek, maar brengt ook een reactie bij de kikker teweeg. Het diertje neemt een paar pasjes, draait zich om en gaat weer stil zitten op de plek die hij zojuist verlaten heeft met een klein verschil. In plaats van zijn kontje tegen de muur te schuren, kijkt hij nu naar de muur en de kikkerbillen zijn nu duidelijk zichtbaar voor de man. Het lijkt wel of de kikker zwaar beledigd is en zijn billen toont om uiting te geven aan zijn ongenoegen.
‘Sorry hoor, nu moet je je niet beledigd voelen, ik val nu eenmaal niet op mannen. Ik ben gewoon getrouwd met mijn vrouw, daar past geen prins bij vind ik.’
Misschien dat de echtgenoot van de man het wel leuk zou vinden, maar daar wil de gewone man maar niet aan denken. Wel realiseert hij zich dat ook bij kikkers het fenomeen mannetjes en vrouwtjes bestaat.
‘Misschien ben je wel een vrouwtjeskikker?’
De man beseft dat een innige knuffel met de kikker dan heel andere mogelijkheden biedt. Hij ziet een mooie prinses voor zich. Jong, dartel en bovenal met een enorme toewijding naar hem, omdat hij haar immers heeft wakker gekust.
Het leven zal er beslist heel anders uit gaan zien, maar zal zijn echtgenoot het zo grappig vinden. De man weet wel zeker van niet.
‘Nee, kleine prinses van mij, ik zal je niet kussen. Ik ben niet gek en ik geloof niet in sprookjes.’
Weer beweegt de kikker een beetje. Het wipt een beetje op en neer en schudt bijna elegant met zijn ietwat dik uitgevallen billetjes. Alsof het de man wil verleiden om het onmogelijke toch te proberen. Het mag niet baten.
Terwijl de man nog een sigaret opsteekt, probeert hij te achterhalen hoe de prinses eruit zou zien. Een donkerharige dame, misschien wel met een getinte huid, de kikker is immers ook bruin. Al rokend visualiseert hij zich een droom van een dame, maar bij iedere teug verandert het beeld van zijn gedroomde prinses.
Er zijn immers zoveel mooie vrouwen weet de man. Hij herinnert zich de wijze woorden van zijn vader nog.
‘Hoe zei hij dat ook al weer? Een mooie vrouw is als een schilderij, de compositie moet kloppen, maar je kunt liefhebber zijn van veel stromingen in de schilderkunst.’
Met de laatste teug van zijn sigaret komt de man weer terug bij de realiteit en gaat naar binnen, naar zijn eigen compositie. Hij heeft niet eens door dat de kikker gelijktijdig met hem vertrekt.

De volgende avond is het druilerig weer. Hoewel het niet koud is, nodigt de gestaag vallende regen niet uit tot veel roken. Bij het schemerdonker bemerkt de man dat hij alleen is.
‘Och, mijn prinsesje zal straks wel komen’ stelt hij zichzelf gerust.
Maar later op de avond, geen spoor van de kikker. De man gaat verderop kijken of het beest een andere plek heeft uitgekozen voor zijn overpeinzingen. Maar nee, de kikker is niet gearriveerd. Met een lichte weemoed sluit hij die avond de deur van zijn huis. Een beetje mist hij zijn kikker, zijn kleine droomprinsesje wel, al kenden ze elkaar nog niet zo lang.
Die dag erop vertelt hij zijn vrouw en kinderen aan het ontbijt dat hij al zes dagen op rij een kikker als gezelschap heeft gehad bij het roken in de tuin.
‘Maar gisteravond was hij weg en ik mis het beestje wel een beetje.’
Hij vermeldt maar niet dat hij in zijn overpeinzingen gedacht heeft te maken te hebben met een heuse knappe prinses. Ze zouden hem beslist uitlachen. De man accepteert het verlies van zijn gesprekspartner en gaat over tot de orde van de dag. Een aantal uren later neemt hij een rookpauze, dit maal aan de voorkant van zijn huis. Daar vleit zich op een klein bankje, genietend van de warme middagzon en zijn sigaret.

In de verte ziet hij twee mensen aankomen. Als ze hem naderen, bemerkt hij dat het de buurman van een straat verder op is. De buurman is op zijn paasbest gekleed. Normaliter loopt de man er ongeschoren bij en heeft hij absoluut geen aandacht voor zijn kleding. Meestal draagt hij versleten slobberkleding, grote werkmansschoenen en heeft hij ongekamde haren.. Zijn verschijning is waarschijnlijk de reden dat de buurman een notoire vrijgezel is. Het feit dat hij nu zo netjes gekleed is, heeft overduidelijk een reden. Want naast hem loopt een dame, en niet zomaar een dame. Een grote struise donkere dame met prachtige afrolvlechten, een puntgaaf vrolijk en open gezicht, waarin een brede glimlach te voorschijn komt bij ieder woord van de buurman. De vrouw is gekleed in een zomerse jurk die nauwsluitend om haar lichaam zit. Haar borsten mogen er zijn, maar vooral haar billen komen op een prachtige geraffineerde wijze uit in haar kleding. Het zijn prachtige stevige billen die met bevalligheid getoond worden, zoals alleen donkere vrouwen hun achterste met trots aan de wereld laten zien. Ook al zijn die billen volgens de norm aan de forse kant.
De man staat aan de grond genageld bij het zien van de schoonheid en dan nog wel in gezelschap van de morsige buurman. Een ongeloofwaardige combinatie die komt aangewandeld.
‘Goedemorgen’ zegt de buurman opgewekt.
‘Hallo’ zegt de donkere dame met een sensuele klank in haar stem, terwijl ze de rokende man indringend aankijkt.
De man kan amper iets terugzeggen, en zijn tegengroet lijkt meer op een paar gorgellende en kwakende keelgeluiden.
Het tweetal loopt verder. Op het moment dat de man het volledige zicht heeft op de billen van de mooie vrouw, kijkt ze achterom. Ze geeft haar mooiste glimlach, pakt haar partner stevig bij zijn arm en schudt, heel even maar, met haar magnifieke billen in het volle besef wat voor effect dat heeft op de starende man. Nog een keer kijkt ze achterom. Dan ziet ze dat de man een kreet onderdrukt. Een kreet veroorzaakt door een brandende sigaret die doorsmeulde terwijl de man met open mond naar de zwarte Madonna staarde.
Het stel loopt verder, terwijl de man de peuk weggooit en zijn geblesseerde vingers ter afkoeling in zijn mond stopt.
‘Ik moet maar eens stoppen met roken, daar komen alleen maar rare gedachtekronkels van.’

