Anti katten column/ 29-06-2008

Na drie kwart jaar bloggen is het me opgevallen dat de aandacht bij een aantal mensen voor hun huisdier en dan met name katten hevig uitgeleefd wordt. Nu, ik deel de liefde voor katten niet, integendeel.

Allereerst ben ik allergisch voor die beesten, dus het ultieme argument om mijn eega, wel kattenliefhebster, iedere vorm van discussie te ontnemen om een kat in huize Sprakeloos te nemen. Of beter gezegd, een kat de keus te geven voor een gezellig huisje. Ja, ja, want dat is ook zo’n jeukargument, dat mensen niet een kat kiezen, maar een kat een huis.

Maar de echte onenigheid tussen mij en katten, stamt van het eerste zandbakje dat ik als trotse en empathische vader heb laten metselen in de tuin. Niet snel daarna was het een openbaar toilet voor katten. Tegenwoordig, levend in een wijk met veel katten (en honden overigens) moet ik bij het tuinieren altijd rekening houden met kattenstront op de meest onverwachte plaatsen en zijn we genoodzaakt horren voor onze ramen te plaatsen want een van die brutale buurkatten heeft ontdekt dat je zo het raam in kunt klimmen. De echtelijke stonde is al twee keer misbruikt als rustplaats.

Mijn hekel gaat niet verder dan de katten de tuin uitjagen en mijn verbazing dat er wel hondenbelasting is (heel terecht), maar geen kattenbelasting. De titel boven dit blog is niet meer dan een lokkertje, want de echte kattenliefhebber zal zeker even kijken.

Voor mij is het een aanleiding om een van mijn eerste verhaaltjes te plaatsen. Een verhaaltje dat ik zo’n 6 jaar geleden, toen ik begon met kleine verhaaltjes, heb gemaakt. Over mijn lievelingsdieren.

Stokstaartjes 

Al heel vaak is de vraag gesteld, wie kijkt nu naar wie, bij een bezoek aan de dierentuin. Sommige dieren lijken helemaal geen belangstelling te hebben voor de mensen die hun verblijf bezoeken. Dit is bij vogels vaak duidelijk. Eenden gaan hun eigen weg, flamingo’s blijven staan waar ze staan en papagaaien met hun mooie felle kleuren hebben op grond van hun prachtige veren geen zin om te reageren. “Wij zijn mooi genoeg en dat is voldoende legitimatie om hier te zijn, doe er maar wat mee.” Zo’n houding stralen ze tenminste uit.

 
De leeuwen liggen meestal lui op de grond of lopen wat sloom heen en weer. Hun jachtinstinct lijkt uitgedoofd, maar af en toe lijkt het hun te spijten dat de afscherming naar de kijkende mensen een onneembare barrière is. Apen spreken natuurlijk al jaren tot de verbeelding, mede door het feit dat onze verre voorouders ontegenzeggelijk iets met hen van doen hebben. Wij projecteren het gedrag van de apen al snel op ons eigen gedrag en lijken ze goed te begrijpen. Andersom lijken apen ook heel veel belangstelling te hebben voor hun omgeving, met name de mensapen vermaken zich soms met de kijkende mensen. Op andere momenten storen ze zich zichtbaar aan hun “ontwikkelde” soortgenoten.
 

 Naast de apen mogen ook stokstaartjes zich in een grote schare fans verheugen. Ik durf niet eens te zeggen hoe de stokstaart zich verhoudt tot de mens als we de evolutie bekijken, maar ze hebben in ieder geval een schrander uiterlijk. Bovendien ogen het heel sociale diertjes die liever geen ruzie maken met hun buren.

Wat mij nu het meest intrigeert is waar ze hun blik op richten als ze zichzelf in evenwicht houden met hun staart en hun voorpootjes gekromd op hun borstkastje. Kijken ze alleen of ruiken ze vooral? En wat zien of ruiken ze? Ik weet het niet. Ik probeer mee te kijken, maar zie meestal niets bijzonders. Ja soms een wat buitenissig geklede dame met een rare hoed, maar zoiets trekt mijn aandacht, toch niet van de stokstaartjes? Nee, ze geven de indruk zaken waar te nemen die voor ons, menselijke stervelingen, altijd een geheim blijft. Het geeft de dieren iets mystieks zonder een hooghartige of verwaande uitstraling. Ik had al gezegd dat het ook sociale diertjes zijn, want als de een iets waarneemt dan houdt hij of zij het niet voor zich zelf. Met een of meer soortgenoten houden ze zaken in hun omgeving scherp in de gaten. Na een tiental seconden, soms korter en soms weer langer, verslapt de aandacht dan ook massaal. De stokstaartjes ontspannen zich, lopen op vier pootjes naar andere plekken in hun verblijf en herhalen dan weer hetzelfde ritueel.
In uitzonderlijke gevallen verdwijnen ze met zijn allen in de holletjes die de stokstaartjes ter beschikking staan. Volgens mij moeten ze dan vergaderen over hetgeen ze hebben meegemaakt. In alle rust delen ze elkaar mee wat ze gezien hebben. Zijn ze dan ongerust of verdrietig? Of lachen ze zich een ongeluk? De jongste van het stel wordt tijdens zo’n vergadering altijd nog even naar buiten gestuurd om te kijken of “het” er nog wel is. Hij neemt de mystieke tuurhouding even aan en verdwijnt dan weer naar de vergadering. “Het is er nog|” zal hij tegen zijn vriendjes zeggen. Maar wat, het blijft me intrigeren. Heel soms vraag ik me af of ikzelf niet het slachtoffer ben van hun observatiedrift. Maar dat idee zet ik gauw van me af want ik draag geen buitenissige jurken of rare hoedjes.

Wandelen rond de hoogmis. Werenfriduskerk te WESTERVOORT

De ‘wandeling’ naar de kerk

Met mijn neus tegen het raam gedrukt, kijk ik vanuit de keuken naar buiten, terwijl de koffie pruttelt. De weersvoorspellingen beloofden niet veel goeds, dus ik had me verzoend met de gedachte per auto naar de Werenfriduskerk in Westervoort te gaan. Echter er verschijnt een waterig zonnetje, dus die vijf kilometer fietsen mag geen probleem zijn. ‘Maar mijn fiets moet naar de fietsenmaker’, zegt het duiveltje in me.

Ik weet dat de stationsfiets me, met iets meer moeite weliswaar, ook wel in Westervoort brengt.

‘Ik ben al wat aan de late kant, bovendien heb ik een uur minder kunnen slapen vanwege het vooruit zetten van de klok.’ Weer dat duiveltje in mijn oor.

Voordat je goed en wel in de auto zit, ben je al halverwege Westervoort. Onzin dus. Bij het prepareren van mijn spullen ontdek ik dat de batterijen van het fototoestel op zijn. Gelukkig, nu moet ik wel met de auto om even langs het benzinestation te rijden.

‘Gered’ door de gong. Mijn gemakzucht wint het van mijn schuldgevoel. Vorige week maakte ik nog spijtig melding van het feit dat ik die week daarvoor een boete van €52, –  heb gekregen voor te hard rijden. Afgelopen week kwam daar een tweede boete bij. Ruim het dubbele bedrag nota bene voor diezelfde rit. Binnen een kwartier meer geld weggebracht aan verkeersovertredingen dan daarvoor. Ik voel me schuldig en wil de auto eigenlijk wegdoen. Ik ben de auto niet meer waard.

Parallel aan de woorden voorafgaand aan de communie ( Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt maar spreek slecht één woord en ik zal gezond worden) bedenk ik me het volgende: Heilige Auto, ik ben niet waardig om met U te gaan, maar geef me slechts één teken en ik zal U wederom vereren.

Het teken kwam, via de lege batterijen. Terwijl de klokken luidden, zette ik mijn Heilige koe enkele honderden meters van de kerk om ook vandaag het wandelende gevoel op te bouwen op weg naar de Werenfriduskerk.

 

De Volvo 850 met gezegende cruisecontrol

De Werenfriduskerk

Meerdere keren per week kom ik langs de kerk in Westervoort, maar pas bij het wandelen rond de hoogmis word ik me bewust van de naam, Werenfridus. Het kan mijn eigen domheid zijn, mijn gebrek aan onderwijs of onoplettendheid in het algemeen, maar ik had nog nooit van de beste man gehoord. Seksistisch als ik ben, ga ik er vanuit dat het een man is. Vooraf heb ik me dus snel ingelezen in Werenfridus of ook wel Werenfried van Elst genoemd.

Werenfried is geboren in Duitsland, doet zijn priesteropleiding in Ierland bij de orde van de Benedictijnen en sterft in 760 in Westervoort. Hij is dus een tijd- en Ordegenoot van Bonifatius, die ik dan weer wel ken. Misschien waren het wel maatjes van elkaar? Al zoekende kom ik er bovendien achter dat er toen, bij het evangeliseren van de Germanen, Franken en Friezen, al sprake was van een kerkelijke stammenstrijd. Het Christendom vanuit Ierland schijnt toch anders te zijn geweest dan de wijze van evangeliseren vanuit Rome. Nu schijnt Bonifatius ondanks zijn herkomst van de Britse eilanden, toch de Roomse manier van evangeliseren te hebben voorgestaan. Waarschijnlijk uit machtsoverwegingen die in dit kader te ver gaan om uit te leggen. Maar Rooms of Iers katholicisme, evangeliseren van de Wilden in de Lage Landen was geen sinecure. Bonifatius heeft het bij de Friezen zelfs met de dood moeten bekopen. (754 na Christus)Voor zover ik weet is Werenfridus een natuurlijke dood gestorven, maar ook hij zal toch de nodige weerstand hebben ervaren en ruimschoots rekening hebben gehouden met de heidense gebruiken, ook bij de voorouders van de huidige Westervoorters.

