2. Liederlijke kerstfabel met verlicht einde

Jomus vliegt lodderig achter Marmus aan. Zijn boosheid is weg. De onzekerheid speelde al weken en kwam gisteravond tot een ontlading.
‘Van wie is het kind?’ had hij geschreeuwd.
Marmus keek hem begripvol aan en antwoordde slechts:
‘Ik weet het echt niet, maar het kind is verlicht.’
Vol afgrijzen vloog Jomus weg en laafde zich aan jeneverbessen. Hij wilde vergeten. Vergeten dat zijn vrouw onteerd was. Vergeten dat hij de liefde niet met haar had mogen bedrijven.
Gisteravond beet hij haar toe:
‘Ik had je moeten nemen, lang, hard en vaak.’

Die ochtend heeft hij spijt, en hoofdpijn. Jomus laat zich beschaamd verzorgen door zijn zwangere Marmus. Vol barmhartige devotie masseert ze zijn kater weg. Alle anderen zijn al vertrokken, als Marmus en Jomus de reis aanvaarden.

Sinds weken reist de kolonie in opdracht van koning Herodantimus richting Damaskmus. Hun koning is zich zelf niet meer sinds zijn veroordeling door de Voorzienigheid.
De Voorzienigheid heeft hem gestraft voor het doden van een van zijn onderdanen. De straf was mild, maar de koning woest. Per decreet verordonneerde hij: “Ik, koning van Domimus tot Damaskmus, eis dat alle onderdanen per direct naar Damaskmus vliegen. Zij blijven daar tot de revolutionaire geesten, die mij willen onttronen, gepakt zijn.”

Damaskmus is een woestijnachtig landschap met een enkele oase, waar plaats is voor weinigen, niet de duizenden die het moet herbergen.
Tegen de avond is de oase nog niet in zicht. Marmus is moe en bij Jomus wint het schuldgevoel van zijn kater. Hij herneemt de leiding. Jomus beseft, hoewel hij niet de vader is, dat het ei die avond gelegd moet worden. Als de zon verdwijnt, koelt het snel af.
Dan horen ze gelukkig in de verte hun soortgenoten, ze naderen de oase.
‘We zijn er bijna’ roept Jomus.
Marmus knikt slechts beminnelijk.
Eenmaal in de ‘Oase van Damaskmus’ aangekomen, vernemen ze dat er geen plaats meer is. Het enige dat ze vinden is een beetje eten en de tip dat in de periferie van de oase enkele rotsen zijn die mogelijk soelaas kunnen bieden.

Marmus neemt een kloek besluit.
‘Jomus, wij hebben elkaar en het ei, we redden het samen wel.’
Jomus negeert zijn gekrenkte mannelijke ego, besluit dat het ook zijn kind zal worden en met zijn tweeën vliegen ze naar de rotsen.

Ze vinden een spelonk voor de nacht. Uitgeput valt Marmus in een diepe slaap. Jomus kijkt vertedert toe. Na een inspectie van de omgeving besluit hij ook te gaan slapen. Maar dan ziet hij dat er licht uit de spelonk komt. Ongerust hipt hij naar het licht. Bij binnenkomst ziet hij Marmus opgewekt zitten. Ze perst hun ei uit. Een ei dat licht geeft.
‘Kijk Jomus, ik zei toch, het is een verlicht kind.’

Het ei gaat feller schijnen en het licht is zichtbaar in de oase. Van alle kanten komen nieuwsgierige soortgenoten. Zij brengen voedsel en bewonderen het ei. En vele avonden later breekt het verlichte ei. Onder luid getjilp worden Marmus en Jomus omringd door hun soortgenoten. Zij feliciteren het versbakken echtpaar met de geboorte van hun zoon. Een koningszoon, is de overtuiging van de menigte en hij zal door het leven gaan als ‘Jemus, koning der mussen en de zuivere wedergeboorte van het slachtoffer van koning Herodantimus.’

 

1. (G)een kerstverhaal

Met een wanhopige worp mikt hij het zoveelste papier in de hoek van de huiskamer.
– “Het zit er gewoon niet in” mompelt hij, terwijl zijn hoofd moedeloos op zijn rechterarm leunt. Met een lege blik staart hij naar het blad dat nu nog maagdelijk wit voor hem ligt. Hij schrijft de titel op: Kerst 2004.
– “Kerst 2004, Kerst 2004, Kerst 2004”
Hij herhaalt deze woorden bijna mechanisch, maar dat levert niets anders op dan de clichés die hij de hele avond al fabriceert. Hij komt niet verder dan Charles Dickensachtige taferelen, eigentijdse sprookjes met een verfijnde moraal, liefdes die op tranentrekkende wijze weer opbloeien en eenzaamheid die op een wonderlijke manier verdreven wordt. Niets is goed genoeg en in de hoek van de kamer, naast de krantenbak, liggen de verfrommelde papieren die het bewijs zijn van zijn wansmaak.

Eerder de avond installeerde hij zich in de huiskamer, bewust weg van de werkplek achter de computer. Hij nestelde zich in de sober, maar fraai gedecoreerde kamer.
Een kerstboom verlicht de kamer op een prettige manier en de versierselen in de boom bestaan voor een groot deel uit huisvlijt van zijn zoons. Op verantwoorde wijze heeft zijn partner her en der overtollige lichtsnoeren op schalen en in glazen vazen gestopt. Een simpele maar sfeervolle manier om in kerststemming te geraken. Zijn vrouw is die avond niet aanwezig en hij drinkt een glas rode wijn, ook al tegen zijn gewoonte in, maar het past zo goed bij de sfeer. Normaliter lust hij graag een biertje, ook als het buiten kouder wordt.

– “Misschien een absurdistische column, een boodschap naar de regering?”
– “Kan ik iets met de oranje armbandjes?”
Dan wordt hij gestoord door gerommel op de trap. Zijn zoon Jasper komt naar beneden. De deurknop wordt even vastgehouden, een korte aarzeling niet wetend hoe zijn vader zal reageren op dit late tijdstip. Dan staat hij voor hem:
– “Ik moet morgen kersttakjes mee naar school.”
– “Lekker dan, daar kom je nu mee.”

Door het gerommel van Jasper, komt ook Koen naar beneden. Hij kijkt slaperig om zich heen en gaat naast hem zitten, alsof dat zo laat de gewoonste zaak van de wereld is. Terwijl Jasper op zoek is naar de kersttakjes en praat over de komende feestdagen, vraagt Koen:
“Mag ik warme chocolademelk?”
Vanwege het totaal onverwacht bevestigende antwoord, komt Jasper ook aan tafel zitten.
“Wat was je eigenlijk aan het doen?”
“Ik probeer een kerstverhaal te schrijven, maar het lukt niet zo goed.”
Koen kijkt naar het bijna lege vel papier en spelt de spaarzame letters.
“K….E….R…S….T….., ik kan kerst lezen.”
Met aan beide kant een jongetje nippend aan hun chocolademelk, beseft hij dat het lezen van Kerst meer dan voldoende is dit jaar. Er komt geen kerstverhaal, er is een kerstverhaal.