Dorus de Binnenboel

De moderne man! Die bestaat niet, die wordt slechts door zichzelf gecreërd. Een verhalenreeks voor de komende maandagen.

De stilte die Dorus ervaart bij binnenkomst in zijn eigen huis, voelt aan als een warme en behaaglijke deken. Na de hectiek van de ochtendstart is het gereutel van het koffiezetapparaat en het omslaan van een bladzijde van de ochtendkrant het enige geluid dat die stilte doorbreekt. Dorus absorbeert met graagte het nieuws uit binnen- en buitenland, leest de achtergronden en commentaren, is tot op zekere hoogte geïnteresseerd in cultuur en ook de sportbijlage mag zich in zijn belangstelling verheugen. Dorus schermt zich af van zijn eigen kleine buitenwereld door zich onder te dompelen in het grootse wereldgebeuren.

Meestal, na een klein uurtje zichzelf opgelegde quarantaine, dient langzaam maar zeker de dagelijkse realiteit zich aan. Dorus kijkt om zich heen en mompelt:
“Ja, nu moet ik aan de slag.”
Nog even vlucht hij in een ongelezen artikel en bekijkt de dagelijkse column, maar de echte aandacht is weg. Schuldgevoel knaagt aan hem. Vertwijfeld kijkt hij nog eens rond:
“Waar zal ik eens beginnen?”
De ochtendstart van de overige gezinsleden heeft zijn tol geëist ten aanzien van de properheid in het huis. Vandaag is het de dag van Dorus om enige orde in de chaos aan te brengen.
“Maar ik moet ook aan mezelf denken.”
Dorus is heel goed in het vinden van uitvluchten om de huishoudelijke taken uit te stellen.
“Eigenlijk heb ik zin om een verhaaltje te schrijven.”
Maar door de input van de kranten weet Dorus dat het geen vrolijk verhaaltje gaat worden.
“Weltschmerzen, doorwrocht met venijnige uitspraken en een diarree aan veel te moeilijke woorden zullen het resultaat zijn” doceert Dorus zichzelf, “eerst nog maar eens een sigaret roken.”

Twee sigaretten verder en na het opstarten van de computer om de post te checken, blijft de weerzin om aan de slag te gaan het voorlopig winnen van het verantwoordelijkheidsgevoel.
Dorus mijmert nog even verder als hij bruut opgeschrikt wordt door de telefoon.
“Shit te laat” zegt hij als na vijf keer overgaan de onbekende beller waarschijnlijk met de ‘elektrische Miep’ aan het converseren is.
Even later gaat de telefoon opnieuw en nu neemt Dorus meteen op.
“Dorus.”
…………..
“Hoi, nee, niets bijzonders. Ben druk bezig met de keuken.”
…………..
“Ja, dat doe ik vanmiddag, ik ga toch nog naar de supermarkt.”
…………..
“Ik van jou, tot vanavond.”

Dat was Dora, zijn vrouw. Dora belt regelmatig op vanuit haar werk om nog even een boodschap door te geven die door het rennen en vliegen die ochtend mogelijk vergeten is.
Dorus kijkt mismoedig naar buiten waar de lentezon langzaam maar zeker de mist laat verdwijnen.
“Nog een sigaretje en dan begin ik.”
Met flinke teugen hijst hij aan zijn sigaret. Dorus moet aan zijn moeder denken en in zijn gedachten hoort hij haar zeggen:
“Niet van dat slappe Dorus, gewoon de handjes laten wapperen, het moet toch gebeuren.”
Zijn moeder is een zorgzame vrouw die veel voor een ander over heeft, maar aan zeuren heeft ze een broertje dood. Ook als zwaarmoedigheid of tegenslag hieraan ten grondslag ligt, heeft ze geen oneindig mededogen.
“Och, iedereen heeft wel eens wat, morgen is alles weer anders.”
Zijn moeder praatte nooit over psychisch leed in welke vorm dan ook, ze was hard voor zichzelf. Het kleine leed van anderen, zelfs van haar eigen kinderen, heeft ze daarom ook nooit echt kunnen accepteren. Je moest gewoon doorgaan.
“Van hard werken is nog nooit iemand doodgegaan.”
“Arbeid adelt zeker” zegt Dorus, alsof zijn moeder naast hem zit.
Er komt geen antwoord.
“Arbeid adelt” mompelt hij nog een keer en staat dan resoluut op.
“Aan de slag, arbeid adelt.”
“Aan de slag, arbeid adelt.”
In een gelijkmatig tempo blijft Dorus die zin herhalen, alsof hij een eigentijdse raptekst repeteert. Een tekst voor in de huishouding participerende vaders.
Terwijl Dorus een passende CD uitzoekt om het adelend vermogen kracht bij te zetten, blijft hij rappen. Toch kiest hij met overtuiging voor een verzameling van Franse chansons uit vroeger tijden.

