Maarten ’t Hart/Het woeden der gehele wereld

Moet ik me schamen dat ik de schrijver Maarten ’t Hart eigenlijk helemaal niet gelezen heb? Goed, in 1984 lag ik twee weken in het ziekenhuis, vlak voor mijn examens van de middelbare school en om de tijd te doden, nam ik een paar boeken uit de ziekenhuisbibliotheek. Een daarvan was Maarten ’t Harts ‘Een vlucht regenwulpen’. De bevindelijke jeugd van de hoofdpersoon, zijn voorliefde voor de natuur en allerlei verwikkelingen op een biologencongres in Zwitserland staan me nog bij. En misschien heb ik het wel helemaal mis, want de film heb ik nooit gezien. 

Maarten ’t Hart komt mij op tv toch over als een beminnelijk mens, laatst zag ik nog flarden bij VPRO’s Zomergasten.

‘Niets mis met die man zo op het eerste oog.’

Goed, mezelf kennende zal ik mijn wenkbrauwen wel een tikkeltje hebben opgetrokken toen de beste man in een bloemetjesjurk op tv verscheen, al weer jaren terug. Nu denk ik, ieder zijn meug, accepterend dat ik toch minder progressief ben dan ik mezelf soms presenteer. Maar na mijn zeventiende heb ik dus geen ’t Hart meer gelezen.

 

Onlangs kwam mevrouw Sprakeloos met ‘Het woeden der gehele wereld’ thuis. En ze was na afloop razend enthousiast. Zelf stond ik nog niet te springen, andere boeken moesten nog gelezen worden, maar op een avond zocht ik nog iets voor het slapen gaan. Bij gebrek aan beter, nam ik ‘Het woeden der gehele wereld’ ter hand en las het eerste deel, circa tien pagina’s. Een veelbelovend begin, mogelijk een oorlogsroman.

 

 Het woeden der gehele wereld

 Maarten ’t Hart

 Arbeiderspers 2010

 (1e druk 1993)

 Niets is minder waar. De roman, die eigenlijk meer te typeren is als een thriller, start aan het begin van de Tweede Wereldoorlog als een boot met een aantal (Joodse) vluchtelingen probeert te vertrekken naar Engeland, maar even buitengaats onderschept wordt door de Duitsers en tot zinken wordt gebracht. De oorlogsmachine van de Duitsers was nog niet volledig op gang, dus de aanwezige mochten terugroeien naar de kust.

 

De rest van het boek gaat over de zoektocht naar de motieven van de moord op een politie-agent in bijzijn van de hoofdpersoon, Alexander, in 1956. Alexander was toen een jaar of 11. De moord, het oog in oog staan met de moordenaar en de angst om zelf ook vermoord te worden, spelen in de rest van het boek. In de puberteit komt hij er langzaam maar zeker achter wie er op de boot hebben gezeten en brengt dit in verband met de moord op de politieman die al jaren bezig was de kosten van de verloren botter op de vluchtelingen te verhalen. De boot was immers van de familie van de agent.

 

De zoektocht naar de motieven in een bevreemdende christelijke omgeving van Maasluis verbindt voor mij de hoofdpersoon automatisch aan Maarten ’t Hart zelf. Ik weet dat dit niet mag, maar in de beelden die naar boven komen tijdens het lezen heb ik dit niet kunnen uitsluiten. Alexander komt over als introverte ietwat rare en rationele jongen waarbij de lezer ook getuige is van de ontwikkeling van kind tot jong volwassene.

Gaandeweg het verhaal komen alle voormalige vluchtelingen op de boot in 1940 in het leven van Alexander. Op het einde, als men denkt dat de moordenaar onthuld wordt, krijgt het boek een hele onverwachte wending. De lezer krijgt in ieder geval geen uitsluitsel over wie de moordenaar is.

 

Ik heb het boek met veel plezier gelezen. Vooral de sfeerbeschrijvingen en de humoristische wijze waarop de beklemming van het leefmilieu van de hoofdpersoon wordt beschreven, geven het boek naast de spanning ook nadrukkelijk een (literaire) meerwaarde. (Ik heb lang gedacht over het woord literair in de vorige zin, want waarom moet een boek literair zijn, het boek moet vooral boeien tot de laatste bladzijde, of het nu literair is of niet. Maar met de koppeling aan Maarten ’t Hart val ik me geen buil om het boek literair te noemen.)

Voor mensen die heel erg thuis zijn in de klassieke muziek, zal het werk van Maarten ’t Hart nog veel meer te bieden hebben, want Alexander, die uiteindelijk uitgroeit tot componist, leeft van jongsaf aan voor de muziek. Maarten ’t Hart gooit en goochelt in ‘Het woeden der gehele wereld’ met componisten en muziekstukken. Ik heb zomaar het vermoeden dat alle genoemde stukken uitstekend passen in de verhaallijn. Ik kan het niet beoordelen. Wel weet ik dat ik de komende tijd meer gespitst zal zijn op andere werken van Maarten ’t Hart.

 

Erasmus en het Poldermodel/HERMAN PLEIJ

Hoon, afkeer en walging is wat de Nederlandse regering ten deel is gevallen de afgelopen dagen. Na wekenlang geheim crisisberaad is de Nederlandse samenleving gefêteerd op een zweempje crisismanagement dat door de langdurige onderhandelingen verworden is tot een slap aftreksel van wat het had moeten zijn. Tenminste dat vinden de media, oppositie en wij, het Nederlandse volk.
Toch is de buitenproportionele kritiek niet terecht. Integendeel, zou ik haast zeggen. Ze verdienen eigenlijk een dikke pluim. De wijze waarop de coalitie het crisismanagement ter hand heeft genomen is een pure daad van vaderlandsliefde geweest of in ieder geval kan gesteld worden dat het hele proces met een nauwkeurig historisch besef tot stand is gekomen.

Jongens van Jan de Witt
Het fine-tunen op historische leest door de huidige coalitie kan ik waarderen en ik wordt hierin gesterkt door een autoriteit op dit gebied namelijk Herman Pleij. Hij schreef enige jaren terug het zeer lezenswaardige boekje ‘Erasmus en het poldermodel.’  Na herlezing van het boek van de hoogleraar historische Nederlandse letterkunde aan de UvA, kan ik stellen dat onze jongens van Jan de Witt (JP, André en Wouter) het zeer goed hebben gedaan. Ze verdienen de kakofonie van kritieken niet. Aan de andere kant, de meest oppositiepartijen zijn ook uitstekend in hun historische rol gebleven. Daarvoor ook een compliment vanuit deze plek.

Lelijk eendje
Toegegeven, de geboorte van het sociaal akkoord is moeizaam gegaan en om nu te spreken van een mooi kind, durf ik niet te beweren. Maar zoals een ieder weet, groeit uit een lelijk eendje een prachtige zwaan.
Nederland is nu aan het polderen, letterlijk en figuurlijk, ondanks het geblaat dat dit ‘oude politiek’ is.