Mijn eerste multiculti-verrassing

Naar aanleiding van de uitzending van Pauw&Witteman van 30 september 2011, maakte ik kennis met Karin Amatmoekrim die haar belevenissen beschrijft als allochtoon op een kakkersgymnasium met honderd procent blanken. 100% – Karin natuurlijk. Haar belevenissen heeft ze in een boek gegoten. Ik zal het zeker gaan lezen. Het deed me denken aan een verhaaltje dat ik schreef in 2004 dat teruggreep op mijn eerste ervaringen met Surinamers. We hebben het dan over 1976 in Raalte.

“Groningen met Groningen, Friesland met Leeuwarden, Drenthe met Assen, Overijssel met Zwolle,……..”
Zo worden alle provincies op aanwijzing van de meester opgedreund. Veel inspiratie heeft de klas niet, gezien het slome tempo. Buiten is het ook ongewoon weer voor april, de zon schijnt en de warmte komt met vlagen binnen via de openstaande ramen, boven in de klas. Ramen die alleen met een lange stok zijn te openen en weer dicht te doen. Deze ochtend heeft de meester voor het eerst dit voorjaar de bovenramen geopend. Een teken voor alle kinderen van de dorpsschool dat de lente echt is begonnen.
“Noord-Brabant met Ben Bosch en Limburg met Maastricht.”
“Hans opletten, buiten is het helemaal niet interessant, hierbinnen gebeurt het. Omdraaien!”
De meester uit op een gedoceerde manier zijn professionele boosheid. Het maakt dan ook niet veel indruk op Hans. Ook andere kinderen proberen te ontwaren waar de aandacht van Hans naar uit gaat.
Ze kijken naar de hoofdingang waar meester Pietersen, het hoofd der school, afscheid neemt van een donkere man. Meester Pietersen is nog zo’n ouderwets hoofd der school dat zelfs in de jaren zeventig al in onbruik dreigde te geraken. Netjes in het pak, een bril die minstens tien jaar uit de mode is en die hem zo mogelijk nog strenger maakt dan hij in de ogen van de meeste kinderen al is.
De donkere man heeft geen last van de strengheid. Hij glimlacht zijn witte tanden bloot en geeft het hoofd der school vriendelijk een hand ten teken dat het gesprek is afgelopen.
“Hè, zwarte piet loopt daar.”
Na deze opmerking van Fred, is er geen houden meer aan. Kinderen verdringen zich voor het raam en kijken met open mond naar de donkere man. Geroezemoes gaat over in gepraat en een enkeling begint zelfs al Sinterklaasliedjes te zingen. Anderen staren gebiologeerd naar buiten. De belevingswereld van velen in de klas is niet ingespeeld op donkere mensen.

De meester overziet de situatie en begrijpt de consternatie. Hij komt tot een wijs besluit als de meeste herrie is overgewaaid.
“Jongens en meisjes, boeken opruimen. De aardrijkskunde les is afgelopen voor vandaag.”
Toch haalt hij een landkaart uit een andere klas. Het is de wereldkaart. De vierdeklassers zijn nog niet zover, dus kijken verbaasd naar hun meester.
“Wie van jullie weet waar Suriname ligt?”
De meeste kinderen kijken glazig naar de landkaart, een enkele wijsneus steekt de vinger in de lucht en hoopt een beurt te krijgen om zo zijn of haar wijsneuzigerheid te tonen.
Gezamenlijk komen de slimmeriken er uit en zo wordt het kennisniveau deze middag onverwacht omhoog gekrikt in de klas.
“De meneer die jullie net zagen, komt uit Suriname.”
De meester legt vervolgens uit dat hij drie dochters heeft en die komen vanaf morgen op school. Eentje in de eerste klas, eentje in de derde klas en eentje in vijfde klas. De vierde klas heeft dus zijdelings te maken met het verschijnsel van donkere klasgenootjes. Toch heeft de meester het verstandig geacht ook zijn klas een eerste les te geven in het multicultureel samenleven.

In het dorp wonen eigenlijk geen donkere mensen. In de nabijgelegen provinciestad kun je ze wel zien. Meestal zijn ze dan niet eens zo donker. Ze bewonen een huizenblok nabij het station en komen uit Turkije, al worden ze meestal wel zwarten genoemd. Dus enige uitleg van de meester is wel op zijn plaats. Duidelijk is echter dat ook de meester niet precies weet hoe hij zijn klas duidelijk moet maken dat het heel gewone kinderen zijn en dat ze Nederlands spreken. De meester komt ook uit het dorp.
“Dus gewoon mee spelen net als met alle andere kinderen.”
Dit waren zijn laatste woorden toen de bel ging.

Bij het naar buiten gaan heerste er een opgewonden stemming in de klas. Maar ook in andere klassen heeft de aardrijkskundeles langer geduurd dan gebruikelijk.
“Mijn vader zegt dat ze in Suriname nog in bomen wonen.”
Een ander beweert:
“Ze lopen daar allemaal op blote voeten en zijn beresterk.”
“Ja en ze kunnen allemaal judo en zijn heel snel.” zegt weer een ander.
Het hoofd der school maant een ieder tot rust, maar laat zijn strenge blik achterwege. Ook een streng hoofd der school begrijpt de opgewonden stemming een beetje. Hij is ook niet geheel gerust over de pedagogische aanpak, die vooraf strategisch is gepland met alle onderwijskrachten.

De volgende ochtend om half negen stroomt het schoolplein langzaam vol. Het is nog steeds prachtig voorjaarsweer. De opwinding en nieuwsgierigheid van gisteren hangt nog steeds op het schoolplein. Niemand mag naar binnen want een donkere vader, de man van gisteren, een donkere moeder en drie donkere meisjes worden ontvangen door het hele onderwijsteam. Het hoofd der school heeft duidelijk de regie, want breed gesticulerend wijst hij naar de juf van de eerste klas die het jongste meisje een hand geeft. Zo wordt er ten overstaan van meer dan honderd kinderen een soort pantomime opgevoerd.
Want bijna het hele schoolplein is naar de ramen toegestroomd. Overwegend blonde koppies en snotneusjes staan met hun voorhoofd tegen de ruiten het toneelstuk gade te slaan. De pantomime wordt van zeer mild commentaar voorzien door de aanwezige kinderen.
“ Jeetje, wat zijn ze donker.”
“ Wat een leuke vlechtjes heeft dat kleine meisje.”
“  Die grote heeft een stadse spijkerbroek aan.”

Het hoofd der school heeft door dat er een enigszins absurde situatie ontstaat en neemt een kloek besluit. De drie meisjes worden afgevoerd door ieder hun eigen meester en juf en de deur wordt voor de overige kinderen tien minuten te laat opengedaan. Alle kinderen worden geacht zo snel mogelijk naar een eigen klas te gaan.