Terwijl Dorus de badkamer ter hand neemt, schalt door het hele huis de donkerbruine stem van Gilbert Bécoud die zijn liefde voor Nathalie wereldkundig maakt.

La place Rouge était vide,
Devant moi marchait Nathalie
Il avait un joli nom, mon guide
Nathalie

 

De herkenbare stukken tekst zingt Dorus mee, hij wordt er erg vrolijk van. Franse chansons doen hem altijd denken aan vakantie en ‘joi de vivre’. De koude winter die Bécaud bezingt in het toenmalige Moskou ten spijt, Nathalie geeft hem vleugels. Zeker als de bak violen op de achtergrond overgaat in een temperamentvolle Russische melodie. Dorus wordt bijna manisch met stofdoek, zeem en een chemisch geurend schoonmaakmiddel. Ook de collega’s, die na Bécoud de CD vullen, verhogen de positieve poetsdwang van Dorus. Charles Aznavour, Frida Boccara, Gérard le Norman en Julien Clerc passen uitstekend bij de gemoedstoestand van Dorus. Zelfs de Griek Demis Roussos, die een Frans moppie muziek ten gehore brengt, doet daar geen afbreuk aan.
Dorus komt weer tot zinnen als het bekende ‘Paroles, Paroles’ van Dalida aan de beurt is.
“Woorden, woorden.” vertaalt Dorus de tekst.
Het zijn de woorden en vooral de verkeerde combinaties ervan die Dorus soms in melancholische en apathische stemming kan brengen. Constructen van woorden, zinnen die hem afhouden van de noodzakelijke discipline. Discipline die het leven van hem vraagt en die hij op zijn minst kan billijken.

Zijn moeder heeft dus toch gelijk.
“Arbeid adelt zeker” constateert Dorus.
Als dan ook nog Demis Roussos zingt “Si j’etais roi de la terre’ concludeert Dorus tevreden.
“Et pour le moment, je suis le roi de mon propre maison.”
Of is het nu maison propre. Voor Dorus maakt het die ochtend niet meer uit, de huishouding heeft zijn therapeutische werk gedaan.

Wandelen rond de hoogmis. Pauluskerk te RAALTE

Waarom gaat een mens naar de kerk? In mijn geval om een blogje te schrijven. Maar zult u misschien denken, waarom dan niet naar een tentoonstelling, of schrijven over het leven van je tante Truus of over de politiek in het algemeen. Dat doe ik ook wel, misschien met uitzondering van het leven van tante Truus, maar de kerk heeft mijn belangstelling vanwege mijn mild liberale katholieke opvoeding in combinatie met belangstelling voor de rol van het geloof in de hedendaagse maatschappij en natuurlijk het schrijven an sich is een belangrijke motivator.

Waarom andere mensen gaan? Ik kan er vele redenen voor bedenken, zowel positieve als negatieve.  Maar ik denk dat voor de meesten, op zijn of haar manier, de kerkdienst een meditatief momentje is. Een punt van bezinning, al dan niet in gesprek en/of contact met God, uitgaande van het katholieke geloof. Na voor de derde keer een kerk bezocht te hebben, ga ik nu al genieten van het meditatieve karakter van de serie ‘Wandelen rond de hoogmis’ en dan niet alleen in de kerk, maar ook de weg ernaar toe.

In dit geval is de dienst in de kerk waar ik jarenlang parochiaan was en waarvan ik niet eens zeker weet of uitschrijving uit de gemeente Raalte ook betekent dat ik bij de Pauluskerk ben uitgeschreven.

Pauluskerk vanaf de straat waar mijn ouderlijk huis staat

De kerkgang

De weg naar Raalte kan ik uiteraard dromen want het is nog steeds de plaats waar mijn ouderlijke huis staat, inclusief het toebehoren, een gezonde vader en moeder. Zij wonen op zo’n 200 meter van de kerk. Op de vroege zondagochtend is met een beperkte overschrijding van de maximumsnelheid de afstand in 40 minuten te overbruggen. Uiteraard met de radio op het eerste net. Om acht uur begon het programma ‘Vroege Vogels’ hetgeen iedereen kent, maar volgens mij slechts een beperkte groep ook daadwerkelijk beluistert. Geheel ten onrechte kan ik u nu zeggen, want in de auto (mijn eigen oude Volvo 850) met de radio aan, is het programma ‘Vroege Vogels’ al een meditatief moment op zich. Het programma, dat muzikaal ondersteund wordt door licht klassieke muziek, waarbij vooral de klavecimbels opvallen, brengt je in de wereld van de natuur, terwijl de grote boze buitenwereld mijlenver weg lijkt. De lente is in aantocht, dus uiteraard gepaste aandacht voor allerlei lentekriebels. Een rapportage over de Europese bizon (wisents) gaat over twee jonge stiertjes die overgeplaatst worden naar een andere kudde om inteelt te voorkomen. Het gaat verder over de vogeltrek, waarbij op kundige wijze melding wordt gemaakt over succesvogels en pechvogels. De ene vogelsoort doet het namelijk beter met de veranderende klimaatomstandigheden dan andere soorten. Ook de balszang van de vink komt ter sprake, de zogenaamde vinkenslag. Ik wist niet dat dit zo heette, maar goed, de winter zorgt ervoor dat het mannetje de typerende lokroep een beetje verleerd is. De lente zorgt ervoor dat die kunde weer bijgeschaafd wordt en zo niet, dan geen vrouwtje volgens mij.