‘Heeft het poldermodel, in welke gedaante dan ook, echt afgedaan? Of is er eerder sprake van impulsieve reacties op actueel onheil en ongenoegen? Nederland staat bol van hoog kwalitatieve opiniëringsinstituten en dito cabaretiers, die graag moord en brand schreeuwen en op zijn minst de zoveelste revolutie uitroepen wanneer er iets schokkends gebeurt of de wereldeconomie in een dal raakt. Verder heeft iedereen in het tot in zijn vezels doorgedemocratiseerde Nederland een mening over alles, terwijl politici graag het nodige elan demonstreren door voortdurend aan te kondigen dat het nu geheel anders moet of juist weer niet. En ondertussen regeren de ambtenaren gewoon door krachtens een poldermodel dat hier al eeuwen de dienst uitmaakt.’
(Herman Pleij, p.14)

Ongeboren kind
In de wetenschap dat de geboorte moeizaam zal verlopen, is alles en iedereen in het werk gesteld om het ongeboren kind tot zijn recht te laten komen. De draagtijd is tot het uiterste opgerekt, want dat vergroot de kans op overleving. Evenals het aantal deskundigen dat erbij is geroepen van eminent belang is. Immers, hoe groter de betrokkenheid van velen, des te groter de kans is dat het kind een brede erkenning zal krijgen. En dat is van levensbelang voor een gelukkige groei. Want zeg nu eerlijk, ook minder ‘geslaagde’ kindjes hebben recht op een volwaardig bestaan. Achterkamertjes zijn dus nodig om het geboorteproces goed te begeleiden.

Ook al dat verdere gesjoemel en zeker die veronderstelde achterkamertjespolitiek vallen reuze mee, vooral omdat ze zo veel supporters hebben in de hoogste kringen van politiek en ambtenarij – hoe moet je anders een samenleving inrichten en op koers houden met het uitgangspunt dat zo veel mogelijk mensen aan hun trekken dienen te komen?
(Herman Pleij, p.17)

Natuurlijk moesten de werkgevers meedoen en vanzelfsprekend mocht Agnes Jongerius hoog van de toren blazen. Er moet toch een breed draagvlak gecreëerd worden.

Oppositionele gedragsproblematiek
Daar waar het lelijke eendje extra ondersteund en gepamperd dient te worden, valt het de jonge zwanen zwaar om te overleven. De nieuwbakken ideeën van de oppositie krijgen niet de aandacht die de zwanen zouden willen. Om gehoord te worden, gaan ze schreeuwen en fulmineren. Ze vervallen mogelijkerwijs in extreem taalgebruik om hun frustraties te uiten. En dat mag, sterker nog, historisch gezien zijn zij dat aan hun politieke stand verplicht.

De essentie van het poldermodel bestaat uit de pragmatiek, die na het schreeuwen van moord en brand telkens intreedt. Het redresserend vermogen waartoe het model na al die extreme uitingen steeds weer uitnodigt is bijzonder veerkrachtig en blijkt al eeuwen alles wat er aanvankelijk uitziet als totale ontreddering te kunnen opvangen en kanaliseren.
(Herman Pleij, p.20)

Goede zorg
Voor het vrije woord en de discussie zijn een aantal zaken van belang. Herman Pleij haalt de noodzaak hiertoe vanuit de Nederlandse geschiedenis en leert ons tevens dat Erasmus deze gewoonte in de 15/16e eeuw al heeft beschreven en verfijnd voor latere generaties. Het voert in dit kader te ver om de precieze toevoegingen en wijsheden van Erasmus inzake het poldermodel te benoemen. Enige uitgangspunten wil ik u echter niet onthouden:

(……….) moeten leren om respect te tonen voor andere standpunten, ook en juist als ze er niet in slagen om hun opponenten te overtuigen. En dat respect is de garantie voor de waarde van hun eigen opinies, op voorwaarde dat iedereen zich open blijft opstellen en zo lang mogelijk volhardt in de gedachtewisseling (……….). Hoe fel de opponenten ook tegen elkaar tekeer kunnen gaan en hoezeer ze er niet in slagen om de ander voor het eigen standpunt te winnen, ze krijgen nooit echt ruzie en gaan aan het slot beschaafd uit elkaar (…….) aan het slot is niemand monddood gemaakt.
(Herman Pleij, p.60)

Kraamvisite
Een kind is geboren met drie vaders. JP als leider niet eens nadrukkelijk aanwezig. Dat hoeft ook niet want wij Nederlanders houden niet van leiders al schreeuwen sommigen er nog zo hard om. Wij weten het zelf wel.

Dat kuddegedrag, bij voorkeur van oranje snit, accentueert metterdaad dat leiders niet nodig zijn en zeker als zodanig niet geliefd.
(Herman Pleij, p.86)
Ook Wouter als onderdeel van de consensusvaders kan niet meer dan zuur lachen. Hij heeft het immers niet allemaal zelf bedacht. En ook André zal zeker zijn bevindelijkheid niet terugvinden in het sociaal akkoord.
En dan de visite die aast op beschuit met muisjes, het liefst van eigen kleur. De coalitiepartijen eten tegen heug en meug en verzekeren dat het goed smaakt. De oppositie zoekt naar betere beschuiten en/of muisjes of heeft mogelijk zelfs de eigen traktatie meegenomen om te offreren. Het zal echter nooit gegeten worden, tenminste niet in het openbaar. Uiteindelijk zullen ook zij heimelijk de geboorte van het kind toch accepteren. Ze moeten wel. Zeker nu, want polderpolitiek is met name het sterkst als er een crisis is.

Aangezien het om verworvenheden gaat die in lange eeuwen zijn opgebouwd, moet dit poldermodel ook antwoord geven op recente schokken in de samenleving en de omgang met nieuwkomers. Daarvoor beschikken we namelijk over een uniek instrument, zeer schok- en revolutiebestendig, dat optimale betrokkenheid bij alles garandeert: een conflictmodel met de pragmatiek van een ingebouwde tolerantie, die vroeg of laat maar wel altijd naar leefbare consensus leidt. En met behulp daarvan kan iedereen steeds weer in alle vrijheid aan de slag.
(Herman Pleij, p.106)

Hoe zal het kind opgroeien (oftewel Oei, ik groei!)
De geschiedenis zal het leren, maar op basis van de wetenswaardigheden  die Herman Pleij[i] offreert, komt het goed, al zal het niet helemaal over rozen gaan zoals bij ieder groeiproces. En bovendien we leven nu in een crisis en hebben de neiging daarbij de geschiedenis te vergeten. Het veronachtzamen van onze geschiedenis wordt versterkt door de journalistiek.

Daarin worden ze (politici, red) bijgestaan door naar blijvende verandering hunkerende journalisten, die daartoe de waan van de dag graag verheffen tot mijlpaal van alweer een beslissende omwenteling die zij zelf mochten bijwonen – of liever gezegd, persoonlijk hebben gesignaleerd.
(Herman Pleij, p.13)

Ze moeten dus wel negatief over het polderconcept schrijven, want als de hype niet gevolgd wordt, is er geen brood!!

Nogmaals benadruk ik het historische besef van kabinet en oppositie. We zijn immers tot polderen gedoemd en het heeft ons geen windeieren gelegd.
Een samenleving waarin verreweg de meesten het gevoel hebben aan hun trekken te komen en het onderste uit de kan te kunnen halen, is de moeite van het handhaven, aanpassen en systematisch bestuderen meer dan waard.
(Herman Pleij, p.106)

Voor mij als blogger blijven er voorlopig twee interessante vragen over. Allereerst wat is de rol van de blogger in het algemeen. Past het niet bijzonder goed in de traditie van het polderen. Aan de ene kant kunnen extreme meningen bestaan, maar de neiging om daarmee vooral te zoeken naar goede argumenten en die te vinden bij je opponenten  is daarbij een belangrijk doel.
Een tweede vraag die het onderzoeken waard is, komt uit de actualiteit. In hoeverre is het vaderlandslievend om weg te lopen uit de politieke arena, daar waar de argumenten volgens het aloude spel worden gewisseld. Soms heftig en andere keren uiterst zakelijk, maar altijd zoekend naar een zo breed mogelijk draagvlak en neigend naar consensus. Ik kan deze vraag niet goed beantwoorden, maar vanuit historisch perspectief is het niet verstandig. Of juist wel?