In het eerste daaropvolgende speelkwartier dringen grote groepen kinderen zich op aan de Surinaamse meisjes. Met een mengeling van nieuwsgierigheid en gehoorzaamheid, de meester had immers gezegd dat je gewoon met ze kon spelen, hebben de meisjes vriendinnetjes in overvloed. De jongens bekijken de situatie op een afstand, maar al snel is de aantrekkingskracht van een bal groter dan die van donkere meisjes. Want donker of niet, het blijven meisjes per slot van rekening.

Het heeft amper een week geduurd en de nieuwigheid is eraf en de situatie normaliseert zich. De eerste les in multicultureel samenleven heeft het dorp met glans doorlopen.

Ik vraag me wel eens af, hoe zou het de meisjes zijn vergaan en hoe hebben zij het ervaren?

De Haan van Avessadas

Wie heeft er tegenwoordig nog boerenroots? Mijn voorouders zijn uiteindelijk allemaal plattelanders, want in tegenstelling tot velen die beweren adellijk bloed te hebben, ben ik van eenvoudige afkomst. En het feit dat ik in Raalte ben opgegroeid, heeft als voordeel dat ik weet dat melk uit een koe komt en kippen eieren leggen, maar dat maakt mij nog geen boer. Dus ook ik moet erg wennen aan een kraaiende haan en nog wel op vakantie.

We bewoonden een prachtig huis in de buitengebieden van Noord-Portugal, zo’n 45 kilometer ten oosten van Porto. Weinig directe buren, maar vlak bij ons een oud Portugees echtpaar met een varken, een paar honden, kleinschalige druiventeelt en een paar kippen. En bij die kippen hoort een haan. Bij de dageraad doet hij trouw zijn plicht en menig ochtend worden we even wakker. Meestal slapen we uiteindelijk wel verder, want de haan is gelukkig geen echte repeteerhaan. Eén keer ging hij wel lang door, sloegen de honden aan en greep de buurvrouw met haar welluidende stem in. Een beetje reuring, maar dat is de charme van het Portugese platteland.

Er was echter ook een nadrukkelijke afwijking in het kraaigedrag van de haan. Op zaterdag, we lagen amper in bed, kwam een heel zwak keelgeluid van het erf van de buren. Het klonk vreemd, maar het was onmiskenbaar de haan met een heel afgetrokken geluidje. Wat is er aan de hand, moeten we ons zorgen maken en in ons beste Portugees de buren waarschuwen? Na een paar minuten nog een keer. We wisten het zeker, dit was beslist geen victorie kraaien, hoewel het zaterdagavond was. Misschien had hij wel grote nood en mocht hij er niet op. Dat deed me denken aan een Brabants mopje dat ik al meer dan twintig jaar geleden hoorde. Wat is nog erger dan ‘mugge’? Het antwoord is: ‘Nie mugge.’ Misschien had de haan er wel last van aan zijn zielige geluid te horen. Of had hij zojuist zijn verplichte zaterdagavond gangbang afgewerkt. Geheel uitgeput kon hij nog net zijn mannelijkheid de Portugese nacht in kraaien. Als derde optie bedenk ik dat de haan zijn libido kwijt was en pinnige verwijten kreeg van de dames om hem heen. Vrouwen kunnen hard zijn, kukelde hij waarschijnlijk. Ik weet niet hoe het met de Sire-spotjes voor hanen is gesteld, maar mogelijk geeft het soelaas voor het beest, want ook hij is vast niet de enige.

Ik sukkel weg met de gedachte dat het boerenleven ingewikkelder is, ook in Portugal. Ik begrijp niet wat de haan dwars zit, maar laat ie mij er niet mee dwarszitten.

Vrouwensolidariteit in lentekriebels

 Als ik lentekriebels zou moeten krijgen, dan is het vandaag. Vanochtend viel het tegen, nu is de lucht nog grijs, maar het is onmiskenbaar zachter. Met de jas open loop ik naar het station om het weekend te vieren. Mijn goede stemming is daar aan te danken, niet aan zogenaamde lentekriebels. Ik heb geen last van lentekriebels, nooit gehad trouwens. Volgens mij zijn dat bakerpraatjes uit de vrouwenbladen. Uiteraard is het fijn dat het niet meer koud is, maar om nu een hormoonkwestie te maken van de getijdewisselingen gaat mij te ver. Bovendien worden er in de wintermaanden niet meer kinderen geboren dan in andere maanden.

 Er is plaats in de trein en ik stort me op een sudoku. Een nietszeggende bezigheid, waarmee je je kunt afsluiten van andere reizigers. Na mij komen meer mensen in de trein. Drie bakvissen discussiëren omstandig waar ze gaan zitten. De blonde, met de grootste mond, dirigeert haar vriendinnen naar twee lege plaatsen Zelf gaat ze naast mij zitten, in gezichts- en op gehoorafstand van haar vriendinnen. Het meisje bij het raam is zichtbaar verlegen met de situatie, want ze doet niet mee met de gesprekken. Ze luistert wel, want ze kan haar heftig orerende vriendinnen niet de indruk geven dat ze hen afvalt. Ze lijkt me een kwetsbaar type, die de andere twee Xantippes niet tegen zich in het harnas wil jagen. Dan ben je de klos, dat zag ik ook wel.

 Het blonde meisje is hevig in de weer met haar telefoon. Ik zie slechts haar steile haren langs haar gezicht, kijkend naar haar heen en weer bewegende vingers. Tegenover me zit een fors roodharig meisje met een foute blauwe bril. Ze kijkt heel gemeen en is eveneens met haar telefoon bezig. Het is het type dat graag bij de ‘boss’ in het gevlei wil komen, doodsbang om in de impopulaire positie te belanden waarin dit soort meisjes doorgaans terechtkomt in meisjesgroepen, want haar leven geven voor een vriendje zit er nog niet in.

‘Stom zeg, nu durft Samantha wel te zeggen dat Ruth niet deugd, vanmiddag zei ze niets,’ roept de rooie tegen de blonde.

‘Ja en die Ruth maar zielig doen, een beetje stom gillen om de aandacht te krijgen, maar achter je rug maar ‘pingen’ en vals zijn, die heks,’ repliceert de blonde.

De rooie kijkt blij om de bevestiging van haar ‘hartsvriendin’. Het verlegen meisje bijt op haar lip en kijkt weg. En ik vind de oplossing voor alle zessen in de sudoku, terwijl ik waarneem dat ik niet de enige ben die luistert naar het stel. Naast me begint de blonde omstandig heen en weer te schuiven en omdat ze dicht bij me zit voel ik haar boosaardige aura.

‘Angelique zegt dat ze van Tim had gehoord dat er meer was, alsof wij dat niet wisten. Had ze ook vanmiddag moeten zeggen.’

