Brug der Zuchten/ Richard Russo

Hebzucht en ongeduld dreven me weer naar de boekhandel met een boekenbon van de collega’s ter gelegenheid van mijn 44e verjaardag. Zonder specifieke wensen ben ik normaliter binnen vijf minuten klaar. Het budget is bekend en mijn geheugen intact, dus ik weet wat ik gelezen heb of wat nog in mijn boekenkast staat. De voor mij onbekende schrijver Richard Russo met Brug der Zuchten sprak mij het meest aan. Niet op de minste plaats door de zin op de voorkant dat hij winnaar is van de prestigieuze Pulitzer Price for Fiction 2002. Over het algemeen ben ik niet zo heel erg autoriteitsgevoelig, maar volgens mij zat het wel goed met meer dan 20 uur leesplezier op grond van die Pulitzer Price.

Het is inmiddels ruim een maand verder en het boek is uit. De inschatting van ongeveer twintig uur leesplezier kan ik niet nagaan, want het is uitgesmeerd over veel dagen en leesmomenten. Het plezier dat ik verwachtte, is er zeker geweest. Het meest verbazingwekkende van deze roman vond ik het gemak waarmee ik het boek, zelfs na vijf of zes pagina’s terzijde legde en de volgende dag weer kon oppakken. Dat heb ik zelden bij boeken. Je zit er in en je wilt verder stomen en dan maakt een enkele onderbreking niet uit, maar de tijdsspanne tussen begin en eind moet niet te groot worden. Ik raak dan de draad of de interesse kwijt. Bij Russo’s ‘Brug der Zuchten’ is dat geenszins het geval. Bij het voltooien van deze boekervaring zal ik eens proberen na te denken over hoe dit kan en of dit positief dan wel negatief te labelen is.

Het tweede opvallende vond ik de kleur van de harde kaft. (zie foto) Uiteraard was het boek voorzien van een mooie en sfeervolle omslag, maar die doe je bij het lezen meteen weg om beschadiging te voorkomen. Het gevaar is dan wel dat je de omslag alsnog kwijt raakt of beduimeld tussen de kranten verdwijnt. Of je moet, zoals mijn vader, de boeken allemaal plastificeren. Ik doe dat niet, volgens mij is dat een generatiedingetje.

De kleur van de kaft is hard en hel geel, heel opvallend dus. Ik zou toch voor een andere kleur kiezen gezien het feit dat het gewone huis, tuin en keukenvuil zich zichtbaar hecht op de kaft.

 

Als ik Brug der Zuchten zou moeten typeren in één zin, dan is het voor mij dat de schrijver er goed in is geslaagd om van het gewone, iets bijzonders te maken en de bijzondere zaken in het leven in te kaderen in het alledaagse. Misschien is dit te cryptisch, dus laat ik het anders verwoorden, er gebeurt helemaal niet zo veel door het hele boek heen en toch weer heel veel.

Objectief gezien maakt de tweede beschrijving het er niet veel minder cryptisch, dus dan maar een korte samenvatting.

De hoofdpersoon is Louis Charles Lynch en zijn familie. Ze zijn woonachtig in Thomaston, een nietszeggend industriestadje in de staat New York. Vriendschappen, liefdes, zijn verhouding met zijn ouders en de liefde voor de nietszeggendheid van het vertrouwde Thomaston staan centraal. Uiteraard niet in chronologische volgorde verteld om het literaire gehalte de waarborgen. Ook het vertelperspectief wisselt af en toe, want Russo schrijft ook vanuit het perspectief van zijn jeugdliefde en vrouw, Sarah alsmede zijn jeugdvriend Bobby. Want Lucy, de bijnaam van Louis Charles, kijkt graag terug op het verleden en dan met name naar de mooie dingen. De inborst van Lucy is optimistisch, dus hij ziet vooral veel goede herinnering. Anderen zien dit nog wel eens anders. De buurtwinkel van zijn ouders is de basis van waaruit alle menselijke emoties, vriendschappen en maar ook droevige gebeurtenissen bezien worden. De winkel die met veel liefde door vader Lynch is gekocht en vooral door de verbetenheid van moeder Lynch heeft kunnen gloreren.

De buurtwinkel kan ook in het perspectief geplaatst worden van de economische schaalvergroting die in de westerse maatschappij plaatsvindt, dus ook in Thomaston. De sociale rangorde in de kleine gemeenschap wordt haarfijn beschreven, waarbij de zwarte bevolking toch duidelijk op de laatste plaats komt.