Herman Pleij
Erasmus en het poldermodel
 Uitgeverij Bert Bakker
 2005
In het volle besef dat maar enkele delen uit het boekje gebruikt zijn in mijn betoog, benadruk ik dan ook de verdere argumentatie van de auteur zeer lezenswaardig is. Hij beschrijft de rol van Erasmus in de verfijning van het poldermodel door middel van zijn werken. Ook satire en cabaret zijn in de ‘Lof der Zotheid’  van Erasmus al nadrukkelijk aanwezig. Een stijlvorm die past in het poldermodel tot op de dag van vandaag.
Verder beschrijft Pleij ook nadrukkelijk de mentaliteit van de dominee en de koopman, maar benadrukt niet zozeer alleen de negatieve aspecten die de laatste decennia benadrukt worden. Hij wijst ook op het overlevingsmechanisme dat ingebakken zit in het poldermodel. Heel vermakelijk is ook het beschrijven van de volksaard waarvan hij ontkent dat zoiets bestaat. Hij heeft het over mentale constructies en een gemeenschappelijk ervaren (of gevormde) nederzettingsgeschiedenis.
Kortom een aanrader om in barre tijden (crisis en integratie) tot de broodnodige relativering te kunnen komen.

DE OVERGAVE/ Arthur Japin

Deze zomer was ik, net als velen met mij ‘slachtoffer’ van de marketingafdeling van Uitgeverij De Arbeiderspers. Preciezer gezegd, mijn partner kwam thuis met het boek ‘De Overgave’ van Arthur Japin en daarmee was het ons boek.

Het woord slachtoffer is mogelijk een denigrerende opmerking, want tot mijn schaamte kende ik Arthur Japin niet. Ik had nog nooit iets van de man gelezen, sterker nog ik, kende zijn naam niet eens. Misschien schandalig, maar soms zijn Gods wegen ondoorgrondelijk en Hij had bepaald dat Sprakeloos en Japin elkaar nog niet hadden getroffen. Uiteraard is mijn treffen met Japin meer voor de hand liggend dan andersom, maar dit terzijde.
Deze zomer kon geen enkel persoon die een boekwinkel binnenkwam of een catalogus inkeek om Arthur Japin heen. En dat is heel handig, want ik behoorde blijkbaar niet tot de doelgroep die zou zeggen:
‘Hup, naar de winkel, de nieuwe Japin is uit.’
Dus met een heuse Japin in ons bezit, hebben de marketing managers groot gelijk gekregen.

En in één keer had iedereen het over ‘De Overgave’ en Japin was kind aan huis in Hilversum om over zijn werk te praten. Bovendien, mijn vrouw was laaiend enthousiast, dus vol goede moed begon ik in augustus 2008 met het meesterwerk.
Degene die dit blog een beetje volgt, heeft kunnen zien dat ik me niet echt heb kunnen overgeven. Sterker nog, ik heb het opgegeven bij pagina 268. De laatste honderd bladzijdes lukten me niet meer.

Mijn uitdaging is te achterhalen waarom? “Iedereen”heeft het gelezen, iedereen is lyrisch en ‘De Overgave’ is door vaklieden en publiek ruim geprezen en dus van prijzen voorzien. Waarom kan ik niet gezellig meedoen? Ik kan de vinger er niet echt achter krijgen. Te rauw? Te plastisch? Te traag? Dit kunnen nog wel eens oorzaken zijn dat ik afhaak. Maar daar kan ik dit boek niet op betrappen.
Ook taalgebruik of zinsopbouw kan ik intellectueel behappen, al had ik zelden dat ik onder de indruk was. Het verhaal en de historische achtergrond zijn ook geen reden om het lezen te staken. Onwillekeurig moest ik denken aan mijn middelbare schooltijd en het begrip ‘New Frontier’. In dit boek proefde ik eindelijk dit begrip inclusief een weinig romantisch beeld van de avonturiers. Bovendien waren de Indianen nu eens niet alleen willoze slachtoffers of Wilden. Allemaal ingrediënten die pleiten voor dit boek.

Al terugdenkend vermoed ik dat Granny, de hoofdpersoon en held in dit boek mij te nadrukkelijk aanwezig was. Het vertelperspectief lag te veel bij haar ook als het gaat om relatief kleine onbeduidende details. Hiermee kreeg ik onwillekeurig en mogelijk ten onrechte de indruk dat er te nadrukkelijk naar een plot toe gewerkt moest worden. De uitkomst is mij uiteraard onbekend, want nog honderd bladzijden niet gelezen.

Het is maar een indruk, maar er is nog iets waardoor het leesgenot stagneerde, namelijk het optreden van de auteur zelf. Zoals gezegd, ik kende de beste man niet, maar nu zag of hoorde  ik hem menigmaal en ik stoorde mij aan ogenschijnlijk kleine dingen. Zijn accent irriteerde me mateloos. Hoe konden zijn geschreven woorden geloofwaardig zijn in ‘De Overgave’ terwijl ik hem als schrijver arrogant inschat?

Ik ben mogelijk heel kleinzielig, maar ik heb dat met meer schrijvers en niet de minste namelijk Harry Mulisch en Arnon Grunberg. Ik heb een enorme aversie hun boeken te lezen omdat de schrijver bij mij dan op de voorgrond komt en niet het verhaal. Dit brengt een incongruentie met zich mee die ik helaas niet kan overbruggen. Het is mijn gebrek, maar ik kan leven met een onvoltooide ‘Overgave’.

De overgave

Arthur Japin

Uitgeverij De Arbeiderspers

Amsterdam-Antwerpen

1e druk 2007 

 

 

 

DE SCHADUW VAN DE WIND/ Carlos Ruiz Zafón

Er zijn kwade tongen die beweren dat recensisten, mislukte schrijvers zijn, die wenend over hun eigen falen, verworden tot vileine azijnpissers, die amper in staat zijn hun frustraties en jaloezie te verbergen in hun stukjes. Terwijl ze blijven dromen over hun eigen literaire project, dat beslist beter zal zijn dan het niemendalletje dat ze van hun redacteur moeten bespreken, verlagen ze zich tot muggenziften en kinderachtige scherpslijperij.
Andere recensieschrijvers kruipen de schrijver zowat in hun hol als diens nieuwste werk aan het publiek gebracht moet worden, alsof zij zelf aandelen bezitten van de uitgeverij die het boek moet verkopen.
In het geval van ‘De schaduw van de wind’ van Carlos Ruiz Zafón kan ik u verzekeren dat de schrijver van dit stukje tot geen van beide partijen behoort. Wel moet ik benadrukken, mocht u na lezing van dit artikeltje, niet per direct besluiten het boek te gaan lezen, dit slechts ligt aan de capaciteit van de recensist. ‘De schaduw van de wind’ is namelijk een absolute aanrader voor lezers van het spannende boek met literaire kwaliteiten die bijkans ongeëvenaard zijn. Ongetwijfeld past het om dit boek aan te prijzen met louter overdrijvingen en superlatieven. Dat zegt dan vooral iets over het enthousiasme van mij als lezer. Het doet verder geen recht aan de daadwerkelijke kwaliteiten van dit boek.