Dit lezende ben ik over twee zaken erg verbaasd. Wat een reislust hadden de mensen toen al. Bovendien verwonder ik me iedere keer weer over kleine wetenswaardigheden van dorpen en kerkgemeenschappen en dat hun geschiedenis al zo ver terug gaat. Dat verwacht je helemaal niet van een slaapdorp onder de rook van Arnhem. U kent Westervoort misschien niet, ze hebben landelijke ‘faam’ gekregen door al twee keer als slechtste gemeente uit de bus te komen volgens Elseviers Magezine.

Ik weet niet of het terecht is, maar ze hebben in ieder geval wel de Werenfriduskerk en dat is een kerk met een roerige geschiedenis die al dateert van de 12e eeuw en ook tijdens de Tweede Wereldoorlog bij het terugtrekken van de Duitsers niet ongeschonden uit de strijd is gebleven. Op Palmzondag ‘wandel’ ik dus rond de hoogmis van de Werenfriduskerk.

 

De Werenfriduskerk te Westervoort aan de Dorpsstraat

Palmzondagviering

Bij binnenkomst van de kerk, viel een enkele palmpasenstok op. Ik vond het er niet veel, terwijl het toch relatief druk was en ook meer dan gemiddeld jongeren van onder de vijftig aanwezig waren. De viering zou worden geleid door pastor Sevenhoven. Een gelegenheidskoor van kinderen en volwassen was eveneens aanwezig. Ze stonden achter het altaar samen met twee gitaristen en een fluitist(e). De laatste heb ik alleen gehoord, niet gezien.

Aan de andere kant van het kerkpad zitten twee oudere dames geanimeerd met elkaar te praten, niet beseffend dat de akoestiek van de kerk vrij ver draagt. Ze hebben het over de teloorgang van de personele bezetting in de kerk, maar ook andere praatjes die meer bij een theekransje horen, waren luidt en duidelijk te verstaan. Het valt me andermaal op dat van een serene stilte voorafgaand aan de viering, hooguit onderbroken door hinderlijk gekuch, geen sprake meer is. Om te zeggen dat er een kroegsfeer is, gaat te ver, maar zonder schaamte babbelen mensen met elkaar in afwachting van de ‘voorstelling’ die gaat komen.

Om tien uur precies komt vanuit de hoofdingang een tweetal dames met zo’n vijftien kinderen. Uiteraard zijn ze voorzien van fleurige palmpasenstokken. Ik dacht ook al, is er al weer een traditie in onbruik geraakt. Ik was te snel met mijn conclusies. Achter de kinderstoet loopt de pastor. Een van de oude dames groet hem omstandig, hetgeen mij als ietwat overdreven overkomt. Maar goed wie ben ik in deze. De aanvang van de mis zorgt er wel voor dat de aandacht van de twee dames verlegd wordt naar het gebeuren rondom het altaar in plaats van zich met elkaar bezig te houden.

Met palmpasen wordt herdacht dat Jezus van Nazareth als een koning wordt binnengehaald in Jeruzalem. De hoop en verwachtingen waren hoog gespannen in het toenmalige Jeruzalem. Het zinderde in de lucht. De nieuwe koning zou mogelijk de machthebbers inclusief de Romeinen verjagen. Met palmtakken werd Jezus binnengehaald en bejubeld. De bevrijding die Jezus in gedachte had, was toch van een hele andere aard.

De palmstokken worden na afloop van de dienst opgehaald

De kinderen met hun palmpasentakken werden betrokken bij de viering. Zij deden hun ronde door de kerk met de pastor ter verering van de Koning en het koor zingt van Hosanna. Palmstokken werden gezegend en alle kerkgangers kregen hun gezegende ‘palmtakbuxes’. En wat te doen met deze palmtak? Dat was het onderwerp van de preek. Voor de handliggende suggesties werden gedaan zoals het bij een foto van een overleden geliefde leggen, of op diens graf. Ook zou de tak de bescherming van je huis kunnen dienen. De palmtak symboliseert de hoop, een nieuw begin, misschien wel de lente. Ik heb zomaar een vermoeden dat Werenfridus en zijn maatje Bonifatius hier ook consessies moesten doen aan de heidense gebruiken, ook in het rivierenlandschap van Westervoort. Zelf kom ik op een lumineus idee om zijn palmtakje een goede plek te geven.

De pastor gaat verder, want losse palmtakjes zullen verwelken als ze van de bron worden afgerukt. Hierin zit natuurlijk de kern van het verhaal, dat het los geraken van de bron, het gevaar van verwelking met zich meebrengt en dat moet ten alle tijden voorkomen worden.

De beide dames naast me blijven op momenten dat de pastor even druk is met de kinderen, elkaar met allerhande wetenswaardigheden bestoken. Het komt wel oneerbiedig over, maar dan wel gezellige oneerbiedigheid. Bij het elkaar vrede wensen en handen schudden is de luidruchtigste van de twee dan ook niet te beroerd om uit de kerkbank te stappen en alle haar omringende mensen vrede te wensen. Ook mij geeft ze de hand en kijkt me monsterend aan.

Als halverwege een vrouw met een meisje binnenkomt, gooit ze haar oude nek in een verrekking, zeker als het tweetal met de palmpasenstok naar het altaar loopt. Pas daarna nemen ze plaats in de kerkbanken. Het gezicht van de vrouw in combinatie met de witte handschoenen van het meisje geven mij de zekerheid dat het om Polen gaat. Naast mij hoor ik iets miespelen van ‘zomertijd’. Dat is ook mijn gedachte. Even later komt nog een vrouw binnen. Ook zij ziet er niet uit alsof zij afkomstig is van voorouders die Werenfridus nog hebben gekend. Mijn inschatting is dat ze uit de voormalige Sowjet-Unie komt. Vanaf haar commentaarpositie legt de oude dame nu heel omstandig uit dat de klok een uur vooruit is gegaan. De nieuwkomer kijkt alsof ze het niet begrijpt.

‘Maar je kunt nog wel ter communie’ zegt de kerkelijke Mart Smeets als troost.

Westervoort zou het oudste dorp van de Liemers zijn. In 726 na Chr. komt de naam voor het eerst voor. Dit is ook de tijd dat Werenfridus zijn evangeliserende werken deed in de omgeving. Het kunstwerk (van Dick van Duivenvoorde) dat het 1250 bestaan van Westervoort symboliseert. De man, vrouw en het kind staan uiteraard voor de bevolking in de plaats. De handen in elkaar symboliseren de “W” van Westervoort. Voorts moet het monument ook de grilligheid van het rivierenlandschap weergeven.

Overpeinzing

 Vanaf het moment dat ik weet wie Werenfridus is, loop ik met de gedachte wat deze mensen moet hebben bewogen om te evangeliseren. Buiten het feit dat het in die dagen een buitengewone gevaarlijke klus was, vraag ik me af wat de achterliggende ratio is geweest. Uitgaande van goede bedoelingen bij het verkondigen van de blijde boodschap  – letterlijke vertaling vanuit het Griekse woord euvangelia – ben ik er zeker van dat het niet louter en alleen uit menslievendheid is gedaan en zeker niet altijd met vrede gepaard is gegaan.

Wat overweegt mensen om anderen te overtuigen van een boodschap of deze nu kerkelijk is of politiek? Wat doen mensen niet goed zodat zij bij anderen het gevoel oproepen dat er iets gedaan moet worden om te verbeteren, het brengen van een blijde boodschap. Wat deden de primitieve Westervoorters toen niet goed volgens Werenfridus. En wat doen christenen nu niet goed volgens sommige moslims en andersom natuurlijk? Raar toch dat evangeliseren, maar wel goed dat je kennis kunt nemen van allerlei boodschappen, bijvoorbeeld deze week in de Werenfriduskerk.

De wandeling terug

Voordat ik wegrijd, hang ik het palmtakje aan het achteruitkijkspiegeltje in de auto. Terwijl ik het dorp Westervoort bijna verlaat, kijk ik tevreden naar het stukje lente in de auto. Nieuwe hoop en hulp bij beter rijgedrag. Echter door deze onoplettendheid gaat de snelheidsmeter al naar de 55 km en dan juist op een stukje dat bekend staat om de strikte controles. De verantwoordelijkheid mag ik dus niet aan het takje ophangen, maar moet ik bij mezelf houden.

 

Andere wandelingen:

Hoe het begon; H. Remigius, Duiven; Andreasparochie, Groessen; Pauluskerk, Raalte; Abdij Sion, Diepenveen; Werenfriduskerk, Westervoort ; St. Antonius Abt Parochie, Loo; St. Stevenskerk, NijmegenMartinuskerk, Twello ; St. Mary -Star of the Sea Church, Hasting (GB); Ned. Herv. Kerk, Achlum; Kölnerdomkirche, Keulen; Stephanuskerk, Borne ; Vrij Katholieke Kerk ChristusPantocrator, Raalte, Stephanuskerk, Heel

 

DE OVERGAVE/ Arthur Japin

Deze zomer was ik, net als velen met mij ‘slachtoffer’ van de marketingafdeling van Uitgeverij De Arbeiderspers. Preciezer gezegd, mijn partner kwam thuis met het boek ‘De Overgave’ van Arthur Japin en daarmee was het ons boek.