De rooie neemt de verontwaardiging over van haar vriendin en blaast bijna ziedend in het gezicht van haar overbuurman. Ze heeft niets door, want ze kijkt al weer op haar pingapparaat.

‘Dat is nu altijd zo, als je ze nodig hebt dan zijn ze er niet, maar achteraf wel aardig willen doen. Nou, ik trap daar mooi niet in.’

‘Toch heeft Angelique ook wel goeie dingen gedaan.’

De rooie tempert haar woede om qua emoties in de pas te blijven met de blonde. het verlegen meisje kijkt stuurs, krult haar lippen een beetje om de blonde te bevestigen, maar die merkt het niet eens op.

‘Moet je horen.’ Ze leest van haar telefoontje. ‘Die stomme bitch is aan het pingen, zegt ze dat wij niet moeten denken dat we alles weten.’

‘Ach het is zo duidelijk als maar wat, iedereen weet het, maar niemand durft het te zeggen.’

De rooie kijkt nu smekend en vals tegelijk naar haar vriendin, hunkerend om bevestiging. Het kwetsbare meisje probeert zich onzichtbaar te maken. Haar vriendinnen zijn te veel in beslag genomen door de pings die binnenstromen. Ondanks dat de decibels toenemen, vind ik ook de ‘achten’ van mijn puzzel en kan heel snel een aantal andere open plekken invullen. Ik weet hoe vrouwen in groepen kunnen zijn. Vrouwensolidariteit is een uiterst instabiele substantie en vrouwenruzies zijn eerder regel dan uitzondering, zeker op de leeftijd van de middelbare school. Want hoe oud zullen deze kinderen zijn, vijftien, hooguit zestien. Ik ken ook de verhalen van pesterijen op school van de nietsontziende ‘bijenkoninginnen en hun gevolg’ die de sfeer in hun klas op een drastische en intens gemene wijze kapot kunnen maken. Vriendschap met deze meisjes is soms de enige overlevingsstategie. ‘If you can’t beat them, join de valse loeders’ is een heel begrijpelijke strategie op de middelbare school.

De trein nadert zijn eindbestemming, ik heb mijn sudoku af ondanks de afleiding. Het gevoel voor decorum is tanende, terwijl de conversatietoon nog verder oploopt.

‘Weet je wat het is met die slet’

Ze kijkt de rooie aan, die wat dommig, maar nog steeds intens gemeen terugkijkt. Beide hebben ze niet door dat er zeker twintig mensen heel nieuwsgierig zijn om kennis te nemen wat er nu met die ‘slet’ aan de hand is.

‘Als het nu alleen tongen is, maar ze gaat ook nog met hem zitten neuken. Stomme doos’

Dat is het laatste wat de blonde te zeggen heeft, haar vriendinnen achterlatend. Zonder de blonde is die rooie niet zo stoer meer. Ze kijkt nog wel gemeen. Het kwetsbare meisje kijkt alleen nog maar naar buiten. Ik denk haar te begrijpen. Zelf krijg ik oogcontact met twee jonge vrouwen die besmuikt lachen alsof ze zeggen, het zijn wel onze seksegenoten, maar zo zijn wij niet hoor. Wanneer ik uitstap, miezert het een beetje, maar het is nog steeds zacht. Als ik al lentekriebels zou hebben gehad, dan zijn ze nu weer weg. Ik ben nog wel blij dat de kou uit de lucht is en dat het weekend is natuurlijk.

Tranendal met opklaringen

Tergend langzaam komt de hogesnelheidstrein langs het perron glijden. Bijna pesterig, om de aanzwellende stroom forenzen te attenderen dat juist hij de oorzaak is dat ze weer te laat komen. Het grijze gevaarte past bij de zware zwangere regenlucht. De ‘bevalling’ laat nog op zich wachten, het enige lichtpuntje deze ochtend. De man voelt dat zijn stemming slechts grijstinten toevoegt aan het decor van de kale stationsomgeving.

Hij wil vernietigend naar de reizigers kijken. De man ziet slechts zichzelf in de donkere ramen van de wagons. Een te dikke man met een lange antracietkleurige openstaande jas, die zijn frivole strakgespannen paarse bloes, protserig, maar zonder aantoonbare reden, aan de wereld toont. Zijn brede schouders hangen licht naar voren. Bij ieder treinraampje ziet hij een ietwat ongelukkige middelbare manspersoon.

Wat zien ze achter dat donkere glas eigenlijk?

Een man die ’s morgens zijn broze stemming andermaal heeft zien omslaan in frustraties en boosheid. Zoonlief moest naar school en had natuurlijk de schooltas niet ingepakt, moest het actuele rooster nog op de computer opzoeken en zijn fietssleutel was onverklaarbaar verdwenen. Aansporingen van hem, de avond, ervoor leverde een oeverloze discussie op van een beginnende brugsmurf met donkere filosofische prietpraat over de zin van school en daarmee het leven, of eigenlijk vooral de onzin van school.

‘Jij weet niet hoe erg school is tegenwoordig!’

Inderdaad begreep hij niet dat je buiten de reguliere afkeer, het huiswerk helemaal niet meer hoefde te maken.

‘Dat doe ik gewoon op school en op de computer, daar zijn programma’s voor.

Die ochtend had hij tegen zijn zoon geschreeuwd dat er ook programma’s zijn om tassen in te pakken en wel de avond ervoor en dat hij hiervoor het rooster bepaalde. Boos is zoonlief weggefietst en staat nu verderop, eveneens stuurs naar de trein te kijken. Zijn blik had al geseind dat hij het niet moest wagen bij hem in buurt in te stappen.

Dat is hij ook niet van plan. Terwijl hij mistroostig naar zijn spiegelbeeld op de ramen blijft kijken, de trein is oneindig, ziet hij via de ramen een kleine, in rook gehulde verschijning, naast hem stilstaan. Hij blijft de figuur via de raampjes observeren. De aandacht op zichzelf is nu gelukkig verdwenen. Bij het laatste raampje verdwijnt zijn spiegelbeeld en het rookgordijn. In een reflex kijkt hij naar links en ziet een puistenkop van amper dertien met een kreukelig shaggie op zijn lippen.

‘Tjemig, dat kun je ook nog hebben.’

Zijn stemming wordt al milder. De forenzenboemel arriveert en hij wurmt zich naar binnen. Op het moment dat de trein zich langzaam in beweging zet, voelt hij, staande in de mensenmassa, iemand zijn hand even beetpakken. Hij kijkt opzij en ziet zijn eigen puber staan, die bijna onmerkbaar zijn lippen even tuit om het goed te maken. Ze zeggen beide niets, dat zou ook gênant zijn met zoveel toehoorders.

Tegelijk stappen ze uit.

‘Fijne dag jongen, tot vanavond.’

‘Later.’

De man kijkt hem na. Met nonchalance, maar levenslustig, loopt zijn jongen richting school.