De winkel van vader Lynch blijkt ook voor Sarah en Bobby, die te maken hebben met respectievelijk een pijnlijke scheiding van haar ouders en huiselijk geweld door de vader en oud-buurman van de Lynches, een veilige haven te zijn.

Wat maakt het ogenschijnlijk gewone boek voor mij zo fascinerend? Ik denk dat het komt dat een ieder zich wel eens afvraagt hoe het met een oude jeugdvriend gaat. Wie zou niet eens het fijne willen weten wat er achter de voordeur van de buren gebeurt. En wat te denken van het begrip toeval. Hoe zou je leven gelopen zijn als je toevallig niet een tekening had ingestuurd voor een wedstrijd en je komt daar een getalenteerd meisje tegen die je uitleg geeft hoe je tekening nog veel beter had kunnen worden?

En daarmee kom ik mogelijk op de beantwoording van de vraag, waarom is dit boek met plezier te lezen, terwijl er soms enkele dagen tussen zaten om de volgende tien bladzijden voor het slapen gaan te lezen. De herkenbaarheid is volgens mij het antwoord. Die herkenbaarheid zorgt ervoor dat een kleine impuls vanuit die tien nieuwe pagina’s voldoende zijn om te verwerken, maar ook om drie dagen later weer verder te kunnen. Tenminste, zo werkt het voor mij. Voor liefhebbers van slechts grote meeslepende verhalen vol passie, een aaneenschakeling van hoogte- en dieptepunten in het leven van een melodramatische hoofdpersoon die liever verkeert in Sodom en Gomorra dan in Thomaston, die zullen het kleinburgerlijke leven van Louis Charles Lynch benauwend vinden, zelfs in boekvorm. Maar ik vind het een aanrader.

 

Brug der zuchten

Richard Russo

Signatuur 2008

(Waarom weet ik niet, maar bij het verhuizen van blogs vanuit vkblog naar hier, in de mood van Amerika, aanleiding onbekend. U ook, lees en luister dan ook naar:

Amerika Doen, gadverdamme

Bruce Springsteen – NY Serenade 

Het spel van de Engel/ Carlos Ruiz Zafón (In de schaduw van de schaduw)

Voor dat ik ook maar op de inhoud van het nieuwste boek van Carlos Ruiz Zafón in ga, moet ik een citaat kwijt uit ‘Het spel van de engel’. In een vorige boekervaring gaf ik al aan dat de lezer altijd zijn eigen stokpaardjes meeneemt bij het lezen van een boek. Selectieve waarneming is nu eenmaal een constructiefoutje in de mensheid, maar mogelijk ook wel een defensiemechanisme, omdat je als gewone sterveling ook wel gek moet worden om alles bewust te moeten waarnemen. Maar dit terzijde.

Mijn citaat uit het boek

Ik was dus onder de indruk van het volgende citaat, al vrij in het begin van ‘Het spel van de engel’ (pagina 19/20):

‘Jaloezie is de religie van de middelmatigen. Het sterkt ze, het beantwoordt aan de onrust die vanbinnen aan ze knaagt en uiteindelijk verteert het hun ziel, terwijl het ze toestaat hun eigen kleinzieligheid en hebzucht te rechtvaardigen totdat ze denken dat het deugden zijn. Zulke mensen zijn ervan overtuigd dat de hemelpoorten zich slechts zullen openen voor ongelukkigen zoals zij, die door het leven gaan zonder een spoor achter te laten dan dat van hun voddige pogingen te kleineren en buiten te sluiten – zo mogelijk te vernietigen – die puur door te bestaan hun eigen armzalige ziel, geest en esprit aantoont. Gezegend is hij tegen wie de idioten tieren, want zijn ziel zal hun nooit toebehoren.’

Mooi vond ik dit. Heel mooi.

Nu vind ik dat je mensen nooit kwalijk kunt nemen ‘middelmatig’ te zijn. Wie bepaalt dat nu, uiteindelijk heeft ieder mens wel ergens talenten al komen die helaas niet altijd in de schijnwerpers. Dus leven en laten leven ook als mensen zich anders presenteren dan jijzelf gesocialiseerd bent.

Maar vooral het stukje ‘kleinzieligheid en hebzucht te rechtvaardigen totdat ze denken dat het deugden zijn’ zie ik zo vaak om me heen.

 

Het spel van de engel

 Carlos Ruiz Zafón

 Signatuur 2009

 

 

De vergelijking

Zo heeft het boek van Zafón veel onverwachte levenswijsheden en citaten die bij oppervlakkige beschouwing zijn weggepropt in wederom een heel spannende verhaallijn. Uiteraard heb ik het boek gelezen omdat de mondiale bestseller ‘In de schaduw van de wind’ mij heel goed bevallen is. En met mij miljoenen anderen, hetgeen mijn eigen middelmatigheid maar weer eens bewijst.