Het woord slachtoffer is mogelijk een denigrerende opmerking, want tot mijn schaamte kende ik Arthur Japin niet. Ik had nog nooit iets van de man gelezen, sterker nog ik, kende zijn naam niet eens. Misschien schandalig, maar soms zijn Gods wegen ondoorgrondelijk en Hij had bepaald dat Sprakeloos en Japin elkaar nog niet hadden getroffen. Uiteraard is mijn treffen met Japin meer voor de hand liggend dan andersom, maar dit terzijde.
Deze zomer kon geen enkel persoon die een boekwinkel binnenkwam of een catalogus inkeek om Arthur Japin heen. En dat is heel handig, want ik behoorde blijkbaar niet tot de doelgroep die zou zeggen:
‘Hup, naar de winkel, de nieuwe Japin is uit.’
Dus met een heuse Japin in ons bezit, hebben de marketing managers groot gelijk gekregen.

En in één keer had iedereen het over ‘De Overgave’ en Japin was kind aan huis in Hilversum om over zijn werk te praten. Bovendien, mijn vrouw was laaiend enthousiast, dus vol goede moed begon ik in augustus 2008 met het meesterwerk.
Degene die dit blog een beetje volgt, heeft kunnen zien dat ik me niet echt heb kunnen overgeven. Sterker nog, ik heb het opgegeven bij pagina 268. De laatste honderd bladzijdes lukten me niet meer.

Mijn uitdaging is te achterhalen waarom? “Iedereen”heeft het gelezen, iedereen is lyrisch en ‘De Overgave’ is door vaklieden en publiek ruim geprezen en dus van prijzen voorzien. Waarom kan ik niet gezellig meedoen? Ik kan de vinger er niet echt achter krijgen. Te rauw? Te plastisch? Te traag? Dit kunnen nog wel eens oorzaken zijn dat ik afhaak. Maar daar kan ik dit boek niet op betrappen.
Ook taalgebruik of zinsopbouw kan ik intellectueel behappen, al had ik zelden dat ik onder de indruk was. Het verhaal en de historische achtergrond zijn ook geen reden om het lezen te staken. Onwillekeurig moest ik denken aan mijn middelbare schooltijd en het begrip ‘New Frontier’. In dit boek proefde ik eindelijk dit begrip inclusief een weinig romantisch beeld van de avonturiers. Bovendien waren de Indianen nu eens niet alleen willoze slachtoffers of Wilden. Allemaal ingrediënten die pleiten voor dit boek.

Al terugdenkend vermoed ik dat Granny, de hoofdpersoon en held in dit boek mij te nadrukkelijk aanwezig was. Het vertelperspectief lag te veel bij haar ook als het gaat om relatief kleine onbeduidende details. Hiermee kreeg ik onwillekeurig en mogelijk ten onrechte de indruk dat er te nadrukkelijk naar een plot toe gewerkt moest worden. De uitkomst is mij uiteraard onbekend, want nog honderd bladzijden niet gelezen.

Het is maar een indruk, maar er is nog iets waardoor het leesgenot stagneerde, namelijk het optreden van de auteur zelf. Zoals gezegd, ik kende de beste man niet, maar nu zag of hoorde  ik hem menigmaal en ik stoorde mij aan ogenschijnlijk kleine dingen. Zijn accent irriteerde me mateloos. Hoe konden zijn geschreven woorden geloofwaardig zijn in ‘De Overgave’ terwijl ik hem als schrijver arrogant inschat?

Ik ben mogelijk heel kleinzielig, maar ik heb dat met meer schrijvers en niet de minste namelijk Harry Mulisch en Arnon Grunberg. Ik heb een enorme aversie hun boeken te lezen omdat de schrijver bij mij dan op de voorgrond komt en niet het verhaal. Dit brengt een incongruentie met zich mee die ik helaas niet kan overbruggen. Het is mijn gebrek, maar ik kan leven met een onvoltooide ‘Overgave’.

De overgave

Arthur Japin

Uitgeverij De Arbeiderspers

Amsterdam-Antwerpen

1e druk 2007 

 

 

 

39, het voorgeborchte van de midlife crisis

In mijn jeugdige overmoed schreef ik bijna drie jaar geleden het onderstaande stuk met bovenstaande titel. Volgens mij is dit stuk na bijna drie jaar aan revisie toe. Ik heb nog een maand om hieraan te werken.

Ieder weldenkend mens heeft in meer of mindere mate momenten in het leven dat er sprake is van overpeinzingen, bespiegelingen of reflecties. De ene mens wat meer dan de ander, hetgeen ook meteen leidt tot grote verschillen in de gemoedstoestand. Ik wil daarbij de non-denkers niet meteen bestempelen tot leeghoofden of psychopaten, maar in mijn overpeinzingen komt dat wel eens bij me op.

Nu zijn er ontwikkelingsfasen in het leven van de mens waarbij allen, zonder uitzondering, in ieder geval de mogelijkheid wordt geboden om eens bij jezelf stil te staan. Vaak ligt de ontregeling van de hormoonhuishouding, voor zowel hem als haar, hier aan ten grondslag. De puberteit en de meno/penopauze zijn hiervan de meest voor de hand liggende voorbeelden. Niet dat een ieder gebruik maakt van de kansen die het menselijk lichaam hen biedt om wijzer uit die hormonenstrijd te komen, maar ik gaf al aan dat de verscheidenheid tussen de mensen onderling groot is en dat is prettig voor observatoren met schrijversambities.
Naast de hormoonhuishouding is er binnen de ontwikkelingspsychologie een aantal indelingen gemaakt van ontwikkelingsstadia die een normaal mens zou moeten doorlopen. Nu wil ik in dit kader niet de discussie aangaan wat normaal is, want als amateur-observator kan ik daar geen zinnig antwoord op geven.

Het is de wetenschap eigen om via modellen, classificaties of enigszins kunstmatige indelingen de werkelijkheid in beeld te brengen, zo ook het ontwikkelingsmodel van Erik Erikson (1902-1994). Erikson geeft het leven van de mens weer in een aantal fases te weten de orale fase, anale fase, schooljaren, adolescentie en de verschillende fases in de volwassenheid.
In een grove simplificatie van de theorie van Erikson stel ik dat zich in iedere levensfase een levensles herbergt. De levenslessen zijn zeer uiteenlopend, maar het goed doorlopen van de fase gaat samen met het op een bevredigende manier beantwoorden van de levensvragen in een specifieke fase. Een positieve afsluiting van de ene levensfase herbergt garanties voor een sterker ego in de volgende levensfase.
Een psycholoog zou kromme tenen krijgen van bovenstaande uitleg en een psycholoog met wetenschappelijk aspiraties kan mogelijk met de simplificatie überhaupt niet leven.
Schrijver dezes is echter geen psycholoog en kan zich heel goed vinden in de indeling van de ontwikkelingspsycholoog Erikson.
Ik mis echter een belangrijk aspect in de indeling van Erikson die ook bij zijn collega’s niet is terug te vinden en dat is de zogenaamde kruispuntfase. Een korte uitleg is hier wel op zijn plaats dunkt me.

De levensverwachting van Nederlandse mannen anno nu is ongeveer 76 jaar. Het is niet onmogelijk dat dit nog een klein beetje gaat toenemen de komende decennia, dus laten we uitgaan van 78 jaar voor de gemiddelde Nederlandse man en alles wat meer is, is een cadeautje van de Allesbestierende.
In het huidige tijdsbestek heeft de Nederlandse man op zijn negenendertigste verjaardag zijn kruispuntdag, want de kruispuntfase is slechts een dag. Ook hier is nadere uitleg op zijn plaats, al zal de intelligente lezer het al wel begrijpen. Op zijn negenendertigste verjaardag is de Nederlandse man statistisch precies op de helft van zijn leven. Je zou ook kunnen zeggen op zijn hoogtepunt, maar dat klinkt niet waardevrij en om mijn toevoeging aan de theorie van Erikson toch enig wetenschappelijk cachet te geven, kies ik voor kruispuntfase, slechts een dag dus.

Ik begon mijn betoog over peinzers en losbollen, over mensen met zelfreflectie en domkoppen en het moge dus duidelijk zijn dat iedereen deze fase anders beleeft. Nederlandse vrouwen krijgen in de regel iets later te maken met de kruispuntfase dan mannen, maar ieder weldenkend mens ervaart zijn 39e verjaardag dus heel intens, niet voor de buitenwereld, maar voor zichzelf.

Negenendertig jaar is voor mij het beste te kwalificeren als het voorgeborchte van de midlifecrisis. Je bent nog te dicht bij je eigen jeugd en de jeugd in je directe omgeving, om al bezig te kunnen zijn met het opmaken van een balans van je leven. Maar aan de andere kant is iemand van 21 jaar vele lichtjaren verder verwijderd dan een 55-plusser die de midlifecrisis heeft doorlopen. 39 jaar, eigenlijk te groot voor het servet en nog te klein voor het tafellaken, zo kun je dat eigenlijk het beste omschrijven. Het voelt dus aan als het voorgeborchte van de midlifecrisis maar hoe beschrijf je dat?