Zeer strenge winter verwacht

Hoe lang duurt het voordat een winkeleigenaar ingrijpt om zijn etalage zichtbaar te houden? Hoeveel omzet moet een neringdoende middenstander missen voordat het lampje gaat branden? Hebben ze knappe en creatieve etaleurs in dienst om de waar aan de vrouw te brengen, wordt de kunstzinnig ingerichte etalage aan het zicht ontrokken door stuurse mannen van divers pluimage. U kent dat wel,  mannen vanaf dertig die gelaten wachten op hun winkelende wederhelft in kleding- of schoenwinkel. Jongere exemplaren zie je nog niet. Die zijn nog plooibaar en verwachtingsvol aan het begin van hun relatieloopbaan. Eenmaal de dertig gepasseerd is er vooral berusting, want meegaan leidt meestal tot ruzie.

‘Vind je dit geen snoezig truitje?’

‘Ja, enig past mooi bij de rode jurk.’

‘Ik heb helemaal geen rode jurk, hoe vaak moet ik dat nog zeggen.’

De man in kwestie krimpt ineen, want het kan zomaar zijn dat nu de jacht op een rode jurk wordt ingezet. Gelukkig krijgt hij te horen dat hij er helemaal geen verstand van heeft. Dat wist hij al dus waarom moest hij zo nodig mee naar binnen. Of wat te denken van de keuze van een paar moderne veelkleurig gympen, door de kenner consequent ‘Converse’ genoemd. Het blijven gympen.

Minutieus kan een vrouw zichzelf met de gympen bekijken, terwijl de man in opperste staat van verdediging wacht om iedere vraag of opmerking liefdevol te pareren zonder een echtelijke twist te veroorzaken. Diep in zijn hart vraagt de man zich af waarom een veertigplusser ineens zo jeugdig moet doen op gympen, maar die discussie gaat hij niet aan.

‘Heb ik geen dikke kont met deze ‘Converse’ of kan ik beter die gele Converse nemen?’

Daar had je als man geen rekening mee gehouden, dat je partner een causaal verband ziet tussen het dragen van een paar gympen en de omvang van haar derrière. Heel dringend priemen de ogen in je richting, wetend dat er binnen een paar tellen een antwoord van je wordt verwacht. Er is geen ontsnappen aan, terwijl je beseft dat de hormonen in de verkeerde PMS richting staan, want wie legt er nu zo’n oorzakelijk verband tussen gympen en kont?

‘Euhh, ik vind die groene gympen wel mooi, maar het maakt eigenlijk niet zoveel uit.’

Fout, helemaal fout ziet hij als de blik van zijn vrouw verstrakt en ze boosaardig de schoenen uit doet.

‘Het kan je helemaal niet schelen hoe ik erbij loop, helemaal niets,’ sist ze hem toe.

Donkere wolken pakken zich boven de ‘gezellige’ winkelmiddag, maar dat weet je pas als je de dertig bent gepasseerd.

‘Trouwens, het zijn geen gympen, maar echte Converse.’

Mannen wachten liever voor de winkel, in weer en wind, en kijken naar het langs schuifelende publiek, maar onttrekken daarmee het zicht op de etalage. Deze verzameling mannen is geen reclame voor de winkel. Een oplossing moet gezocht worden en de verstandige winkelier heeft in zijn winkel stoelen staan, bij voorkeur op een beetje afstand van de pashokjes. De man kan dan in alle rust het winkelen over zich heen laten komen en de vrouw kan haar gang gaan. Ze zijn dan toch een beetje samen.

En al is het genoegzaam bekend dat de winkelende vrouw een onredelijk en bovenal een irritant wezen is, zolang je er geen verbintenis mee hebt, is het heerlijk observeren zo zonder echtelijke verantwoordelijkheden. Bovendien kan de oplettende observator de nieuwste mode in zich opnemen, immers dat lukt niet zo goed met de rug naar een etalageruit.

Zo weet ik dat er op schoenengebied een heimelijke revolutie gaande is, want de laarsjes met bont (Uggs) en gympen maken langzaam maar zeker plaats voor echte laarzen. Naast de stoere laarzen in velerlei kleuren, is de lange laars ruimschoots vertegenwoordigd in de winkels, dus dat zal deze winter het straatbeeld gaan bepalen. Onlangs heb ik menig vrouw in een groot schoenenwarenhuis op een strategische plek in de winkel mogen aanschouwen. Deftige dames proberen pumps en andere elegante schoenen. Onbegrijpelijk met welke soepelheid ze de hoge hakken in stappen. Jongere vrouwen zoeken de nieuwste gympen, want dat schrijft de mode voor, hoewel de ‘oude’ Converse amper anders zijn dan het nieuwe aanbod. Maar alle groepen blijven staan bij de laarzen. Ze kijken, voelen aan het schoeisel, lopen weg en komen weer terug. De diversiteit aan laarzen is groot, maar vooral de laars tot over de knieën heeft een onweerstaanbare aantrekkingskracht. De dominant aanwezige laars is voorzien van touwtjes en knoopjes en is uitgevoerd in een zwarte suèdeachtige stof en in leer. Als finishing touch hebben beide uitvoeringen een stalen hoge hak.

Een enkeling past de laars en dat was nog geen gemakkelijke opgave. Zo zag ik een blonde, in het zwart geklede dame met stevige kuiten al twee keer langslopen. Bij de derde keer, greep ze de laars en probeerde die uit, zonder succes overigens. Ze kreeg de lange laars niet over haar kuiten heen. Al wiebelend probeerde ze het nog met enige kracht en beide handen gebruikend om de laars om haar benen te krijgen. Teleurgesteld droop ze af. Voor haar deze winter geen laarzen tot over haar knieën, anderen zal het zeker wel lukken. En ik weet dat ik rekening moet houden met een strenge winter en dat is zeer bruikbare kennis.

 

Une femme (pas) fatale

Frequent kom ik op het station van Arnhem. Soms neem ik de auto en in sportievere tijden fiets ik naar het werk. Dat laatste is dit jaar nog maar een enkele keer gebeurd. Ze zeggen dat Nederland vlak is, maar een enkele IJstijd heeft gezorgd voor ogenschijnlijk nietszeggende stuwwallen en met mijn rokerslongen zijn de heuvels een pittige aanslag op mijn fysieke gesteldheid. Dus neem ik vaak de trein.

Het station van Arnhem is al jarenlang een bouwput en daarmee een nog desolater oord dan de meeste stations in Nederland.

 

Deze zomer is besloten extra hard te werken aan het station. Een maand lang rijden er geen treinen richting Utrecht en Nijmegen. Met het feit dat er geen treinverkeer mogelijk is naar de Keizerstad, vervalt ook een van de schoonheden van Arnhem, want dat is natuurlijk de trein naar Nijmegen. U weet nu waar mijn voorkeur ligt. Maar ik hoef niet naar Nijmegen, maar richting de Achterhoek en die trein rijdt nog wel.