Voor ik de auto uitstap gaat het over ‘Earth hour’ waarbij mondiaal stil wordt gestaan bij de zorg voor de Aarde. Een uur lang worden eind maart de lampen, ook van belangrijke gebouwen, uitgedaan.  Deze wereldse boodschap gaat geruisloos over in de soortelijke kerkelijke boodschap van het rentmeesterschap.

Vandaag dus in de Pauluskerk te Raalte.

 

De Pauluskerk in Raalte

Er kan ongetwijfeld veel gezegd worden over de bouw van de Pauluskerk, maar ik laat het bij de stichting ervan in de jaren zestig. Toentertijd was het een zeer modern gebouw en in feite is dat nog steeds het geval. Het is de kerk waar ik mijn Eerste Heilige Communie heb gedaan en ook het Vormsel heb ondergaan. De kerk waar ik twee jaar misdienaar was, parochieblaadjes wegbracht en zelfs omwille van de liefde, zitting nam in het kerkkoor, hoewel mijn zangkwaliteiten nooit als zodanig opgevallen zijn. Nu nog steeds niet. Het is ook de kerk die vanaf het tuinpad van mijn ouders meteen te zien was en iedere ochtend om kwart voor acht van zich liet horen als aankondiging van de mis om acht uur. Om klokslag half negen was de dienst klaar en konden de misdienaars op tijd naar school. Na mijn twaalfde ben ik er met uitzonderingen zoals kerst of een begrafenis, niet meer geweest.

Volgens mij zijn mijn ouders ook zelden meer in die kerk geweest, zeker mijn vader niet na de clash met de pastoor na mijn eerste communie in 1974. (zie ook onderschrift foto) Lange tijd is hij met hoogtijdagen naar de abdijkerk Sion geweest, met ons af en toe in zijn kielzog.

Mei 1974, het ultimieme doel is bereikt, de eerste heilige communie een feit voor Sprakeloos (vierde kind van links, zittend op de onderste rij). De festiviteiten kunnen beginnen en de cadeau’s uitgepakt. Die ochtend heeft zich buiten mijn belevingswereld nog een klein drama voorgedaan. De ouderparticipatie is door mijnheer pastoor ingetrokken. Toen vader Sprakeloos bij de evaluatie verhaal wilde halen, was hoon zijn deel, ook van vele andere ouders. De autoriteit van het kerkelijk gezag was toen nog onfeilbaar, dus niet aan kritiek onderhevig.

 

 

Vier jaar later, het Vormsel. Sprakeloos is het derde jongetje van rechts. De twee heren naast hem waren ‘concurrenten. Alle drie wilden we vereeuwigd worden bij het meisje met de blonde haren en het witte ‘holly hobby’ jurkje aan. Ze stond precies achter ons, totdat de compositie op gezag van het hoofd van de school veranderd werd. Er moest nog een laatkomer tussen. De concurrentie om de aandacht van haar te krijgen heeft overigens goede vriendschap toen nooit in de weg gestaan. 

De viering

 Ik was deze keer ruim op tijd. Voor mijn gevoel was de kerk kleiner dan ik in gedachten had en uiteraard ook minder vol dan op de zondagen in vroeger tijden. Ik schat een man of tachtig, hoofdzakelijk vijftigplussers. Bekenden zag ik in de ouders van een vroegere schoolvriend. Ze zagen of herkenden mij niet. De kerk is weliswaar een ontmoetingsplaats, maar het ging mij te ver om even uit mijn bank te lopen en de mensen de hand te schudden. Het had waarschijnlijk best gekund, want in de tien minuten die restte tot aan het begin van de dienst, leek het op een rustige reünie waarbij men elkaar nog even het laatste nieuws doorgaf. Gezien de hoeveelheid mensen zorgde dat voor een gezellig geroezemoes.

Op de site van de Pauluskerk schrijft pastor Astrid van Engeland over ‘Verborgen Geloof’, waarbij ze aangeeft dat geloven niet alleen met kerkgang heeft te maken en dat  niet gaan zeker niet slechter hoeft te zijn. Tijdens de catecheselessen van Mijnheer Pastoor op de Paulusschool, begreep ik dat hij daar beslist heel anders over dacht.

Om negen uur begon de dienst met pastor Astrid van Engeland en nog een mevrouw. Zij werden gevolgd door een misdienaar en een misdienette. Een luxe in deze tijd. Ik bekeek mijn oude beroepsgroep met belangstelling en moet constateren dat de aanwezigheid van deze jongelingen een levendige choreografie met zich meebracht die er voor zorgde dat er ook wat te kijken was voor de minder meditatief ingestelde kerkganger.

Een van de pastors ging in op de vertelling van De Verloren Zoon. Zij legde de kerkgangers uit dat dit verhaal gezien moest worden als een parabel waarbij je je altijd een voorstelling moet maken welke rol jij speelt in het geheel. De jongste zoon, die na het hoeren en snoeren, terugkomt bij zijn vader. De hartelijk ontvangende vader, die zonder nadenken zijn vreugde over de terugkeer prefereert boven een arsenaal aan verwijten of de oudste zoon die is gebleven voor de zekerheid en de verwachting alles te krijgen van de vader. Zij stelt de vraag of in de kerkzittende katholiek per definitie een beter katholiek is dan de zogenaamde ongelovige. Wie mag of moet daar over oordelen, vraagt zij zich af. Daarmee is het verband gelegd tussen de Bijbeltekst en het verhaal op de site van de kerk.