Voor mij is dat het beste te omschrijven als je een leeftijdgenoot van de andere sexe observeert, want bij vrouwen is de strijd tussen de jeugdigheid, ijdelheid aan de ene kant en tevredenheid en doorleefdheid aan de andere kant, veel beter voor de buitenstaander waar te nemen. De buitenkant van een 39-jarige vrouw is vaak een spiegel van de innerlijke strijd die rondom de kruispuntfase gestreden moet worden. Bij mannen is dit veel minder zichtbaar, maar daarom is de strijd niet minder heftig.
Een vrouw van negenendertig ziet er in de regel niet meer zo jeugdig uit als een twintigjarige, of de cosmetische industrie, of erger nog, de plastische maffia heeft zijn werk goed gedaan. Toch kan de uitstraling van een 39e jarige vrouw ongelooflijk jeugdig zijn. Een negenendertig jarige vrouw met plezier in het leven, weldenkend en doorleefd, is misschien qua uiterlijk wel op haar hoogtepunt. Een tikje zwaarder, een rimpel of zelfs een grijze haar is daarbij absoluut geen bezwaar. Meestal zijn dat vrouwen die modern (of zelfs jeugdig) gekleed kunnen zijn, maar zich heel goed realiseren dat ze het niet meer zijn, dus niet met iedere vluchtige trend mee hobbelen, want dat zou pathetisch zijn.
Dit zijn niet de vrouwen die kost wat kost jeugdig moeten zijn en niet kunnen accepteren dat de zwaartekracht zijn tol eist en dit proberen te verbloemen met siliconen of andere correcties. En al evenmin zijn dit de vrouwen die al het jeugdig elan meer dan een decennium ervoor hebben opgegeven en tevreden zijn met een vijfenzestigplus permanentje en hun gebrek aan ‘joi de vivre’ etaleren met slobberkleding en een afgetobde uitstraling waarvan de buitenwereld de schuld krijgt omdat ze totaal gebrek aan zelfreflectie hebben.
Het uiterlijk is in alle gevallen een afspiegeling van de innerlijke strijd en de persoonlijke oplossingen voor de levensvragen. Het willen blijven openstaan voor veranderingen en het accepteren van de dynamiek van het leven is in de kruispuntfase mogelijk wel het belangrijkste issue.

Ook voor mannen geldt dit, alleen is dit veel minder gemakkelijk af te lezen aan het uiterlijk. De aandacht voor uiterlijk mag al minder gemanifesteerd worden en een kalend hoofd wordt al snel met ouderdom geassocieerd. Toch geldt ook voor mannen in de kruispuntfase ‘ben ik klaar om nog flexibel in het leven te staan en daarmee mezelf in te dekken om de midlifecrisis zonder al te veel brokken te doorstaan?’

Koeien op stal en de tang op het varken

Op de voorpagina van De Gelderlander staat een foto van een dartelende jonge koe. In combinatie met de heldere blauwe lucht en de zonnestralen dacht ik dat de krant ons de lente in wilde praten. En daar stond ik open voor, ‘Spring is in the air’. Nadere beschouwing leert dat geleerden van de Wageningen Landbouw Universiteit van oordeel zijn dat koeien beter af zijn op stal en ook het welzijn van varkens en kippen binnen beter is dan wanneer ze vrij buiten lopen.

Net op het moment dat ik standaard op de verpakking kijk van mijn eitjes in schap van de supermarkt of ze wel van het merk ‘Scharrel’ zijn; net op het moment dat we in de buurt voor het eerst een biologische rundvleeshouder hebben ontdekt en overwegen om er vaker te komen; net op het moment dat we niet standaard in een lachstuip schieten als er allerlei macrobioten en andere ongezonde bleke types vanuit de biologische winkel ons wijzen op de voordelen van onbespoten groente, rechtsdraaiende yoghert en een kippetje dat van het leven heeft genoten, met als gevolg dat de carnivoor in ons er iets minder lol aan heeft.

Net op dat moment moeten we allemaal weer anders. Schijnen de ligboxstallen eigenlijk best goed te zijn, hoeft een varken niet te wroeten en geniet misschien wel van de knorflats op de industrieterreinen en vinden de dames kip het best gezellig zo dicht op elkaar. Schiet mij maar lek. Wie levert op dit moment de verantwoordelijke voor landbouw in het kabinet Rutte? Ik geloof geen minister, maar een staatssecretaris. O ja, Bleker van het CDA.

‘Do I have to say more?’

Nu ben ik geen warm voorstander om dieren allerlei menselijke eigenschappen toe te dichten, de reden om mij verre te houden van de Partij voor de Dieren. Laat staan dat ik het absurde idee van Dion Graus (PVV) ga omarmen, Animalcops. Mensen gaan bij mijn politieke keuzes toch altijd voor. Dat neemt niet weg dat ik het belangrijk vind om een beetje netjes omgaan met je omgeving (mens, dier en natuur). Alleen daarom was of ben ik best ontvankelijk voor een eerlijk stukje vlees. Of me dit als carnivoor altijd lukt, durf ik niet te beweren, maar het streven is in ieder geval nobel. Tenminste, dat dacht ik tot vanmorgen. Koeien horen op stal aldus de Wageningse geleerden. Het slaat als een tang op een varken.

Ik denk dat ik maar eens ga genieten van de lente door een wandeling te maken. Misschien kom ik al wel heel veel foute koeien tegen. Ik hoop het.

K*tjelekker25, veel is er in veertig jaar niet veranderd

De herinnering aan je eigen geboorte is voor de meeste mensen een onmogelijke opgave. Tenminste, dat is mijn mening, al beweren kleine groepjes spirituelen het tegendeel. Je eigen komst op Aarde is een enorme leegte die hooguit opgevuld kan worden met de informatie die je ouders kwijt willen. In mijn tijd was het nog niet gebruikelijk om van de bevallingssereniteit een multimediaal circus te maken en de kraamvisite te trakteren met foto’s en video’s van het moment suprême. Ik geloof dat ik niet rouwig ben over het gemis van de beelden van mijn Aardse landing.

In tegenstelling tot de geboorte, behoort een bezoek aan je geboorteplaats wel tot de reële mogelijkheden. In mijn geval is dat Heel, nabij Roermond. Soms zijn er momenten dat je heel even een glimp wil opvangen van het huis waar het eens allemaal begon. Een rationeel argument voor deze oprisping kan ik niet bedenken. Maar goed, de ratio van het leven zelf is niet altijd even gemakkelijk, echter omdat levenstwijfel zo’n vermoeiende bezigheid is, zoeken we maar naar wat verstrooiing. Bijvoorbeeld in een weekend met je zoon langs je geboortehuis rijden. In het Limburgse Heel dus.

Welwillend zit je zoon naast je in de auto, na een lunch op het marktplein in het nabij gelegen Belgische Maaseik. Samen keuvelen we een beetje, de radio is aan met hedendaagse muziek. Het is behaaglijk warm in de wagen, in tegenstelling tot de natte waterkou in het Limburgse Maaslandschap.

‘ Zullen we even naar mijn geboortehuis rijden?’

‘ Is goed, maar zijn we daar acht jaar geleden ook al niet geweest?’

‘ Goh, weet je dat nog?’

‘ Ja, maar ik wil er nog wel eens heen.’

Bij binnenkomst in Heel is het noodzakelijk om de plaatselijke plattegrond even te raadplegen, want de weg weet ik niet meer. Ik heb dan ook maar 18 maanden in Heel gewoond. De zachte G is ook niet aan me blijven kleven. Gelukkig is het een klein dorpje en het adres is zo gevonden.

Ondertussen vermaakt mijn zoon zich met het lezen van de routernamen in de omgeving. Via zijn mobiele telefoon kan hij al rijdend alle draadloze internetverbindingen traceren. Vaak hebben deze verbindingen voor de hand liggende namen die refereren naar de naam van de bewoners van het pand. Het was ons al opgevallen dat naast Janssen, de naam Gijssen en Hendriks veelvuldig voorkomen. Soms wordt slechts het adres de routernaam en in enkele andere gevallen is er iets creatievers bedacht.

‘ Pierke, Ge Fransen, vlaaibaai, Janssen.’

De namen in Heel worden opgelezen via het mobiele wonder van mijn zoon.

‘ We zijn er bijna.’

Mijn zoon kijkt op en zegt terecht dat het niet zo’n beste buurt is.

‘ Och, dat valt wel mee,’ zeg ik tegen beter weten in.

De vorige keer was het me al opgevallen dat de straat waarin ik geboren ben er wat sjofel uitzag.

‘ Gewoon een arbeidersbuurt, niets mis mee.’

Mijn ouders, komend van ver buiten Limburg, waren altijd erg content met het nieuwbouwhuis dat zij toentertijd betrokken. In de tijd van woningnood van de jaren zestig was een knap huisje belangrijker dan een baan. Toen het huis via een landelijke advertentie gevonden was, werd de baan er gewoon bij gezocht.

‘ Frans Schoenmaker, Arie&Truus, Kutjelekker……….hè?

Mijn zoon barst in lachen uit.

‘Die zijn niet wijs, Kutjelekker25, dat doe je toch niet? Wat een kansloze lui. Op welk nummer ben jíj geboren pa?’

‘ Op nummer 25.’

De hilariteit was compleet. Met een korte blik op het huis, de vleselijke voorkeur van de huidige bewoners tonend, rijden we maar door, de verloedering achter ons latend.

‘ Het is niet meer wat het geweest is,’ verweer ik me zachtjes zonder dat mijn zoon het hoort.

De laatste zin blijft in mijn hoofd hangen. Hoe was het eigenlijk, toen, in het jaar 1966?

Over Heel heb ik altijd lovende verhalen gehoord als het gaat om het eerste huis van mijn ouders. De omgeving vonden ze bovendien geweldig, maar daarmee hield de loftrompet over Heel eigenlijk wel op.