De vakantieperiode, in combinatie met beperkt treinverkeer, maakt de perrons leeg. Je kunt wel, wachtende op de trein, kijken naar de werkzaamheden op en rond het spoor.

 

 

 Met oprechte bewondering aanschouw ik het leger mannen dat bezig is met een nieuwe overkapping op de eerste perrons. Anderen zijn bezig met graafwerkzaamheden of voeren puin af. Met mij zijn er meer bewonderaars van de bouwwerkzaamheden, vooral oudere mannen die helemaal niet met de trein ergens naar toe moeten. Ze zijn door hun vrouw het huis uit gestuurd omdat ze toch maar voor de voeten lopen. Deze zomer kunnen ze zich vermaken op het Arnhemse station.

 Ik heb de trein gemist, dus er is bijna niemand. Een kwartier later komt de volgende trein pas. Als de eerste medereizigers zich aandienen, zie ik in mijn ooghoek een grote blonde jonge vrouw aanlopen. Nu heb ik bewondering voor bouwwerkzaamheden, echter ik snap er niet zoveel van. Met grote blonde vrouwen is dat precies hetzelfde. Meestal hoeft dat gelukkig ook niet. Deze vrouw is bijna net zo groot als ik, zeker 1.80. Ze draagt bovendien hoge gehakte laarzen van een stoer soort. Dit maakt haar verschijning nog imposanter. Haar stevige, volgens de Sonja Bakker-normen iets te dikke lijf, wordt geaccentueerd door een zwarte katoenen strechjurk die tot even boven haar knieën komt. Ze heeft gave, mooi gebruinde benen. Voor dat ik haar gezicht kon zien, liep ze al langs me heen. Wat rest, is uitzicht op een Goddelijk bouwwerk van de achterkant. Omdat ik me sterk bewust ben van mijn primitieve focus, besluit ik niet langer te kijken. Ik ben immers geen Neanderthaler. Bovendien schuif ik zo aan tafel bij moeder de vrouw.

 De blonde dame is al weer uit mijn gedachten, als ze geheel onverwacht weer langs komt wandelen. Ze luistert naar muziek en gunt me ogenschijnlijk geen blik waardig. Haar blonde opgestoken haren omlijsten een fijn, maar gesloten gezicht. Ze gaat op anderhalf meter van me staan, leunend tegen hetzelfde hekwerk en kijkt ook naar de mannen.

Mijn aandacht geldt niet meer de werkzaamheden. Ik voel me ongemakkelijk omdat ze in mijn aura staat. Ik weet niet of ik dat aangenaam moet vinden. Hoewel ik de blonde femme fatale nu beter kan bekijken, stoort het me dat ze zo dicht bij me staat. Andere mensen staan minstens twintig meter verder. Waarom zo dichtbij? Wat moet ze van me?

Volgens mij zeggen ongeschreven regels in liften en ruimtes dat onbekenden altijd een plaats zoeken op gepaste afstand zodat de ruimte gelijkelijk is verdeeld tussen de mensen. Volgens deze ongeschreven regel had ze tien meter van me af moeten staan. Nu voel ik haar lichaamswarmte bijna, of wordt de verhitting veroorzaakt door mijn eigen psychische onbehagen.

 ‘Naar wicht’ denk ik, terwijl ik haar en profil begluur. Lange wimpers zie ik en een gedistingeerde make-up, zeker niet ordinair.

‘Zit daar een beetje ongenaakbaar te zijn in mijn aura.’

Haar ronde vormen worden nu ook door andere voorbijgangers waargenomen, zowel door mannen als vrouwen.

Een van hen kijkt jaloers en lijkt het leeftijdsverschil van bijna twintig jaar niet te kunnen bevatten. Ik wil hem naroepen dat hij dit goed zit, maar voel me ook een beetje trots.

‘Och, misschien is ze alleen onzeker en zoekt ze de nabijheid van een vaderfiguur en niet de drukte van meerdere reizigers’, vergoelijk ik haar gebrek aan fysieke distantie.

Mijn vaderlijke gevoelens verdwijnen echter als sneeuw voor de zon als ik haar delicate parfum waarneem.

‘Wat is het reukorgaan toch een sterk onderschat zintuig.’

Haar fijne neusje prijkt arrogant in de lucht en mij heeft ze nog niet zien staan.

‘Zou er zoiets bestaan als auravredebreuk’ vraag ik me af.

Ik vrees dat je hiermee niet bij de politie kunt aankomen en als ze de hemelse verschijning van de verdachte zien, zullen ze me zeker besmuikt uitlachen.

 ‘Ben ik nu een gevaar voor deze dame of is deze dame nu fataal voor een onschuldige 44- jarige penopauzer?’

Ik voel me bijna verplicht een openingszin te plaatsen, maar ik heb net gerookt, ik heb geen verstand van mode om een compliment over haar kledingkeus te geven en een seksuele toespeling over haar ronde vormen is natuurlijk per definitie ongewenst, nog daargelaten of ik dat zou durven.

In Brazilië is er een spreekwoord voor als je Rio de Janeiro bezoekt. Naast allerlei wereldlijk vermaak in de metropool, kun je je ogen wassen door naar al het fraaie vrouwelijke schoon te kijken dat rijkelijk paradeert in de straten en op de boulevards.

 Deze gedachte brengt de rust weer bij me terug en durf nu zonder gêne de jonge vrouw te observeren.

‘Vergis ik me nu, of is de vrouw iets meer ontspannen?

Een vage glimlach krult haar lippen en maakt haar iets minder ongenaakbaar. Of is de licht spottende lach naar mij gericht? Heeft ze me door?

Het kan me ook niet schelen, ik heb de zekerheid dat ik met gewassen ogen thuis kom en dat is toch ook wat waard. Eenmaal in de trein raak ik haar kwijt.

Ze stapt niet tegelijkertijd uit. Lopend langs de raampjes, zie ik haar weer zitten. Ze gaapt en wrijft in haar ogen, vast een vuiltje. Waar zal zij dan naar gekeken hebben?

 

Dorus de Binnenboel en de koningin van Lombarije

‘Einsteigen und schnell bitte’ schalt Dorus naar zijn gevolg. Het geluid draagt ver weg op deze koude, maar reeds zonnige lenteochtend. Flarden mist bedekken het gemeenteparkje en de huizen in de verte zijn slechts met moeite te onderscheiden, maar overduidelijk gaat het een zonnige dag worden.
Nogmaals maakt Dorus zijn misplaatste grap en voegt er aan toe: ‘In einem Augenblick fahren wir in das Land unseren Nachbarn, aber wir bleiben dort nur 7 Stunden.’ Dat was immers de planning van Dorus om zeven uur later in de buurt van het Zwitserse Basel te zijn op weg naar hun vakantiebestemming in het Noorden van Italië.
Dorus kan Duits wauwelen tot hij een ons weegt, zijn kroost zit al meer dan tien minuten in de auto. Ze zijn opgewonden over het feit dat ze met hun ouders op vakantie gaan. De lange autorit nemen ze voor lief in de wetenschap dat de gameboy, snoep en op zijn tijd een culinair hoogstandje bij één van de alom geprezen Duitse Raststättes, hun deel zullen worden. Dora daarentegen laat zich niet van haar plan brengen om strijkijzer, koffiezetapparaat, televisiekabels en wat al niet meer voor de derde keer deze ochtend te controleren, want er gaat niets boven de binnenboel veilig achter te laten.