‘De schaduw van de wind’ is op de eerste plaats een ongemeen spannend verhaal dat de lezer meezuigt in het Spanje, of eigenlijk vooral Barcelona, van de eerste helft van de twintigste eeuw. Het verhaal begint in 1945. Spanje is zich nog steeds aan het herstellen van de burgeroorlog en leert leven in de dictatuur van Franco, terwijl de rest van Europa nog aan het bijkomen is van de Tweede Wereldoorlog. Een jonge weduwnaar, antiquair van beroep, neemt zijn tienjarige zoon mee naar een geheime plek om hem als het ware in te wijden in de liefde voor het geschreven woord en dan vooral de literaire roman. De jongen Daniël mag op die speciale plek een boek kiezen, of eigenlijk kiest het boek de persoon in kwestie, met daarbij de zekerheid dat dit zijn leven zal gaan beïnvloeden. Daniël verkrijgt het boek ‘De schaduw van de wind’ van de onbekende schrijver Julián Carax. Al snel zal het leven van Daniël helemaal in het teken staan van het boek. Met vele verrassende wendingen, onverwachte doorkijkjes en vooral bloedstollende spanning, weet Zafón de lezer blijvend te boeien op een manier die het boek “De verdwenen Geschiedenis” van Donna Tart doet verbleken.

Maar er is meer dan alleen duizelingwekkende spanning. Naast de verhalende kwaliteit, heeft de schrijver een woord- en zingebruik die de lezer eveneens laat duizelen. Prachtige zinnen volgen elkaar in een vlot tempo op, met daarbij een zeer gevarieerde woordkeus die, zeker in het begin van het boek doet verlangen naar een woordenboek, ware het niet dat daarmee kostbare tijd verloren gaat om verder te lezen. Het woordgebruik brengt de sfeer van het verhaal, maar ook de beklemmende periode van het toenmalige Barcelona, zeer helder op het netvlies van de lezer.
Ondanks de spanning en zeer realistisch beschreven geweldadige scènes die de lezer zal laten huiveren, is het verhaal ook met een grote dosis humor gelardeerd, die vooral tot uiting komt in de verschillende dialogen. Ruzies en scheldpartijen verbouwt Zafón tot kleine literaire pareltjes, waarbij de lezer soms twee keer moet nadenken over de ernst van de beschuldigingen over en weer.
Eén zin ter illustratie, op bijna het einde van het boek, wil ik u niet onthouden. Als een van de hoofdpersonen op zoek is naar een pastoor om een huwelijk in te zegenen, weigert de pastoor, omdat de vrouw in kwestie reeds zwanger is. Zafón schrijft dan: ‘Fermín (goede vriend van de bruidegom) ontstak daarop in grote woede en sleurde hem de kerk uit, naar de vier winden schreeuwend dat hij zijn habijt en de parochie niet waard was, en bezwoer hem dat als hij ons ook maar een strobreed in de weg legde, hij een schandaal zou veroorzaken bij het bisdom waardoor de pastoor op zijn minst verbannen zou worden naar de Rots van Gibraltar om daar in al zijn benepenheid de apinnen tot het christendom te bekeren.’

De schrijver weet de spanning tot het einde vast te houden. Als het plot dan bij de lezer bekend is, volgen enkele korte afsluitende hoofdstukken die de hoofdpersonen hun gewone leven verder laten leven. Een leven waarin, evenals de enerverende episode ervoor, het boek, de liefde en de liefde voor het boek weer centraal staan.

(Ik heb het boek al in 2006 gelezen en in de overtuiging dat het al eerder onder aandacht is gebracht door andere bloggers, lijkt het een overbodige aanvulling. Echter omdat ik mijn lijst van eigen boekervaringen compleet wil maken, toch nog maar een keer dit geweldige boek. Ten tweede, ik was niet alleen de zoveel miljoenste lezer in 2006, nadien blijft het boek in alle boekwinkels nadrukkelijk aanwezig. Misschien een goede marketing, maar vooral ook omdat het een pareltje is en blijft.)

De schaduw van de wind
Carlos Ruiz Zafón
Uitgeverij Signature Utrecht /2004

Oorspronkelijke titel: La sombra del viento (2001)

PAUPERPARADIJS/Suzanna Jansen

 

 

Een paar dagen rust, een aantal nieuwe boeken tot je beschikking en er kan weer gelezen worden. In dit geval ben ik begonnen met Het pauperparadijs van Suzanna Jansen. Als verplichte koop bij een van Nederlandse boekenclubs heb ik het boek gekozen op basis van de foto in combinatie met de tegenstelling ‘pauper’ en ‘paradijs’.

 

Ik had het boek al eerder zien staan, maar recensies had ik niet gelezen. Dat doe ik trouwens zelden, daarom is het eigenlijk bevreemdend dat ik ze wel schrijf. Misschien is recensie ook een te groot woord en zou het eigenlijk boekervaring moeten heten.

Het Pauperparadijs is voor mij beslist geen kat in de zak geweest, integendeel. Deze familiegeschiedenis van Suzanna Jansen begint in 1785 bij de geboorte van Tobias Braxhoofden en gaat door tot het heden, het leven van de schrijfster zelf. Als een rode draad door de geschiedenis van dit familieverhaal is de oprichting en het bestaan van de bedelaarskolonie in het Drentse Veenhuizen en de relatie die de voorouders van Suzanne Jansen ermee hebben gehad en/of nog hebben. Want het is niet voor niets dat journalist Suzanna Jansen Het pauperparadijs heeft geschreven. Familieherinneringen, ook die zaken die eigenlijk niet uitgesproken mochten worden, blijken wel degelijk invloed te hebben op de verschillende familieleden. Schaamte, achteraf beziend waarschijnlijk ten onrechte, over de handel en wandel van bijvoorbeeld de opa van Suzanne Jansen is veelzeggend. Dit heeft de journalist waarschijnlijk verleid om op zoek te gaan naar haar wortels. Zij kwam terug bij de reeds genoemde Tobias Braxhoofden, die zich op 17-jarige leeftijd meldde voor het leger van Napoleon om daarmee Europa in te trekken. Als gelouterd soldaat heeft hij zich ook in het na-Napoleontische tijdperk in de Nederlanden nog een zekere positie verworven. Toch is het misgegaan en heeft hij zich vrijwillig, met zijn gezin, laten brengen naar het toen nieuwe experiment in Veenhuizen dat door ene Johannes van den Bosch is opgestart. De wens om niet langer geconfronteerd te worden met de landlopers in combinatie met het geloof dat heropvoeding hen zou maken tot mensen met een fatsoenlijke status, is de reden van oprichting van de verschillende Gestichten te Veenhuizen. Tobias Braxhoofden was weliswaar bewaker, maar het verschil met de echte landlopers was in de loop van de jaren niet zo groot, de stigmatisering gelijk.

De keus van deze Tobias, vijf generaties terug, heeft tot op de dag van vandaag in zekere zin een hele familiegeschiedenis bepaald. De ouders van Suzanna Jansen zijn de eerste die zich uit de spiraal van armoede en stigmatisering weten te onttrekken. De herinnering echter aan het lijden van hun ouders is echter nog levendig en door het Pauperparadijs te schrijven, zorgt Susanna Jansen ervoor dat de herinnering levendig blijft.

Het boek beschrijft aan de ene kant de familiegeschiedenis van Braxhoofden tot Jansen door de eeuwen heen. Aan de hand van de gangen van de voorouders van de schrijfster krijgt de lezer een prachtig doorkijkje in de sociaaleconomische geschiedenis van Nederland. Nog fraaier is dat de zoektocht naar haar voorouders die na Tobias Braxhoofden altijd in de ban zijn gebleven van het heropvoedingsgesticht Veenhuizen, een plaatje geven van het gewone leven in Nederland met name bij de economische onderlaag en de krampachtige, soms goedbedoelde paternalistische maatregelen van de beleidsmakers van toen.