Ze kwamen uit Amsterdam en Utrecht en hadden inmiddels geroken aan de vrijheden die beginjaren zestig aan het ontluiken waren in Nederland. Zelf kwamen ze beide uit degelijke katholieke gezinnen uit het oosten des lands, dus eerst netjes trouwen en dan pas samenwonen. Met deze Roomse bagage dachten ze het wel te redden in Limburg. Het viel wat tegen. Mijn moeder heeft nog een tijdje gewerkt als verpleegkundige in een verzorgingstehuis voor nonnen. Menigmaal heb ik het verhaal gehoord dat de oude besjes pas dan bediend werden, hetgeen voor een plaats in het Hemelse Rijk een voorwaarde was, als het testament aan de kerk werd overgemaakt. Mijn vader was als gediplomeerd verpleegkundige aangetrokken in de zwakzinnigenzorg dat tot die tijd bestierd werd door Broeders. Ik durf niet te zeggen van welke orde ze waren, maar Broeders van Liefde voor de verstandelijk minderbedeelden waren ze zeker niet. Het vergelijk met het hedendaagse Roemenië wil ik niet maken, maar veel beter was het niet. Waarschijnlijk wel schoner, maar daar was dan ook alles mee gezegd.

In het Roomse Heel was het toen nog zeer ongebruikelijk om weerwoord te bieden tegen de geestelijkheid. Maar met diploma en eigentijdse kennis op zak, heeft mijn vader dat toch met regelmaat gedaan. Het is hem uiteindelijk duur komen te staan.

Naast de werkkring, beleefden ze ook weinig vriendschappelijke contacten met dorpsgenoten, uitzonderingen daargelaten. Ze waren ‘Òlanders’ en voor de gemiddelde bewoner van Heel deugden de Maastrichtenaren eigenlijk al niet. Mijn ouders hadden het gevoel dat ze met de nek aan werden gekeken. De hang naar hun beider roots werd snel groter. Een telefoon hadden ze nog niet, want voor een aansluiting moest rekening worden gehouden met een wachttijd van twee jaar of meer. Noodgedwongen fietste mijn vader met enige regelmaat naar het nabij gelegen Thorn om met de familie te bellen. Het alternatief was de telefoon in het plaatselijke postkantoor waarbij iedereen kon meeluisteren.

Hoewel het aan hun kerkgang niet heeft gelegen, hebben ze snel na de geboorte van mij en mijn broertje het Rijke Roomsche Limburg achter zich gelaten.

Een van de positieve uitzonderingen was de buurvrouw van mijn ouders, die van nummer 23. Niet dat ze goede vrienden zijn geworden, maar toch ze hadden een band, vooral mijn vader. Uiteraard met volledige instemming van mijn moeder. De buurman is een ander verhaal. Die zoop en sloeg zijn vrouw. Tegenwoordig zouden we dat huiselijk geweld noemen, toen blijkbaar niet. Ook ‘Blijf van mijn lijf’ huizen waren nog niet in zwang. Deugdelijke zwakzinnigenzorg moest trouwens nog uitgevonden worden.

De buurvrouw en buurman bleven gewoon bij elkaar en mijn ouders konden ongewild delen in lief en leed van het Limburgse burenpaar. Ik weet niet of de buurvrouw een knappe verschijning was. Ze had ze in ieder geval niet allemaal op een rijtje. Zo liep ze iedere keer naar buiten als mijn vader de tuin aan het sproeien was. De planten moesten nog groeien, het waren immers nieuwbouwhuizen, dus van enige privacy was geen sprake, daaraan werd gewerkt middels het sproeien. Ze bukte zich omslachtig met haar achterste naar mijn vader, die uiteindelijk bezweek voor de verleiding en de tuinslang richtte op de billen van de buurvrouw, die het uitgilde van plezier.

Op zondag had ze echter andere verplichtingen. Na de kerkgang gingen de dorpsbewoners uiteraard naar de kroeg of naar de kruidenier, die toen nog open was. Een enkeling had andere plannen. Via het achterommetje klopte ze bij de buurvrouw aan, om een half uur later weer te verdwijnen. Of buurman hier weet van had, vertelt het verhaal niet. Hij zat op dat moment in de kroeg, misschien wel van het geld dat zijn vrouw verdiende.

Eenmaal vergiste zich een klant en klopte bij mijn moeder aan met de vraag in onvervalst Limburgs:

‘ Doet de naaimachine het nog een beetje?’

Hij is onverrichter zaken weggegaan.

‘Kutjelekker25, kutjelekker25………’

Eigenlijk is er niet zoveel veranderd in die ruim veertig jaar. Toen was het ‘kutjelekker23’. Het was nog niet via een mobiel te traceren, maar veel katholieke mannen uit Heel wisten het wel degelijk te vinden.

DE SCHADUW VAN DE WIND/ Carlos Ruiz Zafón

Er zijn kwade tongen die beweren dat recensisten, mislukte schrijvers zijn, die wenend over hun eigen falen, verworden tot vileine azijnpissers, die amper in staat zijn hun frustraties en jaloezie te verbergen in hun stukjes. Terwijl ze blijven dromen over hun eigen literaire project, dat beslist beter zal zijn dan het niemendalletje dat ze van hun redacteur moeten bespreken, verlagen ze zich tot muggenziften en kinderachtige scherpslijperij.
Andere recensieschrijvers kruipen de schrijver zowat in hun hol als diens nieuwste werk aan het publiek gebracht moet worden, alsof zij zelf aandelen bezitten van de uitgeverij die het boek moet verkopen.
In het geval van ‘De schaduw van de wind’ van Carlos Ruiz Zafón kan ik u verzekeren dat de schrijver van dit stukje tot geen van beide partijen behoort. Wel moet ik benadrukken, mocht u na lezing van dit artikeltje, niet per direct besluiten het boek te gaan lezen, dit slechts ligt aan de capaciteit van de recensist. ‘De schaduw van de wind’ is namelijk een absolute aanrader voor lezers van het spannende boek met literaire kwaliteiten die bijkans ongeëvenaard zijn. Ongetwijfeld past het om dit boek aan te prijzen met louter overdrijvingen en superlatieven. Dat zegt dan vooral iets over het enthousiasme van mij als lezer. Het doet verder geen recht aan de daadwerkelijke kwaliteiten van dit boek.

‘De schaduw van de wind’ is op de eerste plaats een ongemeen spannend verhaal dat de lezer meezuigt in het Spanje, of eigenlijk vooral Barcelona, van de eerste helft van de twintigste eeuw. Het verhaal begint in 1945. Spanje is zich nog steeds aan het herstellen van de burgeroorlog en leert leven in de dictatuur van Franco, terwijl de rest van Europa nog aan het bijkomen is van de Tweede Wereldoorlog. Een jonge weduwnaar, antiquair van beroep, neemt zijn tienjarige zoon mee naar een geheime plek om hem als het ware in te wijden in de liefde voor het geschreven woord en dan vooral de literaire roman. De jongen Daniël mag op die speciale plek een boek kiezen, of eigenlijk kiest het boek de persoon in kwestie, met daarbij de zekerheid dat dit zijn leven zal gaan beïnvloeden. Daniël verkrijgt het boek ‘De schaduw van de wind’ van de onbekende schrijver Julián Carax. Al snel zal het leven van Daniël helemaal in het teken staan van het boek. Met vele verrassende wendingen, onverwachte doorkijkjes en vooral bloedstollende spanning, weet Zafón de lezer blijvend te boeien op een manier die het boek “De verdwenen Geschiedenis” van Donna Tart doet verbleken.

Maar er is meer dan alleen duizelingwekkende spanning. Naast de verhalende kwaliteit, heeft de schrijver een woord- en zingebruik die de lezer eveneens laat duizelen. Prachtige zinnen volgen elkaar in een vlot tempo op, met daarbij een zeer gevarieerde woordkeus die, zeker in het begin van het boek doet verlangen naar een woordenboek, ware het niet dat daarmee kostbare tijd verloren gaat om verder te lezen. Het woordgebruik brengt de sfeer van het verhaal, maar ook de beklemmende periode van het toenmalige Barcelona, zeer helder op het netvlies van de lezer.
Ondanks de spanning en zeer realistisch beschreven geweldadige scènes die de lezer zal laten huiveren, is het verhaal ook met een grote dosis humor gelardeerd, die vooral tot uiting komt in de verschillende dialogen. Ruzies en scheldpartijen verbouwt Zafón tot kleine literaire pareltjes, waarbij de lezer soms twee keer moet nadenken over de ernst van de beschuldigingen over en weer.
Eén zin ter illustratie, op bijna het einde van het boek, wil ik u niet onthouden. Als een van de hoofdpersonen op zoek is naar een pastoor om een huwelijk in te zegenen, weigert de pastoor, omdat de vrouw in kwestie reeds zwanger is. Zafón schrijft dan: ‘Fermín (goede vriend van de bruidegom) ontstak daarop in grote woede en sleurde hem de kerk uit, naar de vier winden schreeuwend dat hij zijn habijt en de parochie niet waard was, en bezwoer hem dat als hij ons ook maar een strobreed in de weg legde, hij een schandaal zou veroorzaken bij het bisdom waardoor de pastoor op zijn minst verbannen zou worden naar de Rots van Gibraltar om daar in al zijn benepenheid de apinnen tot het christendom te bekeren.’