Als Dora dan eindelijk naast hem komt zitten, kan Dorus de verleiding niet weerstaan:
‘Heb je ook de computer uitgezet?’
Met een zucht wil Dora uitstappen, maar als ze het gezicht van Dorus ziet en ook de protesten van de kinderen tot zich laat doordringen, begrijpt ze dat een extra controle niet meer nodig is.
‘Flauw hoor.’ zegt ze, om vervolgens aan de volgende ronde te beginnen namelijk het controleren van passen, pinkaarten en verzekeringspapieren. Terwijl Dorus de auto start, weet hij dat tien kilometer verderop, als ze de landsgrens zijn gepasseerd, de vakantie echt kan beginnen. Dora heeft zich er dan van vergewist dat alle documenten meegenomen zijn.

De Duitse autobanen kent geen geheimen voor Dorus, dus van een echtelijk dispuut over borden volgen, kaartlezen of de mate waarin het ruimtelijk inzicht aanwezig is bij de vrouw, hoeft geen sprake te zijn. Geen vuiltje aan de lucht, dus niets staat een voorspoedige reis in de weg.
Traditiegetrouw staat een Nederlandse zender, te weten Radio 1 aan, om getuige te zijn wanneer het gekraak van dien aard is, dat uitgeweken moet worden naar ander auditief vermaak. Soms is dat al voor Oberhausen, vaak is de zender nog wat langer te beluisteren. Als het gekraak te erg wordt, zal een aanvraag voor een CD vanuit de achterbank gelanceerd worden.

‘Mag mijn CD erop?’ vraagt de oudste.
Dorus inmiddels wijzer geworden, berust zich met de wetenschap dat hiphop, rap of vage R&B zo dadelijk door de auto zal schallen.
‘OK, maar straks weer onze muziek, eerlijk de tijd verdelen.’
De laatste twee vakanties is Dorus gewend geraakt aan Alie B, allerlei DJ’s of wat te denken van Emenem, die zelfs nog enige acceptabele nummers voor het gehoor van Dorus heeft geproduceerd. Niets vermoedend stopt Dorus het schijfje in het apparaat.
‘Heb ik zelf gedownload.’ krijgen Dora en Dorus toegevoegd.
Bij Keulen wordt een parodie van de laatste zomerhit door de speakers geknald, alsof wijlen ZKH prins Bernard aan het zingen is. Het gaat over Duitsers hier, Duitsers daar, Duitsers overal.
‘Me dunkt’ mompelt Dorus, ‘we zijn Keulen voorbij.’
Wijselijk houdt hij zijn mond dicht, maar het kan nog erger blijkt.
Het tweede nummer wordt door de achterbank en de luidsprekers luidruchtig meegezongen.
‘Ich bin Schnappie, das kleine Krokodill.’
Dorus kijkt Dora aan en zegt:
‘Ik wist van het bestaan van dit lied, maar had het nog niet eerder gehoord. Dat uitgerekend dit culturele dieptepunt van menselijke degeneratie in onze eigen auto moet worden gedraaid, bewijst het falen van onze opvoeding.’
Dorus draaft altijd een beetje door als hij geraakt wordt door totale wansmaak.
‘Ach laat ze toch effe’ meent Dora.

Mokkend rijdt Dorus verder richting Frankfurt. Hij denkt aan vakanties van zo’n vijf jaar terug. Liedjes van ‘Ja zuster, nee zuster’ zijn voor hem verbonden met de vakantie. Ook allerlei CD’s van Ernst, Bobbie en de rest doen hem denken aan betere tijden in Frankrijk, Tsjechië of waar dan ook in Europa. Zelfs de veel te hoge kinderstemmetjes van koortjes die oude liedjes van vroeger zingen, zouden in plaats van ‘Schnappie’ een zegen zijn geweest.
Met een glimlach op zijn gezicht neuriet Dorus:

De koningin van Lombardije
Ging in haar rijtuig, ging in haar rijtuig
De koningin van Lombardije
Ging in haar rijtuig rijen

“Wat zeg je?’ vraagt Dora naast hem.
‘O niets, ik zei tegen mezelf dat we naar Lombardije gaan.’
Dorus weet uit het liedje dat het slecht afloopt met die koningin die haar volk bedroog met een louter zwaaiende hand uit de koets. Verder weet Dorus helemaal niets van de geschiedenis van Lombardije, behalve dat het iets met het Congres van Wenen heeft te maken en met die Habsburgers, die overal in de Europese geschiedenis op de meest onverwachte tijden en plaatsen weer te voorschijn kwamen.
Ook Dora vindt dat de bagger die vanaf internet is geplukt genoeg en zoekt naar een gezamenlijk compromis. Met Acda & De Munnik wordt Frankfurt inmiddels genaderd. Daarna volgen Karlsruhe, Basel, Luzern en San Gothardo om vervolgens in Lombardije aan te komen. De hele dag blijft de koningin van Lombardije in het hoofd van Dorus zitten. Het liedje eindigt dat op haar graf de nephand nog immer aanwezig is. Bij harde wind zou die hand nog steeds naar het volk van Lombardije zwaaien.
“We moeten misschien maar eens op zoek naar het graf van de koningin van Lombardije’ zegt Dorus die een poging doet om de vakantie ook een opvoedkundige en culturele dimensie te geven.
‘Wie is dat dan nu weer.’
‘O, dat is een heel beroemde hip-hopster uit de 19e eeuw die het geschopt heeft tot koningin van het land waar we nu zijn, Lombardije heette het toen. Toen ze echter haar mensen voor de gek ging houden met allerlei rare liedjes en grapjes hebben ze haar vermoord.’ Er is nog steeds een kinderliedje dat over haar gaat, dat hebben we vroeger vaak gezongen, weet je nog.’
Dora kijkt hem aan en denkt waarschijnlijk, los dit zelf maar verder op. De kinderen laten zich echter niet bedotten.
‘Mag mijn CD er weer op.’
En met Schnappie das kleine Krokodill bereikt Dorus en zijn gevolg de plaats van bestemming in Lombardije.