In dit kader wil ik het boek ‘Zorg en de Staat’ van de socioloog Abraham de Swaan aanhalen die op allerlei gebieden beschavingsoffensieven beschrijft die van bovenaf gestart worden. Hulp aan armen gebeurt maar deels omdat er sprake is van een grote menslievendheid. Hulp aan armen komt pas goed op gang, wanneer het wenselijk is dat armen verheven worden tot ‘fatsoenlijke mensen’ in het belang van de heersende klasse. Of het nu gaat om hygiëne, medische zorg of onderwijs. In het relaas van Jansen zie ik dit in de loop van de familiegeschiedenis duidelijk terug.

Als geïnteresseerde in familiegeschiedenissen, met name de lotsverbondenheid tussen de verschillende generaties, is dit een heel fijn boek. Ook mijn historische belangstelling, zowel sociaaleconomisch als ook op het gebied van mentaliteitsgeschiedenis, wordt in ruime mate met dit boek bevredigd. Verder prikkelde het boek mij om te zoeken naar verschillen en overeenkomsten tussen het heden en verleden op het gebied van zorg aan de onderklasse en outcast in de maatschappij. Op die vraag blijf ik nog broeden voorlopig.
De duidelijke schrijfstijl en goede verbindingen tussen de verschillende hoofdstukken maken het verder een zeer lezenswaardig boek. Een echte aanrader dus.

Rest mij te eindigen waar het boek mee begint:

‘Wij zijn niet dom, alleen maar arm. (…)
Dat is altijd door elkaar gehaald.
het pauperparadijs van Suzanna Jansen

AFRIKA/Jan Brokken

Eerder kwam ik met een boek van Jan Brokken in aanraking, te weten Mijn kleine Waanzin. Met veel plezier gelezen. De Indische achtergrond van de familieleden van Brokken is mogelijk de oorzaak van zijn belangstelling voor de tropen en/of Afrika. Wat de psychologische achtergrond van Jan Brokken ook is, hij heeft een lezenswaardig boek geschreven. Hieronder volgt mijn beoordeling, je mag het een boekbespreking noemen.

Voor allen die in het Afrikaanse continent geïnteresseerd zijn, en dan met name West Afrika, is het boek van de auteur Jan Brokken een echte aanrader. En zeker voor hen die Afrika nooit aan den lijve hebben meegemaakt of zullen meemaken, kan zich mee laten sleuren in de ziel van Afrika. Een ziel die wordt beschreven vanuit alle ingrediënten die de Afrikaanse ziel compleet maakt, geschiedenis, geloof (christendom, animisme, islam en de combinatie van de drie), het koloniale verleden en zijn neokoloniale opvolger.
Al deze ingrediënten worden gemengd tot een aantal ‘Afrikaanse gerechten’ want wat Jan Brokken heel duidelijk weet over te brengen is het feit dat van één Afrikaanse ziel geen sprake is. Landen verschillen onderling sterk en zelfs binnen een land zijn er grote verscheidenheid. Dit kunnen de geografische mogelijkheden zijn, de wijze waarop het gekoloniseerd is en de interne (politieke) machtsstrijd tussen de verschillende stammen, al dan niet voortvloeiend uit het aloude machtsevenwicht van voordat de Europeanen kwamen.

Vanuit ‘Verwegistan’, in dit geval Europa, zetelend op een comfortabele stoel moet ik constateren dat de neiging bij mij bestaat om alles maar op één hoop te gooien, het ‘uniforme’ donker Afrika. Rationeel weet ik natuurlijk beter, gezien de (burger)oorlogen in veel Afrikaanse landen, maar tot mijn schaamte moet ik constateren dat ook ik heimelijk uitga van het standaardbeeld, arm, zwart en afhankelijk van het Westen. Onder de huidige politieke omstandigheden is dat in materiële zin misschien het geval, immaterieel is dat veel minder dan ‘wij’ denken. In al zijn boeken laat de auteur zien dat er door de intelligentsia en politiek leiders, weliswaar vaak in Europa gestudeerd, een eigen weg wordt gezocht. De eigen weg blijkt dan veel vaker te stoelen op oude gebruiken en conventies die voor Europeanen, hoe lang ze ook al domineren in Westelijk Afrika, onbegrijpelijk zijn. Het is bovendien de vraag of die Europeanen al een poging wagen om de ratio van Afrikanen te doorgronden.
Conventies, of ze nu van Afrikaanse snit zijn, een koloniale achtergrond hebben, gebaseerd zijn op hedendaagse maatschappelijke verhoudingen of een mengeling van alle drie, altijd spelen persoonlijke motieven een rol in het handelen van een individu. Het maakt dan niet uit of die individu uit Burkino Faso komt of als koloniaal, zakenman of hulpverlener uit Europa. Over deze persoonlijke verhalen in de verschillende Afrikaanse landen heeft Jan Brokken aandacht, zowel in het heden, als ook historische figuren worden van hun menselijke kant belicht. Een overkomst hebben ze echter allen, gewild of ongewild hebben ze allemaal met Afrika te maken. Hun individuele geschiedenissen worden bezien vanuit de Afrikaanse context.

Het is al even aangegeven, eigenlijk is het niet één boek, maar meerdere boeken en/of verhalen die op meerdere tijdstippen zijn uitgegeven en veelal gebaseerd zijn op verschillende reizen.
Het eerste boek ‘Zaza en de president’, in mijn optiek het meest verhalende, speelt zich af in Burkino Faso. De ik-figuur krijgt een alarmerend bericht van zijn partner die als hulpverleenster werkzaam is in een van de armste landen van de wereld. Zonder duidelijke aanwijzingen gaat hij haar zoeken, terwijl hij nota bene de verkeerde aanwijzingen krijgt van de vertegenwoordigers van de hulpverleningsinstantie ter plekke. Naast de persoonlijke belevenissen, de warmte en droogte, gebrek aan alles, moeilijkheden tijdens het reizen en vooral de verhalen en het handelen van de inwoners van het land, is ook de individuele band met zijn partner (en Afrika) voortdurend het onderwerp van schrijven. Al deze ontmoetingen in bars, nachtclubs, hotels of in de verlatenheid van de woestijn geven een prachtig beeld van de situatie van dat moment in het Afrikaanse land (medio jaren tachtig van de 20e eeuw.) De wijze waarop hij bejegend wordt door de verschillende mensen geeft bovendien de sfeer van revolutie aan. Een revolutie die vooral gekenmerkt wordt door anti-Westerse sentimenten, maar op andere gebieden wordt tegelijkertijd de afhankelijkheid en de interne tegenstellingen aangetoond. Hoewel er met geschiedkundige feiten wordt gewerkt en het veel weg heeft van een spannend reisverhaal, leest het als een roman. Volgens mij is het ook als zodanig bedoeld.

Het tweede boek is in dagboekvorm geschreven en geeft de kijker meer achtergrondinformatie over het eerste boek en de belangrijkste figuren zoals die daarin beschreven zijn. Hun handelen wordt bezien vanuit in meer beschouwelijk perspectief en nadrukkelijker gerelateerd aan de dan bestaande politieke situatie. Ook wordt andermaal een bezoek gebracht aan Burkino Faso en gesproken met bekenden van de ik-figuur en zijn partner Zaza. Hoewel Jan Brokken aangeeft dat hij zijn eerste boek al bij de drukker heeft liggen op het moment dat hij opnieuw naar Burkino Faso gaat, lijkt het ook een soort verantwoording te zijn naar de lezer. In dit deel is de rode draad van het boek het leven en de lotsgeschiedenis van de president Thomas Sankara en diens politieke vriend en latere moordenaar Blaise. De titel van het tweede boek is niet voor niets ‘De moordenaar van Ouagadougou.’