De schrijver weet de spanning tot het einde vast te houden. Als het plot dan bij de lezer bekend is, volgen enkele korte afsluitende hoofdstukken die de hoofdpersonen hun gewone leven verder laten leven. Een leven waarin, evenals de enerverende episode ervoor, het boek, de liefde en de liefde voor het boek weer centraal staan.

(Ik heb het boek al in 2006 gelezen en in de overtuiging dat het al eerder onder aandacht is gebracht door andere bloggers, lijkt het een overbodige aanvulling. Echter omdat ik mijn lijst van eigen boekervaringen compleet wil maken, toch nog maar een keer dit geweldige boek. Ten tweede, ik was niet alleen de zoveel miljoenste lezer in 2006, nadien blijft het boek in alle boekwinkels nadrukkelijk aanwezig. Misschien een goede marketing, maar vooral ook omdat het een pareltje is en blijft.)

De schaduw van de wind
Carlos Ruiz Zafón
Uitgeverij Signature Utrecht /2004

Oorspronkelijke titel: La sombra del viento (2001)

Utan Ramsa in Stockholm/ 07-08-2008

Ik weet niet hoe het u vergaat bij het reizen naar andere oorden, maar bewust of onbewust worden altijd vergelijkingen gemaakt door mij als reiziger. Eigenlijk denk ik dat iedereen dat wel doet, want verschillen met het eigen vertrouwde vallen natuurlijk op. De opmerkzaamheid en de bewustwording van die verschillen zorgen er voor, al is het soms maar een klein moment van onachtzaamheid, dat een waardeoordeel gevormd wordt. In een vakantieroes kan dat nog wel eens in het nadeel zijn van het eigen vertrouwde. Op andere momenten en in andere situaties lijk je je eigen omgeving, het soms zo benauwende Nederland, heel erg te kunnen waarderen.

Dit korte reisverslag gaat over mijn verblijf met het gezin in Stockholm. De voortschrijdende globalisering, maakt het steeds moeilijker om verschillen te constateren, zeker binnen Europa. Maar volgens mij zijn ze er wel degelijk. Alleen de taal al. Dus om goed in de sfeer te komen is mijn naam Sprakeloos voor dit blog maar even veranderd in ‘Utan ramsa’, mijn vertaling via het internetwoordenboek van Sprakeloos in het Zweeds. Sprakeloos wordt dan ‘zonder woorden’.

Waarom Stockholm?

Waarom niet? Het is eigenlijk heel dichtbij en de weerstand tegen Spanje, Frankrijk of Italië in de drukke zomermaanden begon een steeds groter struikelblok te vormen. En hoe goed kennen we Zweden nu, al licht het eigenlijk heel dicht bij? Even googelen op ‘Stockholm’ en ‘vakantie met kinderen’ leerde ons dat Stockholm een conferentiestad is, maar dat de hotelkamers in de zomermaanden een lage bezettingsgraad hebben. Voor een zeer acceptabele prijs, echt eentje waar ik ‘utan ramsa’ van werd, kregen we een acceptabele hotelkamer en de ‘Stockholm à la card’. Dat wil zeggen gratis openbaar vervoer en entree in heel veel musea en toeristische boottochten. Een goedkope vliegreis is tegenwoordig snel geboekt, nog wel. Dus al met al voor de prijs waar je normaalgesproken in het hoogseizoen een week een caravan huurt aan een van de costa’s, heb je vijf dagen Stockholm, exclusief avondeten. ‘Utan ramsa’ waren wij dus en de beslissing is snel genomen.

Zweden en Stockholm?

Zweden is, ja wat is Zweden eigenlijk voor een land? Een land met goed doorgevoerd sociaal-democratische traditie, met oog voor emancipatie voor een ieder en goede sociale voorziening. Mooie lange blonde vrouwen, dure prijzen in zijn algemeenheid en voor sigaretten en alcohol in het bijzonder. Een internationaal beperkte faam als het gaat om de culinaire hoogstandjes. Vooral ook heel veel leegte en dat moet je voelen in een land dat 14 keer zo groot is als Nederland en slechts 9 miljoen inwoners kent. Kortom een zeer welvarend land. We zullen het zien.

De eerste indruk

De leegte is vanuit het vliegtuig indrukwekkend en de weidsheid van de miljoenenstad Stockholm is weldadig. De miljoenen komen niet op je af zoals andere grote wereldsteden, of zoals je dat kan ervaren in de krioelende massa’s in Amsterdam, Utrecht of zelfs Arnhem. Rust straalde de stad uit, vooral ook in het prachtige metrostelsel van de stad.
Die rust is eigenlijk mogelijk wel de rode draad in die vijf dagen. Het straatbeeld van Stockholm is levendig, maar vooral ook rustig.

ondergrondse in Stockholm

Sociaal democratie

In vijf dagen museums bezoeken lukt het mij niet om de sociaal-democratie, zoals die bedoeld is, te doorgronden. In de wetenschap dat ook de sociaaldemocraten niet meer de meerderheid hebben in Zweden is er sprake van een diepgeworteld gevoel van de normen en waarden van de sociaaldemocraten zoals ze dat in de jaren zestig en zeventig ook nog in Nederland hadden. Werkende moeders zijn vanzelfsprekender, kinderopvang is standaard goed geregeld alsmede ouderschapsverlof voor beide ouders. In een sightseeing toer wordt omstandig uitleg gegeven aan goede ouderdomsvoorzieningen in Zweden, waarbij zelfstandigheid en thuiszorg een centrale rol hebben. Zoals gezegd, ik kan dit niet allemaal precies nagaan, maar mogelijk met deze kennis in mijn achterhoofd proef ik een grote mate van tevredenheid in de straten van Stockholm. Een tevredenheid die dreigt over te slaan naar zelfgenoegzaamheid, of is dat de kift van een Nederlander die ziet dat de verzorgingsstaat in Nederland om zeep wordt geholpen door verregaande kleingeestige betutteling en bureaucratie. En dat is veel erger dan een verschraling van de verzorgingsstaat als gevolg van economische malaise.

Opvallend was, tenminste dat dachten wij te zien, het feit dat ’s avonds junks werden weggehaald in de metro. Niet weggeveegd door de politie of andersoortige orderbewakers. Nee door hulpverleners die actief wierven en niet zoals in Nederland eerst geacht worden samen met de nooddruftige een uitgebreide hulpvraag te formuleren. Dat hulp noodzakelijk is, moge duidelijk zijn en als je zelf niet kunt willen, dan is actie van anderen noodzakelijk.

Mooie Zweedse dames

 

Ik ga geen gloedvol betoog houden over mooie Zweedse vrouwen, die waren er zeker wel, maar ook in Duitsland en Nederland zijn die in ruime mate te vinden. Wat wel opvalt in het straatbeeld is de grote hoeveelheid schonen van niet Zweedse afkomst. Zij stralen als bijna vanzelfsprekend een Zweeds zelfbewustzijn uit, al komen ze uit Korea, Iran of Turkije. Zelfs veel Somalische vrouwen zouden zo een volle nicht kunnen zijn van Ayaan Hirsi Ali, geen hoofddoeken of lopend met groepjes landgenoten. Nee, in volle schoonheid alleen in de metro waar te nemen.
Zou het integratiedebat en beleid in Zweden er anders aan toegaan? Of is het puur de ruimte die iedere Zweedse bewoner voor zich kan opeisen de verklaring voor ogenschijnlijk wederzijdse tolerantie?

Duur land

Iedere stad is duur voor een toerist die de situatie niet goed kent. Sigaretten zijn voor vijf dagen meegenomen, dus het bijspekken van de Zweedse verzorgingsstaat heeft niet plaatsgevonden. Alcohol, och bij het eten was een biertje tot 3,5 procent alcohol redelijk te betalen en voor de rest onthielden we ons maar. Ook het eten heeft ons toch kunnen bekoren al was het niet de Zweedse keuken. Via een van de onvolprezen reisgidsjes werd Kungshallen getipt. Veertien, vooral Aziatische restaurantjes zijn daar te bezoeken in een kantineachtige omgeving. Voor ieder wat wils en toch bij elkaar zitten. Geen haute cuisine, verre van dat, maar voor een euro of negen een volle buik.
Een huis is heel betaalbaar in Zweden, maar dat was niet het doel van onze verblijf, maar het is slechts een tip. De populariteit van een tweede huis in Zweden schijnt snel toe te nemen. Dus voor wie wil, grijpen die kans.

Huiskamergevoel

Of het de prijzen zijn in de meeste horecagelegenheden, of het mooie weer dan wel de Zweedse mentaliteit, Stockholm oogde wel een grote huiskamer. Dat er in parken op luchtige wijze werd genoten van de zon, kan ik inkomen maar de hoeveelheid blote buiken, ook van de Zweden in het straatbeeld, gaf wel een groot huiskamergevoel. Ook eten en drinken op straat, en dan niet alleen studentikoos uitziende mensen, maar uit alle lagen van de bevolking completeerde dit beeld. Even dacht ik nog dat het te maken zou hebben met de Europride die in deze dagen te Stockholm werd gehouden. Maar volgens mij was dit niet het geval.

Europride
Al heeft de Europride niets met Stockholm an sich te maken, de hele PR machinerie van de stad heeft zich wel uitgesloofd om er een groots festijn van de maken. Overal waren de regenboogvlaggen te zien. En daar was ik wel even utan ramsa van, zelfs geërgerd. In mijn optiek was de regenboogvlag van de vredesbeweging en niet van de internationale homobeweging. Het opzoeken via Wikipedia leert dat ik slechts deels gelijk heb en dat de vlag al sinds eind jaren zeventig ook het symbool is van Europride. Ik vind het jammer, want die vlag is van iedereen, zoals vrede van iedereen is. Maar ja, ik schijn ongeveer de enige te zijn die zich hieraan ergert, dus laat ik er maar geen woorden aan vuil maken.