Boven het altaar hing een schilderij. Ik vond het niet mooi, maar het bleek een wisselende tentoonstelling te zijn, dat wil zeggen iedere week wordt er stil gestaan bij bepaalde details van het schilderij. Het blijkt om een Hongerdoek te gaan. Ik kende het begrip niet, maar gedurende de vastentijd zal stil worden gestaan bij de klimaatveranderingen en de gevolgen voor met name de allerarmsten in Afrikaanse landen. De parochie in Raalte richt zich op boerengezinnen in het Afrikaanse Malawi.

De uitleg van vandaag ging over de mensen aan de tafel. De tafel staat symbool voor de Aarde. De mensen komen uit alle windstreken en zullen samen moeten delen. Opvallend is de vogel in de hand van derde persoon, een Chinese man. Hij heeft een geluksvogel in zijn hand. En daarmee is de link al snel gelegd met het Aardse meditatieve moment op weg naar de kerk waar het ging over pech- en succesvogels, maar vooral ook over de zorg voor de Aarde.

 

Het hongerdoek

Als zeer vroege vogel op weg naar de Pauluskerk, word ik maar liefst op twee manieren gewezen op de zorg voor de wereld om ons heen. De eerste keer op een wereldlijke manier, de tweede keer via de kerkelijke weg. Qua intentie en bedoelingen is hierin voor mij geen verschil te ontdekken. Ik geloof, in beide boodschappen.

 De terugweg.

Uiteraard te voet tot aan mijn ouderlijke huis voor koffie en koek en met de belofte dat mijn ouders erg nieuwsgierig zijn naar het verslag dat zij zullen lezen op maandagochtend, neem ik afscheid. En uiteraard de verzekering dat ze het groene beoordelingsknopje boven aan de tekst zullen indrukken. Onderweg naar huis was er een documentaire over de Zusters van Liefde in Velp. De, inmiddels, dames op leeftijd vertelden over van alles en nog wat tijdens hun verblijf bij de zusters en vooral over de totale afwezigheid van iedere vorm van liefde. Er was geen sprake van seksueel misbruik, maar het heeft iets bevreemdends dat opvoeding en scholing in handen werd gelegd van groepen mensen die in veel gevallen ver weg stonden van de maatschappelijke werkelijkheid. Kinderen die niet meer hadden misdaan dan wees worden of mogelijk ongewenst zwanger worden, werden met jarenlange militaire tucht benaderd. Andere tijden zullen we maar zeggen, maar geldt dat ook voor de nieuwste feiten over misbruik.

Ook in de Pauluskerk is tijdens de dienst stilgestaan bij de seksschandalen in het land.

Overpeinzing

Hoe anders is een dienst die gedaan wordt door leken? Daarmee wil ik alle goedbedoelde pastoors en kapelaans niets te kort doen. Maar wordt de verantwoordelijkheid voor het reilen en zeilen in een kerkgemeenschap niet veel meer bij het individu en de gemeenschap zelf gelegd. Is een wereldse kijk niet de voorwaarde om over het zielenheil te kunnen waken. Is de kans op uitwassen niet minder door die gezamenlijke verantwoordelijkheid?

 

PS. Voor de goede orde, als misdienaar, koorknaap of gewoon kerkganger heb ik nimmer slechte ervaringen gehad met welke kerkelijke dienaar of gezag dan ook. Hoewel ik toen al ‘theologische’ geschillen ontwaarde met bijvoorbeeld de pastoor, heeft dit voor mij nimmer geleid tot enige vorm van onheuse bejegening.

Andere wandelingen:

Hoe het begon; H. Remigius, Duiven; Andreasparochie, Groessen; Pauluskerk, Raalte; Abdij Sion, Diepenveen; Werenfriduskerk, Westervoort ; St. Antonius Abt Parochie, Loo; St. Stevenskerk, NijmegenMartinuskerk, Twello ; St. Mary -Star of the Sea Church, Hasting (GB); Ned. Herv. Kerk, Achlum; Kölnerdomkirche, Keulen; Stephanuskerk, Borne ; Vrij Katholieke Kerk ChristusPantocrator, Raalte, Stephanuskerk, Heel

AFRIKA/Jan Brokken

Eerder kwam ik met een boek van Jan Brokken in aanraking, te weten Mijn kleine Waanzin. Met veel plezier gelezen. De Indische achtergrond van de familieleden van Brokken is mogelijk de oorzaak van zijn belangstelling voor de tropen en/of Afrika. Wat de psychologische achtergrond van Jan Brokken ook is, hij heeft een lezenswaardig boek geschreven. Hieronder volgt mijn beoordeling, je mag het een boekbespreking noemen.

Voor allen die in het Afrikaanse continent geïnteresseerd zijn, en dan met name West Afrika, is het boek van de auteur Jan Brokken een echte aanrader. En zeker voor hen die Afrika nooit aan den lijve hebben meegemaakt of zullen meemaken, kan zich mee laten sleuren in de ziel van Afrika. Een ziel die wordt beschreven vanuit alle ingrediënten die de Afrikaanse ziel compleet maakt, geschiedenis, geloof (christendom, animisme, islam en de combinatie van de drie), het koloniale verleden en zijn neokoloniale opvolger.
Al deze ingrediënten worden gemengd tot een aantal ‘Afrikaanse gerechten’ want wat Jan Brokken heel duidelijk weet over te brengen is het feit dat van één Afrikaanse ziel geen sprake is. Landen verschillen onderling sterk en zelfs binnen een land zijn er grote verscheidenheid. Dit kunnen de geografische mogelijkheden zijn, de wijze waarop het gekoloniseerd is en de interne (politieke) machtsstrijd tussen de verschillende stammen, al dan niet voortvloeiend uit het aloude machtsevenwicht van voordat de Europeanen kwamen.