‘Een basiliek in het regenwoud’, het derde boek, legt Ivoorkust in de schijnwerpers. Het is een veel optimistischer boek, maar evenzogoed onmiskenbaar Afrikaans. De toenmalige president Félix Houphouët-Boigny, regeert het land als een soort ‘ouderwets’ stamhoofd met gedegen kennis van de Europese waarden en normen. Met deze combinatie weet hij verhoudingsgewijs veel stabiliteit in het land te brengen. Dit is ook mogelijk door de rijkdom aan grondstoffen die voor een substantieel deel ook bij de bevolking van Ivoorkust terecht komt. De rijkdom vanuit dit land trekt ook velen uit omringende landen aan om een graantje mee te pikken. Het mag vanzelfsprekend zijn dat dit niet zonder gevolgen blijft. Desondanks genoot de president van Ivoorkust veel gezag en kon hij hierdoor zich ook zaken permitteren die in Westerse ogen misschien compleet belachelijk zijn. Het meest extravagante voorbeeld is de bouw van een basiliek midden in het oerwoud in het geboortedorp Yamoussoukro. De basiliek moet een kopie worden van de Sint Pieter in Rome. Het moet een stad worden die de toch al moderne hoofdstad Abidjan moet doen verbleken.

Ondanks het ogenschijnlijke belachelijke van deze onderneming slaagt Brokken zijn Westerse lezer ervan te overtuigen niet, of hooguit mild te laten oordelen over de president. Feiten, historie en vooral de culturele achtergrond worden daarbij nadrukkelijk gebruikt om deze Afrikaanse rationaliteit te begrijpen.
Het restende deel van het ruim vijfhonderd bladzijdes tellende boekwerk geeft een mooie combinatie van historische feiten omtrent ontdekkingsreizigers, zendelingen en hulpverleners en hun persoonlijke motieven. Brokken verlevendigt deze geschiedenissen door te reizen naar de verschillende landen en de historische plekken te bezoeken en ze in contemporain perspectief te plaatsen. Hij laat daarbij vooral ook de plaatselijke bevolking, al dan niet de gidsen van de ikfiguur, aan het woord en tekent hun bevindingen op.

Al met al een zeer lezenswaardig boek en al speelt het zich af in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw het doet niets af van de actualiteit. Want het is niet alleen de Afrikaganger die gewild of ongewild Afrika in zijn poriën krijgt, steeds meer gewone Westerlingen krijgen te maken met Afrika. Door de globalisering, de milieuproblemen, de rijkdom aan grondstoffen en vooral het ontbreken van een eerlijke mondiale verdeling van die rijkdommen, is de kans dat Afrika niet lang meer een ver van mijn bedshow blijft erg groot. Kennis van de Afrikaanse geschiedenis is dan ook onontbeerlijk en de manier waarop Brokken die weergeeft, spreekt mij erg aan.

Jan Brokken
Afrika
uitgever Atlas Amsterdam/ Antwerpen
1988 tot 2001
509 pagina’s

NAZI EN DE KAPPER/Edgar Hilsenrath

Morbide, pervers en gewelddadig zijn de eerste termen die bij me opkomen bij het lezen van het boek van Edgar Hilsenrath, De nazi en de kapper. En dat is ook niet zo gek want het speelt zich af in het Duitsland van tussen de beide wereldoorlogen, opkomst van het nazisme en de jodenvervolging. Maar ook de oprichting van de staat Israël speelt een belangrijke rol. Genoeg ingrediënten om bovenstaande termen te bezigen.

In een nauwkeuriger beschouwing kan met ook zeggen dat het boek gaat over goed en kwaad, maar dat is een open deur die ik niet graag gebruik. Gaan immers niet alle boeken over goed en kwaad? Beter kan ik zeggen dat het boek voor een deel gaat over de relativiteit van goed en kwaad, afhankelijk van het perspectief van de lezer, maar vooral ook de omstandigheden waarin de hoofdpersoon verkeert.

De hoofdpersoon is een jongetje dat in een klein onbeduidend plaatsje ergens in Duitsland geboren wordt aan het begin van de 20e eeuw. Hij wordt geboren uit een moeder die het niet zo nauw neemt met de heersende normen. Zij kan dus niet met zekerheid zeggen wie de vader is. Dit maakt ook niet uit, een stiefvader is snel gevonden, al pakt dit voor de ik-figuur Max Schulz in pedagogisch opzicht niet zo goed uit. Seksuele mishandeling is zijn deel, maar dat neemt niet weg dat Max Schulz toch op zeer jeugdige leeftijd zijn eigen weg kiest en dat is vaak de weg die tegen de wil van zijn moeder en stiefvader in is. Zo heeft hij omgang met de zoon van concurrent van zijn stiefvader die kapper is. Daar waar zijn stiefvader een vies onbeduidend zaakje heeft, droomt Chaim Finkelstein van een salon en deze weet hij ook te verwezenlijken. Met zoon Itzig van kapper Finkelstein wordt een nauwe vriendschap gesloten. Samen gaan ze naar het plaatselijke Gymnasium, ontwikkelen ze zich op intellectueel vlak en beslissen ze na de afronding van hun studie dat het gezien de economische puinhoop in de jaren na de Eerste wereldoorlog een universitaire studie geen zin heeft. Samen leren ze het vak bij de vader van Itzig en misschien wel het meest verwonderlijke is dat ondanks zijn christelijke achtergrond, hij actief meedoet in de beleving van de Joodse gebruiken.
Saillant detail is het feit dat Max Schulz bijna een klassiek Joods uiterlijk heeft, terwijl Itzig een Ariër zou kunnen zijn. Nadrukkelijk vertelt de ik-figuur dat zijn afkomst puur Arisch is. Met de opkomst van Hitler scheiden zich de wegen van de vrienden zich wel heel nadrukkelijk.

Het verhaal is in de ik-vorm geschreven vanuit het perspectief van Max Schulz (of Itzig Finkelstein). Hij beschrijft zijn leven, de omgang met Itzig en zijn rol in het nazi-Duitsland. Hij is nadrukkelijk betrokken bij moordpartijen in concentratiekampen in Polen waar hij gedurende de oorlog is gestationeerd als SS-officier. Met deze persoonlijke geschiedenis en de Russen in 1944/45 op de hielen, weet Max Schulz te overleven in het oorlogsgebied en het in puin geschoten Berlijn waar hij uiteindelijk terecht komt. De wijze waarop het verhaal geschreven is, maakt mij in eerste instantie wrevelig. Het geeft een beetje de indruk van opa vertelt en de (klein)kinderen luisteren aan de grote keukentafel. De verteller weet zich daarbij verzekerd van een tolerant gehoor, die zijn vele herhalingen om het verhaal duidelijk te maken accepteren. Voor mij als lezer zijn die herhaling vooral irritant geweest. Gaandeweg het verhaal wordt het wel duidelijk waarom er zoveel sprake is van herhalingen. De identiteit van de hoofdpersoon wijzigt drastisch en het vertelperspectief komt meer en meer te liggen bij het wel en wee van de hoofdpersoon bij de oprichting van de staat Israël. De schrijver Hilsenrath heeft mij, na aanvankelijk een moeilijke start, overtuigend meegenomen in zijn relaas en levensverhaal. Een verhaal dat, zoals reeds gememoreerd is, gaat over goed en kwaad, maar vooral ook over de flexibiliteit van de menselijke geest. Misschien mag zelfs gesteld worden dat hij een inkijkje geeft in een zieke menselijke geest? Of zou het gaan over de zieke menselijke geest in algemeen sociologische zin? Voor mij laat de schrijver dit in het midden en daar kan ik zelf over gaan nadenken.