Slotsom

Stockholm, een mooie weidse stad, met een prachtig goed metrostelsel die de moderne en de historische stukken van de stad goed met elkaar verbinden voor de toerist. Een zeer relaxte stad, met op het oog rustige en individualistische mensen die het minder nodig hebben om in de openbare ruimtes te schreeuwen en hun ego’s op te poetsen. Prettig vertoeven dus en veel bezienswaardigheden en musea.
Is Stockholm een bruisende stad? Nee, mijn eerste indruk zou zijn, de stad gonst. Het gonst zoals in een bijenraat waar voldoende eten is, tevreden en misschien wel een pietsie zelfvoldaan.

En wordt utan ramsa weer Sprakeloos. Ja, al valt de leefbaarheid in mijn optiek sterk in het voordeel uit van Stockholm, zeker in vergelijking met Amsterdam of Rotterdam. Toch zou ik die stad ook wel eens willen ontdekken in de wintermaanden. Bovendien, zolang er geen emplooi is en de familie (lees kinderen) niet meewillen, dan kunnen we er mooi over dromen en word ik weer gewoon Sprakeloos.
Utan ramsa wordt hiermee gedag gezegd.

Wandelen rond de hoogmis./Abdij Sion te Diepenveen

Na de goede ervaring van vorige week om met de auto een kerk te bezoeken en mijn meditatieve moment al te verkrijgen middels het radioprogramma ‘Vroege Vogels’, kon ik niet wachten om weg te rijden, ondanks het vroege tijdstip. Maar wat heet vroeg, de bewoners van Abdij Sion in Diepenveen, het doel van mijn reis, hebben het ochtendgebed al uren geleden achter zich gelaten. Dus als een betrekkelijk vroege vogel toog ik naar de Orde van de Cisterciënzers, een abdij dat in de bossen bij Diepenveen ligt.

Weg naar de kerk vanuit de kloostertuin.

Ik deed het rustig aan. Vorige week meldde ik nog quasi-nonchalant dat ik met een beperkte overtreding van de maximumsnelheid naar Raalte ben gereden. Deze week heb ik proefondervindelijk ervaren dat er ook delen van de overheid effectief en efficiënt werken. Op zaterdag 20 maart 2010 lag er een rekening van het Centraal Justitieel Incasso Bureau op de deurmat. Een rekening van maar liefst € 52, – . Een wandeling rond de hoogmis wordt zo nog een dure aangelegenheid. Harde euro’s die ik beter in de collecteschaal van een kerk zou kunnen deponeren. Rustig aan dus maar vandaag.

Het radioprogramma ‘Vroege vogels’ ging over de bescherming van berberapen in Marokko, over een conferentie in Qatar met betrekking tot bedreigde diersoorten en ik heb mijn hersenen gepijnigd over een origineel idee ten aanzien van het planten van een boom. Het radioprogramma heeft in samenwerking met de Bomenstichting een wedstrijd uitgeschreven om met ideeën aan te komen om bomen, of boomgroepen op een zo markant mogelijke manier te planten. De boom moet dienen als herkenningsteken, iets laten zien, bijvoorbeeld vanuit de lucht of op een andere wijze een symbolische betekenis krijgen in het landschap of de stad.

Terwijl ik nog zit te denken over de zogenaamde ‘Boomkroon’ worden mijn gedachten onderbroken door het journaal van negen uur. Hierin werd vermeld dat afgelopen nacht de Stille Omgang in Amsterdam heeft plaatsgevonden. Zo’n 8000 gelovigen hebben meegedaan aan de processie en kerkdiensten in de hoofdstad. Over vroege vogels gesproken.

In mijn boekenkast staat nog een vermakelijk boekje van de Amsterdamse taxichauffeur Harry Boting die melding maakt dat de Stille Omgang voor zijn werk als taxichauffeur als ook voor de dames op de Wallen, hoogtij dagen waren in de jaren vijftig en zestig. Van heinde en verre wisten jongemannen uit Brabant, Gelderland en Groningen het hemelse genoegen van de Stille Omgang te combineren met een meer werelds genoegen dat ongetwijfeld minder stil is geweest.

Tegenwoordig ga ik ervan uit dat met de openheid van allerlei Vleeschelijke Lusten in de media, de deelnemers aan de Stille Omgang daadwerkelijk met slechts één intentie zullen komen.

 

Foto in de kloostertuin. Door het weer en de verbouwingen zijn echte mooie foto’s niet mogelijk.

Abdij Sion

Mijn intentie voor vandaag is een bezoek aan abdij Sion in Diepenveen. Vooral mijn vader ging met de Christelijke feestdagen graag naar de diensten van de Cisterciënzerbroeders. Als kind vond ik deze diensten oersaai en vervelend. En al hoefden we niet naar de kerk, mijn ouders zijn van een zeer efficiënte generatie, de Abdij lag op de weg naar het huis van mijn opa en oma in Twello, dus bij de bezoeken aan hen, werden wij geacht ons gemak maar te houden gedurende de kerkdienst.

Eind jaren zeventig ben ik er voor het laatst geweest en bij het zien van de site van de Abdij moet ik bekennen dat ik me er niets meer van kan herinneren. Dat gevoel van desoriëntatie van mijn geheugen werd nog eens versterkt toen ik de aanwijzingen volgde om de kerk van het klooster te vinden.

‘Ik ben nooit in deze kerk geweest’

Later, toen ik na de Eucharistieviering nog eens goed keek, bleek ik vroeger als kind nooit verder te zijn geweest dan de kapel, die nu dienst doet als stilte- en gebedsruimte.

Jaren later staat Abdij Sion dus op mijn lijstje van ‘wandelingen rondom de hoogmis’. En hoe oud de Orde ook mogen zijn en hoezeer stilte en het monnikenleven ook gewaardeerd worden, de Broeders hebben een hele wereldse website. Met veel informatie, uitnodigingen om deel te nemen als leek en vooral ook heel veel broninformatie over de pijlers waaruit de orde is ontstaan en hoe ze zich heeft ontwikkelt.

De eerlijkheid gebied me te zeggen dat het zoveel is, dat ik op deze lentezondag de moeite niet eens kan nemen om al die informatie tot me te nemen. Ik volsta voorlopig met de deelname aan de viering in de kerk.

Zicht op het altaar, dat inmiddels opgeruimd is. Ook de lampen zijn inmiddels uit. De touwen naar het dak toe om de klokken de luiden zijn niet zichtbaar op de foto.

De viering

Ik ben op tijd want wanneer ik in de kloostertuin loop, luiden de klokken. Het is een verrassende gewaarwording dat een van de broeders voor in de kerk, via touwen die naar het dak lopen, de klokken handmatig laat beieren. Twee broeders zitten al in de ‘broederbankjes’ dicht bij het altaar, terwijl mensen druppelsgewijs binnen komen. Vlak voor het begin komen meerdere broeders uit verschillende deuren aanzetten. De een met een rollator en de ander met een snelheid en haast, die doet vermoeden dat hij zijn monnikenwerk elders in het klooster met moeite achter zich kon laten. De broeder van dienst, ik noem hem voor het gemak maar even zo, was jonger dan de meeste andere broeders, kwam onverwacht van achter me naar het altaar lopen, vergezeld door een wierookbroeder.

In zijn opening sprak de broeder van dienst over woorden en gedachten die ieder mens heeft. Er zijn mooie woorden en gedachten die als een parfum zijn, maar ook nare woorden en gedachten die lijken op stenen. Het zijn de woorden van God die de mens ruimte moet geven. Het Evangelie ging over de overspelige vrouw die volgens de Fariziërs voor haar overspel gestenigd moet worden, conform de wetten die Mozes de mensheid heeft gegeven. Dit dilemma legden zij aan Jezus voor. Jezus sprak de wijze woorden, die ook voor veel niet gelovigen gemeengoed zijn geworden:

‘Hij die zonder zonde is, werpe de eerste steen.’

Het zijn woorden en gedachten van mensen die de kring (van leven) sluiten rondom anderen, in dit geval rondom de overspelige vrouw die door Jezus in bescherming wordt genomen. Later zal de kring zich sluiten rondom Jezus zelf als hij gekruisigd wordt.

De broeder van dienst, die dragend spreekt en ieder woord lijkt te wegen, komt tot de conclusie dat het niet alleen de zonden zijn, maar ook de dood, die mensen gevang houdt. Hij pleit ervoor om de woorden van God te gebruiken om ruimte te creëren en te leren leven met je eigen beperkingen en die van een ander.

In meer lekentaal zou ik zeggen: ‘Mens durf te leven.’

Er wordt door de kerkgangers dapper meegezongen vanuit het gezangenboek. Een gezangenboek waarvan ik me afvraag of daar ook de liederen van Huub Oosterhuis in staan. Liedjes die deze week als te werelds werden gezien en dus niet meer kunnen aldus het bevoedge kerkelijke gezag.

Voor mij loopt een dame weg uit de kerk, maar na de collecte komt ze weer terug. Heel even komt bij mij de gedachte op dat ze niet wil of kan bijdragen. Maar al snel herinner ik me de woorden: ‘Hij die zonder zonde is, werpe de eerste steen.’