Vanuit ‘Verwegistan’, in dit geval Europa, zetelend op een comfortabele stoel moet ik constateren dat de neiging bij mij bestaat om alles maar op één hoop te gooien, het ‘uniforme’ donker Afrika. Rationeel weet ik natuurlijk beter, gezien de (burger)oorlogen in veel Afrikaanse landen, maar tot mijn schaamte moet ik constateren dat ook ik heimelijk uitga van het standaardbeeld, arm, zwart en afhankelijk van het Westen. Onder de huidige politieke omstandigheden is dat in materiële zin misschien het geval, immaterieel is dat veel minder dan ‘wij’ denken. In al zijn boeken laat de auteur zien dat er door de intelligentsia en politiek leiders, weliswaar vaak in Europa gestudeerd, een eigen weg wordt gezocht. De eigen weg blijkt dan veel vaker te stoelen op oude gebruiken en conventies die voor Europeanen, hoe lang ze ook al domineren in Westelijk Afrika, onbegrijpelijk zijn. Het is bovendien de vraag of die Europeanen al een poging wagen om de ratio van Afrikanen te doorgronden.
Conventies, of ze nu van Afrikaanse snit zijn, een koloniale achtergrond hebben, gebaseerd zijn op hedendaagse maatschappelijke verhoudingen of een mengeling van alle drie, altijd spelen persoonlijke motieven een rol in het handelen van een individu. Het maakt dan niet uit of die individu uit Burkino Faso komt of als koloniaal, zakenman of hulpverlener uit Europa. Over deze persoonlijke verhalen in de verschillende Afrikaanse landen heeft Jan Brokken aandacht, zowel in het heden, als ook historische figuren worden van hun menselijke kant belicht. Een overkomst hebben ze echter allen, gewild of ongewild hebben ze allemaal met Afrika te maken. Hun individuele geschiedenissen worden bezien vanuit de Afrikaanse context.

Het is al even aangegeven, eigenlijk is het niet één boek, maar meerdere boeken en/of verhalen die op meerdere tijdstippen zijn uitgegeven en veelal gebaseerd zijn op verschillende reizen.
Het eerste boek ‘Zaza en de president’, in mijn optiek het meest verhalende, speelt zich af in Burkino Faso. De ik-figuur krijgt een alarmerend bericht van zijn partner die als hulpverleenster werkzaam is in een van de armste landen van de wereld. Zonder duidelijke aanwijzingen gaat hij haar zoeken, terwijl hij nota bene de verkeerde aanwijzingen krijgt van de vertegenwoordigers van de hulpverleningsinstantie ter plekke. Naast de persoonlijke belevenissen, de warmte en droogte, gebrek aan alles, moeilijkheden tijdens het reizen en vooral de verhalen en het handelen van de inwoners van het land, is ook de individuele band met zijn partner (en Afrika) voortdurend het onderwerp van schrijven. Al deze ontmoetingen in bars, nachtclubs, hotels of in de verlatenheid van de woestijn geven een prachtig beeld van de situatie van dat moment in het Afrikaanse land (medio jaren tachtig van de 20e eeuw.) De wijze waarop hij bejegend wordt door de verschillende mensen geeft bovendien de sfeer van revolutie aan. Een revolutie die vooral gekenmerkt wordt door anti-Westerse sentimenten, maar op andere gebieden wordt tegelijkertijd de afhankelijkheid en de interne tegenstellingen aangetoond. Hoewel er met geschiedkundige feiten wordt gewerkt en het veel weg heeft van een spannend reisverhaal, leest het als een roman. Volgens mij is het ook als zodanig bedoeld.

Het tweede boek is in dagboekvorm geschreven en geeft de kijker meer achtergrondinformatie over het eerste boek en de belangrijkste figuren zoals die daarin beschreven zijn. Hun handelen wordt bezien vanuit in meer beschouwelijk perspectief en nadrukkelijker gerelateerd aan de dan bestaande politieke situatie. Ook wordt andermaal een bezoek gebracht aan Burkino Faso en gesproken met bekenden van de ik-figuur en zijn partner Zaza. Hoewel Jan Brokken aangeeft dat hij zijn eerste boek al bij de drukker heeft liggen op het moment dat hij opnieuw naar Burkino Faso gaat, lijkt het ook een soort verantwoording te zijn naar de lezer. In dit deel is de rode draad van het boek het leven en de lotsgeschiedenis van de president Thomas Sankara en diens politieke vriend en latere moordenaar Blaise. De titel van het tweede boek is niet voor niets ‘De moordenaar van Ouagadougou.’

‘Een basiliek in het regenwoud’, het derde boek, legt Ivoorkust in de schijnwerpers. Het is een veel optimistischer boek, maar evenzogoed onmiskenbaar Afrikaans. De toenmalige president Félix Houphouët-Boigny, regeert het land als een soort ‘ouderwets’ stamhoofd met gedegen kennis van de Europese waarden en normen. Met deze combinatie weet hij verhoudingsgewijs veel stabiliteit in het land te brengen. Dit is ook mogelijk door de rijkdom aan grondstoffen die voor een substantieel deel ook bij de bevolking van Ivoorkust terecht komt. De rijkdom vanuit dit land trekt ook velen uit omringende landen aan om een graantje mee te pikken. Het mag vanzelfsprekend zijn dat dit niet zonder gevolgen blijft. Desondanks genoot de president van Ivoorkust veel gezag en kon hij hierdoor zich ook zaken permitteren die in Westerse ogen misschien compleet belachelijk zijn. Het meest extravagante voorbeeld is de bouw van een basiliek midden in het oerwoud in het geboortedorp Yamoussoukro. De basiliek moet een kopie worden van de Sint Pieter in Rome. Het moet een stad worden die de toch al moderne hoofdstad Abidjan moet doen verbleken.