Ook nu ben ik zeer te spreken over het prachtige taalgebruik, de genoemde wijsheden en vooral de spanning. Maar ook de soms humoristische dialogen geven volgens mij de creativiteit en veelzijdigheid van de schrijver weer.

En toch knaagt er iets. Als het boek ‘In de schaduw van de wind’ niet geschreven zou zijn, mogelijk dat dit boek de mondiale doorbraak zou zijn geweest van Zafón. Geniaal dus, maar te veel een variatie op een thema. Het boek speelt zich ook nu weer af in Barcelona van de eerste helft van de twintigste eeuw. In tegenstelling tot het eerste boek, spelen politieke en sociale factoren hoegenaamd geen rol. De basis is de enorme spanning van deze psychologische thriller met literaire capaciteiten. Ik persoonlijk vind het jammer, want met een stukje tijdsgeest, bijvoorbeeld over Franco en de Spaanse Burgeroorlog, kan het verhaal beter ‘aarden.’ De sinistere feiten komen op die manier beter tot hun recht, omdat het zich afspeelt in de echte wereld. Met tijden kreeg ik het gevoel dat de ‘zwarte magie’ van het boek niet echt is en dat gevoel moet je tijdens het lezen niet hebben, dat leidt af.

Wederom speelt de boekhandel van Sempere & Zoons een belangrijke rol in het verhaal. En ook het Kerkhof der Vergeten Boeken maakt een wezenlijk deel uit van de spannende vertelling van Zafón.

Op zichzelf kan ik het de schrijver niet kwalijk nemen, want na het succes van zijn vorige boek, proeft dat ongetwijfeld naar meer. Ik weet echter niet of ik als lezer zo gemakkelijk een derde boek ga lezen.

Samenvatting

De verhaallijn is vrij simpel. Een arme vrij kansloze jongen met talent voor schrijven, komt bij de redactie van een onbeduidende krant. Zijn talent wordt herkend en de opdrachten stromen binnen, zonder dat dit hem echt de literaire roem geeft die hij als jongeling nog nastreeft. Hij schrijft met name ook voor anderen die daarmee gloreren. Als hij van een onbekende uitgever uit Parijs de opdracht krijgt om een boek te schrijven en een voorschot krijgt van 100.000 peseta’s, volgen de duistere ontwikkelingen elkaar in een rap tempo op. Magie, intriges, corrupte ontwikkelingen, maar ook moord en doodslag zijn het gevolg. Op menig moment duizelde het me voor de ogen en moest ik me letterlijk af vragen, wie nu met wie te maken heeft en wie te vertrouwen was en wie niet.

Maar als rode draad door het hele verhaal staat de liefde voor het geschreven woord centraal. De liefde die Zafón ongetwijfeld met de paplepel heeft binnengekregen en die hij graag met zijn miljoenenpubliek wil delen. Het genoemde Kerkhof der Vergeten Boeken staat symbool voor deze boekenliefde.

Op bladzijde 540 beschrijft hij:

‘Dit oord is een mysterie. Een sanctuarium. Elk boek dat je ziet, elke band, heeft een ziel. De ziel van degene die het heeft geschreven en van degene die het heeft gelezen en ervan heeft gedroomd. Telkens als een boek in andere handen overgaat, telkens als iemand zijn blik over de bladzijden laat glijden, groeit zijn geest en wordt sterker. De boeken die niemand zich meer herinnert, die mettertijd verloren zijn gegaan, leven op deze plek voor altijd voort en wachten erop in handen van een nieuwe lezer te geraken, een nieuwe ziel….’

Of dit ook zo is met een miljoenenoplagen die ook ‘Het spel van de engel’ ongetwijfeld zal krijgen, weet ik niet. Het is in ieder geval een absolute aanraden, al blijft er iets knagen.

Het Rozeneiland/ Sanne Terlouw

Een paar dagen zonder kinderen in het zomerse augustus van 2008 in het Teutoburgerwald zou de rust brengen om ook wat boeken te lezen. Bij mijn stapeltje was ook het genoemde boek van Sanne Terlouw. Toegegeven, lidmaatschap van ’s lands bekendste boekenclub en de verplichting om ieder kwartaal een boek te kopen, zorgt ervoor dat een voor mij onbekende schrijfster met een beroemde naam, jawel de dochter van Jan Terlouw, een gewild koopobject was. Geen idee waar het boek over ging, bovendien inspireerde de foto.