De broederbankjes

 Tijdens de communievoorbereidingen blijken meerdere broeders een taak te hebben. In ieder geval verzamelen zij zich rondom het altaar. Na het uitreiken van de hostie, keren enkele broeders niet meer terug in de kerk. Ze hebben zeker andere werkzaamheden te verrichten elders in het klooster.

Direct na de dienst, als de broeder van dienst en de wierookbroeder verdwijnen uit dezelfde deur vanwaar ze gekomen zijn, blijkt de Orde een zeer efficiënte machinerie te zijn. In twee minuten is alles opgeruimd en zijn de lichten gedoofd. Wat overblijft is een enkeling die nog even blijft zitten en voor mij zit er niets anders op om de foto’s te maken in het donker.

De dienst duurde volgens mij langer dan in een ‘reguliere’ kerk, hetgeen het gebrek aan contemplatie in mijn jeugd tijdens de diensten in de Abdij mogelijk doet verklaren. Bij de ingang van de kerk blijkt de Orde daar tegenwoordig rekening mee gehouden. Een stapel kinderboeken ligt er voor de jeugdige kerkganger ter overbrugging van de dienst.

De wandeling terug

Eenmaal buiten, word ik geconfronteerd met een biddende roofvogel, volgens mij een buizerd, in de lucht. Het duurt helaas te lang voordat ik mijn fototoestel in positie heb, dus geen foto van de buizerd. Meer fotoleed deed zich even later voor bij het wegrijden. Twee reeën staken de laan naar de Abdij over. Uiteraard, zoals het reeën betaamt, waren ze weg voordat een foto geschoten kon worden. Bij het opnieuw wegrijden stak een konijn over. Ik bleef nog vijf minuten bij de auto staan, maar verder geen enkel wezen uit Noach´s Ark liet zich meer zien.

In de auto was een vraaggesprek bezig met de zoon van de schrijver Anne de Vries, u weet wel van Bartje’s ‘Ik bid niet veur brune bon’n’

Een ondankbaar jong als je het mij vraagt, maar mogelijk is het meer mijn ergernis omdat ik  natuur fotografisch vandaag niet uit de verf ben gekomen. Dus reageer ik het maar een beetje af op Bartje.

 

 

Geen ree of konijn meer te zien op de weg van en naar de Abdij

Overpeinzing

Op een van de sites van en voor leken van de cisterciënzergroep staat:

‘De groepsleden leiden ieder een leven in de wereld. Ze hebben relaties, kinderen, banen. En dat blijft zo. Het is niet de bedoeling van de Cisterciënzergroep Sion dat de leden een soort monnik in de wereld worden. Hoewel er in het innerlijk van de mens veel kan verschuiven en veranderen, blijven de uiterlijke omstandigheden in principe ongewijzigd. Of, zoals een monnik het ooit verwoordde: ‘Iedereen draagt zijn eigen klooster met zich mee.’

Dat is mooi, iedereen draagt zijn eigen klooster met zich mee ten behoeve van innerlijke rust en/of contemplatie. Ik vraag me af of bij mij de fundamenten voor een fijn klooster sterk genoeg zijn, maar goed, zonder al te veel bouwkundige kennis, weet je dat pas als het klooster een beetje af is. Is een klooster eigenlijk ooit af?

Bovendien mag een klooster ook een mooie synagoge moskee of hindoetempeltje zijn voor de broodnodige contemplatie?

Ik vind van wel.

PS. Ik heb een idee voor de boomplantwedstrijd. Op de autobanen moeten stevige bomen worden geplant, als een soort drempels om snelheidsovertreders tegen te gaan.

 

Andere wandelingen:

Hoe het begon; H. Remigius, Duiven; Andreasparochie, Groessen; Pauluskerk, Raalte; Abdij Sion, Diepenveen; Werenfriduskerk, Westervoort ; St. Antonius Abt Parochie, Loo; St. Stevenskerk, NijmegenMartinuskerk, Twello ; St. Mary -Star of the Sea Church, Hasting (GB); Ned. Herv. Kerk, Achlum; Kölnerdomkirche, Keulen; Stephanuskerk, Borne ; Vrij Katholieke Kerk ChristusPantocrator, Raalte, Stephanuskerk, Heel

Ach, meisjes van 13/ 30-09-2009

Ik heb er ruim twee dagen over gedaan om de ophef rondom de aanhouding van filmer Roman Polanski te kunnen vatten. Allereerst wist ik niet dat Polanski zich vergrepen had aan een meisje van dertien. Ik schijn zo ongeveer de enige te zijn die niet op de hoogte was van dit publieke geheim. De plaats van het delict zou het huis van acteur Jack Nichelson zijn geweest. Twee iconen vallen van hun sokkel, of zijn, in mijn perceptie, op zijn minst voorzien van een smetje in het geval van Nichelson.

Ten tweede reisde de man zo ongeveer de hele wereld rond en na 32 jaar was men voldoende bij machte om een opsporingsbevel na te leven? Dat begrijp ik al helemaal niet. Wat is het achterliggende belang om dat nu te doen en wel bij die kraakheldere Zwitsers? Ik begrijp het niet, zou de VS niet eerder belang hebben gehad om Polanski op te pakken. Ik denk dat Zijne Schijnheiligheid ex-president Bush veel kiezers voor zich gewonnen had als hij dit op zijn conto had kunnen schrijven.

Goed, het begint een beetje te landen bij mij. De Amerikaanse hypocrisie ten aanzien van waarden en normen is natuurlijk overweldigend. In het land waar niks mag en alles kan, preekt men over Sodom en Gomora, maar knijpt men de katjes van dertien stiekem in het donker. En meisjes van dertien behoor je als volwassen kerel niet te bezoedelen, dat vond men zelfs in de jaren zeventig al. Een terechte vervolging dus, al is van verkrachting na juridisch overleg geen sprake meer, het is slechts bezoedeling geworden.(?) Polanski wachtte niet af en verdween. Hij schijnt veel in Frankrijk en Polen te bivakkeren en bouwt een geweldig oeuvre op.

Laten we wel wezen, ik ben er toentertijd niet bij geweest toen, het inmiddels 45 jarige slachtoffer, als meisje van dertien al dan niet vrijwillig de lakens deelde met de toen al beroemdheid in de filmwereld. Ik denk dan laat het recht zegen vieren, liever laat dan nooit. Hoewel, het slachtoffer heeft liever een schikking en dat zal dan wel over miljoenen gaan, maar ook dit heb ik weer uit de media. Amerika, ik verbaas me er soms nog over, maar de hypocrisie als het om sex en moraal gaat, is bijna spreekwoordelijk. Ik kan er mee leven.

Ronduit stuitend vond ik de tsunami van verontwaardiging over die arrestatie die door Europa ging. Vond ik? Dat vind ik nog steeds. Poolse verontwaardiging is natuurlijk helemaal niet serieus te nemen. Het land had twee dagen ervoor met overweldigende meerderheid de chemische castratie voor pedofielen door het parlement gejast. Sarkozy, de hedendaagse Napoleon, spreekt schande over de aanhouding. Zijn huidige partner Carla Bruni valt uiteraard binnen de wettelijke leeftijdsgrenzen, maar volgens mij is de Franse president stiekem jaloers op de Italiaanse mafiabaas die sex met minderjarige niet alleen bepleit, maar ook nog in de praktijk brengt. In het kader van “If you can’t beat them, join them” moet Sarkozy gedacht hebben Hij bewees lippendienst ten aanzien van de verboden sexaffaire van Polanski. Zelfs de Zwitsers, die over het algemeen niet eens conservatief, maar zelfs reactionair te noemen zijn, waren verontwaardigd.

En, het kon niet uitblijven, ook in Nederland roerden de grootste salonsocialisten, Pauw en Witteman, met een immens Albert Verlinden gehalte, dapper mee in de Europese brei van verontwaardiging. Als gast lieten zij filmjournalist Joyce Roodnat opdraven. Ik kende haar niet, maar kreeg uit de mond van de goedgeconserveerde vijftiger, natuurlijk weer zo’n flowerpowertrut, een lofrede over het werk van Polanski en over de hypocrisie van de VS. Dat laatste klopt en dat eerste betwijfel ik niet, maar dat is nooit een reden om meisjes van dertien te berijden of dit goed te gaan praten. Ze opperde zelfs dat dit meisje op haar achtste al sexueel contact had met volwassen mannen. Ja, mevrouw Roodnat, zolang er mannen zijn zoals Polanski en stomme wijven zoals jij, die dit goedpraten, zullen er in de toekomst nog vaker meisjes van 13, 10 of 8 genomen worden. Ze vragen er gvd zelf om zeker? Ook acteur Jack Wouterse toetert dapper een partijtje pedofiele onzin mee. Die kun je in de toekomst ook lekker vertrouwen als politieman in Grijpstra & De Gier.

Ik begrijp het niet. Goed, de Amerikanen zijn hypocriet, maar meisjes van dertien, daar hoor je als volwassen kerel (of vrouw) van af te blijven. Meisjes van dertien, Paul van Vliet zong het al, te groot voor de poppen, te klein voor de kerels.

 

 

En of het nu Polanski is of iemand anders, dit hoort vervolgd te worden. En ook de context van de jaren zeventig is geen goedpratertje om je botte lusten te verdedigen. Over context gesproken. Meisjes van dertien, je hebt ze ook in Afrika. Meisjes van dertien als remedie tegen AIDS. De wereld is te klein als je dat verdedigt. De onwetende achterlijke Afrikaanse context? Lulkoek. Misdaad is!

Hypocrisie, wie is er nu hypocriet? Of beter gezegd, wie is het niet?