Ondanks het ogenschijnlijke belachelijke van deze onderneming slaagt Brokken zijn Westerse lezer ervan te overtuigen niet, of hooguit mild te laten oordelen over de president. Feiten, historie en vooral de culturele achtergrond worden daarbij nadrukkelijk gebruikt om deze Afrikaanse rationaliteit te begrijpen.
Het restende deel van het ruim vijfhonderd bladzijdes tellende boekwerk geeft een mooie combinatie van historische feiten omtrent ontdekkingsreizigers, zendelingen en hulpverleners en hun persoonlijke motieven. Brokken verlevendigt deze geschiedenissen door te reizen naar de verschillende landen en de historische plekken te bezoeken en ze in contemporain perspectief te plaatsen. Hij laat daarbij vooral ook de plaatselijke bevolking, al dan niet de gidsen van de ikfiguur, aan het woord en tekent hun bevindingen op.

Al met al een zeer lezenswaardig boek en al speelt het zich af in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw het doet niets af van de actualiteit. Want het is niet alleen de Afrikaganger die gewild of ongewild Afrika in zijn poriën krijgt, steeds meer gewone Westerlingen krijgen te maken met Afrika. Door de globalisering, de milieuproblemen, de rijkdom aan grondstoffen en vooral het ontbreken van een eerlijke mondiale verdeling van die rijkdommen, is de kans dat Afrika niet lang meer een ver van mijn bedshow blijft erg groot. Kennis van de Afrikaanse geschiedenis is dan ook onontbeerlijk en de manier waarop Brokken die weergeeft, spreekt mij erg aan.

Jan Brokken
Afrika
uitgever Atlas Amsterdam/ Antwerpen
1988 tot 2001
509 pagina’s

Eu só peco à Deus/ Beth Carvalho en Mercedes Sosa

Heel misleidend kan de muziek zijn uit andere taalgebieden. Nu moet ik helaas vaststellen dat zelfs bij Engels en Nederlandstalige muziek de teksten wel heel nadrukkelijk verstaanbaar moeten zijn, wil ik me automatisch op de tekst concentreren. Is het in bijvoorbeeld Portugees, dan laat ik me volledig door de muziek leiden. De inhoud en het gevoel bij het nummer gaat een geheel eigen weg in mijn fantasie.

Zo ook bij het volgende nummer van Beth Carvalho en Mercedes Sosa ‘Eu só peço à Deus’

 

In 1981 ben ik met mijn ouders en broertje naar Brazilië geweest voor zes weken. De bestemming was een oom en tante in het Noordoosten (Aracaju). In deze zes weken zijn een aantal grote binnenlandse reizen gemaakt en is de liefde voor Braziliaanse muziek aangewakkerd. Met periodes is de belangstelling groter en vooral als vanuit Brazilië een CD wordt opgestuurd van mijn favoriete zangeres Beth Carvalho. Ik heb blijkbaar ooit aangegeven dat de muziek van haar mij bevalt en dat is door mijn oom goed begrepen.

Het is al weer meerdere jaren geleden dat ik voor mijn verjaardag een CD heb gekregen van deze zangeres en op deze CD stond een duet met de wereldberoemde Mercedes Sosa. Heel indrukwekkend, maar waarom? Ik vond het een stukje melancholische muziek waarin iets heel strijdbaars, bijna revolutionairs en optimistisch verborgen zat. Bovendien bij het draaien van de muziek kwamen uiteraard goede herinneringen uit 1981 terug.

Zoals ik al zei, met de tekst deed ik helemaal niets. ‘Eu só peço à Deus’? Dat het iets met God te maken had begreep ik al snel en dat eu voor ik staat was me ook duidelijk. Met een vertaalsite op internet, maak ik ervan: Ik vraag het slechts aan God/ of ik kan het slechts aan God vragen.

Het bijbehorende filmpje doet vermoeden dat de melancholie waarin ik het liedje inschaalde niet de juiste interpretatie is. Nu besef ik dat een youtubefilmpje ook maar door een eenvoudige, mogelijk Braziliaanse, sterveling in elkaar is gezet. Maar hij zal de tekst zeker wel begrijpen.

Verdere vertaling laat ik, mede door het arbeidsintensieve werk, maar even achterwege. Laat vooral mijn eigen ideeën bij dit voor mij prachtige nummer maar behouden.

NAZI EN DE KAPPER/Edgar Hilsenrath

Morbide, pervers en gewelddadig zijn de eerste termen die bij me opkomen bij het lezen van het boek van Edgar Hilsenrath, De nazi en de kapper. En dat is ook niet zo gek want het speelt zich af in het Duitsland van tussen de beide wereldoorlogen, opkomst van het nazisme en de jodenvervolging. Maar ook de oprichting van de staat Israël speelt een belangrijke rol. Genoeg ingrediënten om bovenstaande termen te bezigen.

In een nauwkeuriger beschouwing kan met ook zeggen dat het boek gaat over goed en kwaad, maar dat is een open deur die ik niet graag gebruik. Gaan immers niet alle boeken over goed en kwaad? Beter kan ik zeggen dat het boek voor een deel gaat over de relativiteit van goed en kwaad, afhankelijk van het perspectief van de lezer, maar vooral ook de omstandigheden waarin de hoofdpersoon verkeert.