Gewoontegetrouw lees ik geen boekbesprekingen of achtergronden van schrijvers. De reden is dat gebrek aan tijd om te lezen, niet verstoord mag worden aan achtergrondfratsen zodat de lust om te lezen verdwijnt. Soms weet ik bij toeval iets van de schrijver, maar dat was bij Edgar Hilsenrath niet het geval. Ik heb toch maar even vluchtig gegoogled en tot mijn verbazing is het boek in 1971 al uitgebracht. Edgar Hilsenrath woonde toen in Amerika, maar besloot dit boek in het Duits te schrijven. De eerste vertaling is dus vanuit het Duits naar het Engels. Dit jaar is dit boek dan in het Nederlands verschenen.
In begin jaren zeventig stond de verwerkingsproblematiek van de Tweede Wereldoorlog in het toenmalige West-Duitsland nog in de kinderschoenen. Ondanks de goede verkoopcijfers in Amerika, durfde geen enkele uitgever het aan om de Duitse versie uit te brengen. Dit zou nog tot eind jaren zeventig duren en hiervoor was een goede marketing noodzakelijk, waarbij de kwaliteitspers nadrukkelijk gebruikt werd om het proces te begeleiden. De problematiek van verwerking was nog maar net op gang gekomen, dus een ‘foute Jood’ was in het toenmalige West-Duitsland nog niet algemeen bespreekbaar.

Ruim dertig jaar naar dato is alles wat met de Holocaust te maken heeft, de oprichting van de staat Israël en de problematiek rondom de vorming van een Palestijnse Staat nog steeds in het nieuws. Het boek van Edgar Hilsenrath kan in dit perspectief daarom nog steeds als zeer actueel beschouwd worden. Actueel in het licht van de hedendaagse ontwikkelingen, maar zeker ook actueel vanuit een psychosociaal perspectief waarin een mens vanuit bepaalde omstandigheden handelt (of moet handelen)

 Edgar Hilsenrath
Nazi en de kapper
1971 engels/
1990 duitse versie t.b.v. nl versie/
2008 vertaald in Nederlands
uitgever Anthos Amsterdam

Laatste deel HARRY POTTER/J.K. Rowling

Vandaag was het zover, maanden, zelfs jaren wist ik dat het moment zou komen. Op 23 december 2007, even voordat we de geboorte van Jezus vieren, die de onbevlekte ontvangen Maria door de Allesbestierende zonder tussenkomst van ene Jozef, zo’n 2000 jaar geleden heeft mogen baren, (of in ieder geval in een kribje heeft aangetroffen), op dat moment heb ik het laatste deel van Harry Potter uit.
Waarom zo’n lange aanloop om zoiets triviaals te melden? Tja, ik vraag het mezelf ook een beetje af, of het moet zijn dat ik er van overtuigd ben dat de eeuwigheidswaarde van het Bijbelverhaal niet groter is dan de ongrijpbare spanning en waanzin die Joanna Rowling in de zevendelige serie heeft weten te leggen. Na deze constatering bedenk ik me ineens dat ook Jezus een moedig man moet zijn geweest en door de sorteerhoed vast bij Grifioendor ingedeeld zou zijn, maar bovenal, ook Jezus stierf voor de mensheid, maar dan ook niet echt want zijn herrijzenis wordt ook nog altijd heftig gevierd. Ook Harry Potter, ging dood, maar heeft nog een keuzemenu voorgeschoteld gekregen en koos voor het leven.

Een open einde voor meer delen? Ik weet het niet, voor mij rest nu een enorme leegte, oftewel hoe ga ik verder in het Ielnap-tijdperk. Ielnap-tijdperk? Ja, Is Er Leven Na Potter? Ik denk het wel, maar het zal toch herschikken zijn, want zo’n 7 jaar lang heeft deze persoon min of meer als het vijfde gezinslid met ons meegeleefd, in hoogte en dieptepunten. Harry was er altijd. In 2000 hoorde ik via via (een echte Potterterm trouwens die ik nooit meer op een normale manier kan uitspreken) van een zwangere schoonzus dat ze helemaal verslingerd was geraakt op de boeken van ene JK Rowling. Of Harry Potter me wat zei vroeg ze. Ik ontkende en helemaal lyrisch beschreef ze me de toverwereld op Zweinstein. Ik luisterde plichtmatig en dacht: ‘Jij bent me een partijtje aan het verkindsen nu je zwanger bent.”

Kortom er was geen enkele aanleiding om me in looppas naar de boekenwinkel te begeven. Echter mijn zoon van 6 was wel geïnteresseerd en herinnerde me fijntjes dat hij nog geld van opa en oma in de spaarpot had en wilde wel zo’n boek. Bedankt schoonzus! Het was zondag, maar het station van Nijmegen bood de mogelijkheid, dus in augustus 2000 hadden we een Potter in huis. Nu kon mijn zoon al een Pinkeltje verorberen, maar na enkele bladzijden moest hij opgeven om het zelf te lezen en kwam naar mij toe en verzocht vriendelijk doch dwingend om het voor te lezen. Sindsdien geen Pinkeltje meer voorgelezen aan hem, want ik was na de eerste bladzijden volledig in beslag genomen door de belevenissen van Harry en de zijnen. Ik geloof dat ik het boek vol passie heb voorgelezen, want nu 7 jaar later is dezelfde passie nog steeds bij hem en mij  aanwezig. Lezen en herlezen, voorlezen, de films bekijken, de video’s kopen en natuurlijk om twaalf uur bij de verkoop bij het juiste distributiepunt zijn. Sommige boeken hebben we dubbel, konden we tegelijkertijd beginnen. Mijn zoon heeft zelfs twee keer een poging gedaan om het boek in het engels te lezen. Op zijn elfde moest hij na 100 pagina’s capituleren, maar afgelopen zomer was hij al in zijn ielnap-tijdperk, want de engelse versie heeft hij met glans weten te verslaan.

Is er leven na Potter? We hebben nog twee films tegoed, maar het boek is uit. Voor Joanna Rowling is er in ieder geval leven na Potter. Wat ben ik jaloers op haar creativiteit en ook een beetje op haar bankrekening. Let op mijn woorden, Harry Potter is over twintig eeuwen nog steeds een fenomeen al zullen we het nooit daadwerkelijk te weten komen.

WINTER IN MADRID/ C.J. Sansom

Een boekbespreking zegt vooral iets over de recensent en op de tweede plaats pas over het boek zelf. Dus als je het boek van C.J. Sansom, Winter in Madrid, denkt te moeten bespreken, dan heeft de lezer recht op een klein beetje achtergrondinformatie. Vooral tijd en plaats waarop het boek gelezen is, is van essentieel belang.

In Spanje, gedurende een korte vakantie, beleef je een historisch politieke thriller die zich afspeelt in één van Spanje’s meest roerige episodes, veel intensiever. In het land waar de taal gesproken wordt die in het boek gebruikt wordt en waar je mensen tegen kunt komen die de burgeroorlog, voorgeschiedenis en de gevolgen hebben meegemaakt. Eenmaal ingezogen in het boek, probeer je na te gaan of een krasse tachtigjarige nu aanhanger is geweest van Franco of tegen hem heeft gevochten als republikein of communist. Of wat te denken van die vriendelijke vrouw die je hielp bij de plaatselijke sigarettenboer. Ze heeft ondanks haar charme een getekende uitdrukking op haar gezicht. Zou het komen door de ellende die Franco in Spanje heeft veroorzaakt? Of kijkt ze met weemoed terug naar die tijd? Een tijd die verdwenen is, nu de Spaanse democratie stevig is verankerd in Europa.

Over Europa gesproken, uit de thriller van Sansom blijkt maar eens te meer hoe Europa al met elkaar verweven was in de jaren dertig van de vorige eeuw. En dan misschien nog niet zo zeer de verschillende natiestaten, maar wel de grote (volks)stromingen zoals het fascisme en het communisme.