Ik begon te lezen op een zeer rustig, typisch Duits terras, waar slechts oudere Duitse toeristen een Kännchen Kaffee dronken. Naarmate het eerste hoofdstuk het einde naderde, werd ik onrustiger. Mevrouw Sprakeloos, bekend met de emoties van haar man, vroeg zich af wat er aan de hand was, maar hield zich stil. Haar vraag kwam pas toen het boek na het eerste hoofdstuk op de eikenhouten tafel van het terras werd gelegd.

‘Hier ga ik niet mee verder, het boek klopt van geen kanten.’

Ik legde mevrouw Sprakeloos uit dat de hoofdpersoon van het boek, Rosa,  rondom de tweede intifada voor drie maanden gaat werken in Israël. Rosa is vijfendertig jaar en laat voor deze periode haar gezin in Nederland achter. In mijn gedachten is dat dus om en nabij het jaar 2000. Even verder op staat dat ze, geïnspireerd door haar verblijf in Jeruzalem alsmede door een geheime, maar onmogelijke liefde, op haar 65e een afspraak wil maken met haar ‘vakantieliefde’ op het Griekse eiland Rhodos. Er zijn dan twee mogelijkheden. Het verblijf van Rosa speelde zich niet af tijdens de intifada of de ontmoeting op Rhodos speelt zich af in de toekomst. Voor dit laatste vond ik geen aanwijzingen, dus mijn conclusie op dat Duitse terras is dat ik een ander boek wil lezen.

Een ander boek was echter niet voorhanden, een pc om te googelen evenmin en mevrouw Sprakeloos, altijd in voor een pragmatische oplossing en rust, adviseerde om een toekomstig scenario toch maar als een serieuze optie te accepteren. Ik lees mopperend verder in de wetenschap dat ik een derde optie voor haar verborgen hield, namelijk dat ik er geen reet van begreep.

 

Sanne Terlouw

 

Het Rozeneiland

 

Nieuw Amsterdam uitgevers

 

2007

DE KERN VAN HET VERHAAL

Verder lezen is toch lonend geweest. Sanne Terlouw heeft een historische roman geschreven over een wereld waarvan ieder weldenkend mens weet heeft, maar die nauwelijks echt bekend is bij de meesten, namelijk de geschiedenis van een Joodse familie. En in dit geval begint de familiegeschiedenis tijdens de Inquisitie in Spanje even voor 1500 en eindigt rond de Tweede Wereldoorlog op het eiland Rhodos. Of eigenlijk eindigt de geschiedenis in het heden, want Jaron, de liefde van Rosa, is een nazaat van deze familie. De liefde voor Jaron inspireerde Rosa om Hebreeuws te leren en met het enige aanknopingspunt, een thorarol uit de verwoeste synagoge op Rhodos, zijn familiegeschiedenis te achterhalen.

Een enerverend verhaal heeft Sanne Terlouw ervan gemaakt.

DE MORAAL VAN HET VERHAAL

Ik weet niet of er een moraal is, er is voor mij wel een wijze les uit te halen, of eigenlijk twee. Allereerst wordt ik met de neus op de feiten gedrukt ten aanzien van de Joodse geschiedenis. Natuurlijk is mij de moderne geschiedenis, laten we zeggen vanaf eind 19e eeuw, waarbij de term zionisme gebruikt wordt alsmede het moderne antisemitisme opkomt, genoegzaam bekend. De huidige tegenstelling tussen Israël en de Palestijnen is een van de actuele hoofdstukken van de Joodse geschiedenis

Als bijzin in de geschiedenisboekjes ken ik natuurlijk dat Joden al sinds mensenheugenis worden gediscrimineerd waar dan ook in de Westerse wereld al dan niet zijn rechtvaardiging vindend in de kruisiging van Jezus.

Sanne Terlouw beschrijft een familiegeschiedenis van overleven, in goede en slechte tijden, maar uiteindelijk altijd op de vlucht voor rechteloosheid en discriminatie. De geschiedenis begint in Spanje en het hele mediterrane gebied zal uiteindelijk door de voorouders van genoemde Jaron bewoond worden.

Het tweede leerpunt is een meer algemene constatering, misschien ook een open deur, namelijk dat een familiegeschiedenis van generatie op generatie wordt doorgegeven en in de karakters en poriën van mensen kan gaan zitten. Dit kan bewust gebeuren door de geschiedenis te vertellen, maar ook onbewust door de kennis van bijzondere en/of traumatische gebeurtenissen, die misschien wel verzwegen blijven.