De hoofdpersoon is een jongetje dat in een klein onbeduidend plaatsje ergens in Duitsland geboren wordt aan het begin van de 20e eeuw. Hij wordt geboren uit een moeder die het niet zo nauw neemt met de heersende normen. Zij kan dus niet met zekerheid zeggen wie de vader is. Dit maakt ook niet uit, een stiefvader is snel gevonden, al pakt dit voor de ik-figuur Max Schulz in pedagogisch opzicht niet zo goed uit. Seksuele mishandeling is zijn deel, maar dat neemt niet weg dat Max Schulz toch op zeer jeugdige leeftijd zijn eigen weg kiest en dat is vaak de weg die tegen de wil van zijn moeder en stiefvader in is. Zo heeft hij omgang met de zoon van concurrent van zijn stiefvader die kapper is. Daar waar zijn stiefvader een vies onbeduidend zaakje heeft, droomt Chaim Finkelstein van een salon en deze weet hij ook te verwezenlijken. Met zoon Itzig van kapper Finkelstein wordt een nauwe vriendschap gesloten. Samen gaan ze naar het plaatselijke Gymnasium, ontwikkelen ze zich op intellectueel vlak en beslissen ze na de afronding van hun studie dat het gezien de economische puinhoop in de jaren na de Eerste wereldoorlog een universitaire studie geen zin heeft. Samen leren ze het vak bij de vader van Itzig en misschien wel het meest verwonderlijke is dat ondanks zijn christelijke achtergrond, hij actief meedoet in de beleving van de Joodse gebruiken.
Saillant detail is het feit dat Max Schulz bijna een klassiek Joods uiterlijk heeft, terwijl Itzig een Ariër zou kunnen zijn. Nadrukkelijk vertelt de ik-figuur dat zijn afkomst puur Arisch is. Met de opkomst van Hitler scheiden zich de wegen van de vrienden zich wel heel nadrukkelijk.

Het verhaal is in de ik-vorm geschreven vanuit het perspectief van Max Schulz (of Itzig Finkelstein). Hij beschrijft zijn leven, de omgang met Itzig en zijn rol in het nazi-Duitsland. Hij is nadrukkelijk betrokken bij moordpartijen in concentratiekampen in Polen waar hij gedurende de oorlog is gestationeerd als SS-officier. Met deze persoonlijke geschiedenis en de Russen in 1944/45 op de hielen, weet Max Schulz te overleven in het oorlogsgebied en het in puin geschoten Berlijn waar hij uiteindelijk terecht komt. De wijze waarop het verhaal geschreven is, maakt mij in eerste instantie wrevelig. Het geeft een beetje de indruk van opa vertelt en de (klein)kinderen luisteren aan de grote keukentafel. De verteller weet zich daarbij verzekerd van een tolerant gehoor, die zijn vele herhalingen om het verhaal duidelijk te maken accepteren. Voor mij als lezer zijn die herhaling vooral irritant geweest. Gaandeweg het verhaal wordt het wel duidelijk waarom er zoveel sprake is van herhalingen. De identiteit van de hoofdpersoon wijzigt drastisch en het vertelperspectief komt meer en meer te liggen bij het wel en wee van de hoofdpersoon bij de oprichting van de staat Israël. De schrijver Hilsenrath heeft mij, na aanvankelijk een moeilijke start, overtuigend meegenomen in zijn relaas en levensverhaal. Een verhaal dat, zoals reeds gememoreerd is, gaat over goed en kwaad, maar vooral ook over de flexibiliteit van de menselijke geest. Misschien mag zelfs gesteld worden dat hij een inkijkje geeft in een zieke menselijke geest? Of zou het gaan over de zieke menselijke geest in algemeen sociologische zin? Voor mij laat de schrijver dit in het midden en daar kan ik zelf over gaan nadenken.

Gewoontegetrouw lees ik geen boekbesprekingen of achtergronden van schrijvers. De reden is dat gebrek aan tijd om te lezen, niet verstoord mag worden aan achtergrondfratsen zodat de lust om te lezen verdwijnt. Soms weet ik bij toeval iets van de schrijver, maar dat was bij Edgar Hilsenrath niet het geval. Ik heb toch maar even vluchtig gegoogled en tot mijn verbazing is het boek in 1971 al uitgebracht. Edgar Hilsenrath woonde toen in Amerika, maar besloot dit boek in het Duits te schrijven. De eerste vertaling is dus vanuit het Duits naar het Engels. Dit jaar is dit boek dan in het Nederlands verschenen.
In begin jaren zeventig stond de verwerkingsproblematiek van de Tweede Wereldoorlog in het toenmalige West-Duitsland nog in de kinderschoenen. Ondanks de goede verkoopcijfers in Amerika, durfde geen enkele uitgever het aan om de Duitse versie uit te brengen. Dit zou nog tot eind jaren zeventig duren en hiervoor was een goede marketing noodzakelijk, waarbij de kwaliteitspers nadrukkelijk gebruikt werd om het proces te begeleiden. De problematiek van verwerking was nog maar net op gang gekomen, dus een ‘foute Jood’ was in het toenmalige West-Duitsland nog niet algemeen bespreekbaar.

Ruim dertig jaar naar dato is alles wat met de Holocaust te maken heeft, de oprichting van de staat Israël en de problematiek rondom de vorming van een Palestijnse Staat nog steeds in het nieuws. Het boek van Edgar Hilsenrath kan in dit perspectief daarom nog steeds als zeer actueel beschouwd worden. Actueel in het licht van de hedendaagse ontwikkelingen, maar zeker ook actueel vanuit een psychosociaal perspectief waarin een mens vanuit bepaalde omstandigheden handelt (of moet handelen)

 Edgar Hilsenrath
Nazi en de kapper
1971 engels/
1990 duitse versie t.b.v. nl versie/
2008 vertaald in Nederlands
uitgever Anthos Amsterdam