Winter in Madrid speelt zich voornamelijk of in de winter van 1940/41. De hoofdpersoon Harry, gewond geraakt bij het militaire débacle van de Engelsen tegen Hitler aan het begin van de Tweede wereldoorlog, voelt de drive om toch iets te doen voor zijn vaderland. Hij besluit daarom ook vrij snel positief te reageren als hem gevraagd wordt zijn oude schoolgenoot van een private Engelse kostschool te bespioneren in het Madrid van na de burgeroorlog. Als dan blijkt dat deze bijna psychotische zonderling ook nog een relatie heeft met de vriendin van een andere schoolvriend Bernie, zijn de persoonlijke drama’s en intriges compleet al is deze Bernie als strijder en kameraad in het Internationale leger tegen Franco vermist en naar het zich laat aanzien omgekomen.

Om het verhaal duidelijk te maken zijn flashbacks noodzakelijk. Deze terugblikken geven een mooi sociaal beeld van Engeland dat nog verwoede pogingen doet om een wereldmacht te zijn. Maar vooral geven ze een beeld van de Spaanse contemporaine geschiedenis. Een feodale maatschappij zoals Spanje was, wordt hardhandig geconfronteerd met de internationale stromingen zoals het communisme en het fascisme. De Spaanse burgeroorlog als een bloedige voorloper van de Tweede Wereldoorlog die nog moest gaan komen.

Persoonlijke intriges, tegen de achtergrond van het Madrid dat steeds armoediger wordt en zich de repressie van de dictatuur van Franco moet laten welgevallen en vooral ook tegen de achtergrond van het diplomatieke en politieke krachtenveld in Europa aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, is de leefwereld van de onervaren Engelse spion Harry. Een ongemeen spannend boek voor de klassieke thrillerliefhebber, maar ook voor de lezer die inzicht wil verkrijgen van een stukje Europese moderne geschiedenis. Maar bovenal is het een boek over ethiek en het passeren van de grenzen van menselijke waarden en normen. Een boek voor iedere Europeaan, maar vooral ook voor de Spanjaarden. Want in Spanje begint de tijd een beetje rijp te worden om met reflectie terug te kijken naar hun eigen geschiedenis.

 Winter in Madrid
C.J. Sansom
In het Nederlands vertaald door Ineke van Bronswijk (2007)
Oorspronkelijke uitgave in 2006

MIJN KLEINE WAANZIN/Jan Brokken

Er zijn boeken en schrijvers die je gelezen moet hebben, gewoon omdat het van je verwacht wordt. Boeken die ‘hot’ zijn en de waan van de dag vertolken, boeken die met een goede marketing strategie gelanceerd zijn en natuurlijk boeken die vijftig jaar geleden al tot de klassiekers behoorden en dat naar allerwaarschijnlijkheid over vijftig jaar nog steeds zullen zijn. De tijd zal het leren. En bij elk boek dat uitgelezen wordt kun je je de vraag stellen, waarom vind ik dit boek nu leuk, aangrijpend, amusant en/ of leerzaam. Dit is een poging om het boek van Jan Brokken onbezoldigd aan de man te brengen, gewoon omdat het een goed boek is.

Ergens halverwege de autobiografische roman van Jan Brokken’s Mijn kleine Waanzin schrijft hij:
‘…… , maar ik moest mijn ouders en mijn broers nageven dat het Oosten echte verhalen opleverde, huiveringwekkende, onheilspellende. Of misschien vond ik ze vooral zo meeslepend omdat ze me deelgenoot maakten van het Indische leven dat ik door de vaart van de geschiedenis net niet had mee kunnen maken. Thuis bleef ik een buitenstaander, de jongen van na de oorlog, van buiten de tropen,……’

Met deze passage is de kern van de roman beschreven. De kern is de privé-situatie van de ik-figuur, afgezet tegen de maatschappelijke context die met de geboorte van de ik-figuur, in 1949 start. Een nakomertje in een domineesgezin dat noodgedwongen moest terugkeren naar Nederland na de ontberingen in de Jappenkampen en de daaropvolgende vrijheidsstrijd van de Indonesiërs. Alle vier de gezinsleden hebben hun eigen trauma’s en gedragingen naar elkaar die te herleiden zijn als reacties op het leed dat ze hebben gezien, gevoeld en ervaren. Ondanks de verschillen, hebben ze ook alle vier in de optiek van de ik-figuur in ieder geval een overeenkomst, namelijk dat het nakomertje anders is dan zij. Anders zijn is in dit geval niet gepokt en gemazeld door de ontberingen, kortom niet ingewijd in het Indische leven met zijn goede, maar vooral ook negatieve aspecten. De onderlinge wedijver in het gezin tussen de oudere broers en hun verhouding naar hun ouders, wordt goed beschreven, maar vooral ook de reactie van het jongste gezinslid om zich hierin staande te houden en een weg te vinden. De vader speelt in het socialisatieproces een belangrijke rol met name omdat hij de meest heftige reacties vertoont en regelmatig van de wereld is door overmatig alcohol- en pillengebruik.

Maar niet alleen de interne gezinsgeschiedenis is belangrijk in het werk van Jan Brokken. Het boek wordt compleet als daarbij ook de sociale context wordt betrokken. In eerste instantie vooral de christelijke omgeving in Rhoon waar vader een vaste standplaats krijgt als dominee. Een prachtig inkijkje wordt de lezer gegund in de naoorlogse strijd tussen de verschillende kerkgenootschappen ten zuiden van Rotterdam, maar ook de knellende band die het lidmaatschap van de kerk met zich meebrengt. Naast het dorpse leven in Rhoon, komt bij de verdere ontwikkeling van de hoofdpersoon, in toenemende mate ook andere historische perspectieven aan de orde die passen bij de ontwikkeling van de hoofdpersoon. De middelbare school, de puberteit, vriendschappen en verliefdheden worden functioneel, maar boeiend beschreven, passend in het tijdsbestek van de jaren zestig. Historische gebeurtenissen en de opkomst van de jeugdcultuur, ook in Rhoon en omgeving, komen in het boek ruimschoots aan de orde. Juist het inhaken van macrogebeurtenissen in het individuele verhaal geven kleur aan het werk van Brokken. De kijker krijgt daarbij een stukje mentaliteitsontwikkeling van een halve eeuw Nederland mee aan de hand van een stukje familiegeschiedenis. Even komt de vergelijking met het boek, ‘De eeuw van mijn vader’ van Geert Mak bij me op wiens werk de vorm heeft van een documentaire waarbij hij zijn familiegeschiedenis afzet tegen lokale, landelijke en mondiale ontwikkelingen. In het boek van Brokken is naast de tijdsspanne, die slechts een halve eeuw beslaat, vooral de ontwikkeling van de hoofdpersoon heel belangrijk en daarmee is het beslist een volwaardige roman. Een zeer goede roman zelfs.

Als rode draad in het verhaal is de huidziekte van de hoofdpersoon, die zich openbaart als hij zich bewust wordt van zijn bijzondere positie in het gezin. De ziekte wordt uiteindelijk overwonnen als de ik-figuur daadwerkelijk het land van zijn ouders en broers bezoekt en daarmee de mogelijkheid grijpt om voor zichzelf de balans op te maken van zijn socialisatieproces in het domineesgezin met vooral een getraumatiseerde vader.

Een aanrader dus voor een ieder die houdt van een vlot geschreven roman waarbij de micro en macrogebeurtenissen op een prettige en logische manier in elkaar overlopen en elkaar beïnvloeden, en daarmee een verklaring geven van iemands persoonlijke wordingsgeschiedenis.

Mijn kleine Waanzin
Jan Brokken 2004
ISBN 90-450-0679-0