Dorus de Binnenboel doet de Elfstedentocht

 

Er zijn van die dagen in het leven van Dorus dat het niet wil vlotten. Hij wordt dan hevig heen en weer geslingerd tussen “er moet een heleboel, maar het wil maar niet uit mijn handen komen”. Vandaag is het precies zo’n dag. Ondanks de lente die in aantocht is, willen de kriebels nog niet echt binnendringen, de schoonmaakkriebels wel te verstaan.
En toch ligt er een scala aan grote en kleine klusjes op Dorus te wachten.
Dorus kijkt om zich heen en aanschouwt zijn omgeving. Hij werpt een wanhopige blik naar boven alsof daar de oplossing te verwachten is. Maar boven zijn nog veel meer klusjes die vragen om ontklust te worden.
“Was ik maar een echte man” roept Dorus ten einde raad, maar blijft vervolgens gewoon zitten.
Dorus denkt na over het echte man zijn en daarmee wordt zijn schuldgevoel voor even op de achtergrond gezet.

“Ja, een echte man die doet geen klusjes, maar klussen. Hij wast de auto, repareert de wasmachine, vervangt een leertje in de lekkende kraan en verwijdert de groene algen met de hogedrukreiniger die hij gekregen heeft met vaderdag van zijn kinderen, die trots zijn op zo’n handige vader.”
Dorus kijkt naar zijn handen en ziet dat ze allebei dezelfde kant opstaan, de linkerkant wel te verstaan. Een echte man heeft een schuur met gereedschap, maar Dorus niet. Natuurlijk heeft Dorus het hoognodige, een hamer, een zaag, setje schroevendraaiers en dopsleutels en zelfs een heuse gereedschapskist. Die kist heeft Dorus gekregen van zijn schoonouders bij de eerste verjaardag dat ze als zodanig gekenschetst mochten worden.
“Hier een nuttig cadeau voor je,” hoort hij zijn schoonvader nog zeggen.
De arme man wist toen nog niet beter, maar door de hoeveelheid klussen die hij vanaf dat moment al heeft moeten opknappen voor zijn dochter, is de achting voor zijn schoonzoon wel ernstig geslonken.
“Je kunt wel aardig schrijven,” zegt hij soms, maar het klinkt wel wat wrang uit zijn mond.
Een gereedschapskist of niet, meestal moet Dorus toch de spulletjes die in de gereedschapskist zitten elders zien te vinden. Dorus is niet trots op zijn gereedschap, zoals een echte man. Soms droomt Dorus van een grote klopboormachine en dan voelt hij zich een echte man. Hij zou iedereen versteld doen staan.

Voorlopig heeft Dorus nog te maken met de klusjes die op hem wachten. Want zolang je niet aan het klussen bent, is er geen excuus om de klusjes niet te doen. Dat vindt Dora tenminste.

“Maar mannen houden niet alleen van klussen, ze houden ook van sport.”
Met deze rare gedachtekronkel probeert Dorus de klusjes in een positiever daglicht te krijgen. Dorus zit te broeden hoe hij de klusjes kan afwerken in een sportieve happening. Hij pakt de sportbijlage van de krant en probeert daaruit inspiratie te vinden. Bij het zien van de foto van Foppe de Haan, oud-trainer van de voetbalvereniging Heerenveen, thans trainer van jong-Oranje, ontstaat er een plannetje.
“Foppe, Friesland……..een elfstedentocht. Ik ga elf klussen uitzoeken en doe net of ik de elfstedentocht moet schaatsen onder barre omstandigheden.”
In de optiek van Dorus kost het niet zoveel moeite om de barre omstandigheden voor te stellen. Als een ware ijsmeester controleert hij het huis op de meest noodzakelijke klussen. Als hij er elf heeft gevonden, voorziet hij ze allemaal van een passende Friese plaatsnaam te beginnen bij Leeuwarden. De Friese hoofdstad is het zenuwcentrum van de tocht. Daarna volgen Sneek, IJlst, Sloten, Stavoren, Hindelopen, Workum, Bolsward, Harlingen, Franeker, en voor klein klusje tussendoor het onvergetelijke Bartlehiem, om vervolgens bij het keerpunt Dokkum terug te gaan naar Leeuwarden. Eenmaal in Leeuwarden zal de overwinning zoet smaken en zal hij terug kunnen kijken op een geslaagde tocht. Gezien de barre omstandigheden zal een record er niet inzitten, maar de tocht zal een tocht der dapperen zijn en Dora zal hem trots opwachten bij de finish in Leeuwarden. Maar dat is later, eerst zal de tocht gereden moeten worden.

Dorus zet zich schrap voor de start.
“Klaar voor de start, af.”
Nog in het donker, onder het bed van zijn oudste zoon, zoekt Dorus de vuile kleding bij elkaar en deponeert deze in de daarvoor bestemde mand. Leeuwarden ligt nu achter hem. Dan boent hij het tuimelraam in de slaapkamer van zijn jongste zoon, het begint inmiddels een beetje licht te worden als hij Sneek begint te naderen. In IJlst, het is volledig licht, doet Dorus meteen ook het raam van de badkamer. Vervolgens krijgt de badkamer een snelle beurt, als hij in Sloten aankomt. Via de het stofzuigen van de overloop (Stavoren) en het afstoffen van de vensterbanken (Hindelopen) komt Dorus aan in Workum alwaar hij het koffiezetapparaat aanzet.
“Het loopt voorspoediger dan ik dacht” zegt Dorus, “we zijn bijna op de helft. In Bolsward mag ik even rusten.”
Met het vooruitzicht van de koffie had Dorus niet door dat het al meer moeite begint te kosten, maar na Bolsward viel het toch tegen. Naar Harlingen ging het nog net en de vaat was weggewerkt, maar de weg naar Franeker en Dokkum viel zwaar tegen. De vette oven wilde maar niet schoon worden en ook de metalen afzuigkap was een pittig karwei. De juiste cadans werd niet gevonden alsof Dorus een hevige noordooster moest trotseren. Om het leed richting Dokkum te verzachten, besloot Dorus onderweg zijn diskman op te doen. Dat moet in de buurt van Bartlehiem zijn geweest alwaar de Dorus naarstig op zoek is naar zijn CD van de Blaùhuster Dakkapel. Met de vrolijke klanken van dit feestorkest zwoegt Dorus zich een weg naar Dokkum.
Dan de laatste etappe, terug naar Leeuwarden, en dat betekent alles voor het oog netjes maken en alles opruimen wat op zijn weg komt.
Met pijn en moeite komt Dorus aan in Leeuwarden.
“De klus is geklaard”
Want Dorus vindt dat de optelsom van klusjes toch echt een klus genoemd mag worden.
Bij de finish hoort hij een claxon en hij ziet Dora met de auto komen aanrijden. Ze is dus nog net getuige van zijn binnenkomst. Dorus kan de felicitaties in ontvangst nemen.

Dora geeft Dorus een kus en kijkt in het rond.
“Ik zal even de kranten opruimen en de planten water geven.” zegt ze tegen Dorus.
Met stomheid geslagen kijkt Dorus haar aan.
De overwinning smaakt Dorus niet en hij laat het in de nabije toekomst maar weer gewoon bij klusjes.