NAWOORD

Ondanks de bewondering voor het verhaal en de bewustwording van die ‘andere’ Joodse geschiedenis, blijft de vraag bij mij, heeft Sanne Terlouw nu een fout gemaakt of begrijp ik ergens iets niet? Herlezing van enkele passages van het boek was hiervoor nodig en natuurlijk even googelen. Mijn conclusie blijft voorlopig hetzelfde, er klopt ergens iets niet. Ik heb geen enkele aanwijzing dat het boek in de toekomst eindigt.

Misschien kan iemand mij wrevel weghalen of mij op mijn blinde vlek attenderen?

(zie ook de berichten van vkblog waar dit blog eerder heeft gestaan)

Grijze Zielen/ Philippe Claudel

Grijze zielen, een tweede kennismaking met de auteur Philippe Claudel voor mij en wederom is het een aangename verrassing geweest. Terwijl Het verslag van Brodeck mij al zo heeft weten de raken, lukte dat ook met Grijze zielen.

Philippe Claudel

Grijze Zielen

De Bezige Bij

Amsterdam 2005

Op een van de eerste pagina’s (12) geeft de schrijver al een (zijn?) definitie weg van Grijze Zielen:

‘Hij draagt altijd een groot schort van blauwe stof waardoor hij eruitziet als een ingesnoerd tonnetje. In die tijd had hij een vrouw die nooit uit bed kwam vanwege wat we hier een kwijnende ziekte noemen, iets wat hier nogal vaak voorkomt bij vrouwen die de novembermist en hun eigen ontreddering niet uit elkaar kunnen houden.’

Het gaat slechts om de vrouw van een van de bijrollen in het verhaal. Een vrouw die zelf geen rol van betekenis speelt. Voor mij is ze in meer of mindere mate symptomatisch voor alle karakters in het boek. Grijs.

 

Philippe Claudel

Nu verstaat Claudel de kunst van het verhalen en ik verzeker je dat het hem lukt om alle facetten van het grijs te offreren aan de lezer. En ook al lijkt ogenschijnlijk wit of zwart wel te bestaan, het wit krijgt een altijd weer een forse smet (van het leven) en ook het zwart in de karakters van de personages wordt van tijd tot tijd minder zwart.

In het afsluitende hoofdstuk herhaalt hij op een directere manier mijn interpretatie: (pag 233)

‘Het onderzoeken van ‘De Zaak’, wat ik heb gedaan, is ongetwijfeld een manier om de echte vraag maar niet te hoeven stellen; de vraag die niemand van ons over zijn lippen kan krijgen of door zijn hoofd of ziel wil zien schieten, onze ziel die inderdaad niet zwart en niet wit is, maar grijs, ‘behoorlijk grijs’, zoals Joséphine het lang geleden uitdrukte.’

En in het aangehaalde stukje ‘De Zaak’ lijkt ook de rode draad in het boek. De brute moord op een engelachtig meisje van de herbergier in een dorpje nabij de stad V. De hoofdpersoon, een politieagent, doet een reconstructie op deze moord en komt bij allerlei hoogwaardigheidsbekleders uit die mogelijk de dader(s) kunnen zijn. Maar Claudel verpakt zijn rode draad door een hoop omzwervingen. Zinnen worden onderbroken, met bijzinnen die vervolgens weer enige bladzijden lang in beslag worden genomen en voor de lezer de vraag opwerpen of er verband bestaat met de moord. Vaak niet. Of misschien heeft alles met alles een verband en komt ook het miserabele leven van de dorpsbewoners in zicht inclusief die van de agent in kwestie. Een afstandelijk leven naar zijn omgeving, afspelend in de nabijheid van de frontlinie in de eerste wereldoorlog. De doden, gewonden en oorlogsinvaliden zijn vooral ter decoratie van het miserabele leven in het algemeen en dat van het dorpje nabij V. in het bijzonder.

De oorlog op relatief veilige afstand en toch een (geestelijk) armoedig leven voor velen, ongeacht rang of stand. De domheid en vlakheid worden met net zoveel compassie beschreven dan de verdorvenheid van bijvoorbeeld de Procureur van V. of de rechters, de elite.

De enige compassie die de politieagent lijkt te hebben is die voor zijn vrouw Clémence, maar ze sterft vlak na haar kraambed, terwijl de politieagent zijn gelijk probeert te vinden bij de rechters in V. Omdat door de oorlog en de barre weersomstandigheden de weg naar zijn zwangere vrouw is afgesloten, kan hij haar niet ondersteunen. Een leven vol verdrongen schuldbesef speelt hem nadien parten. Zijn zoektocht naar de moordenaar(s) is eigenlijk de zoektocht naar het leven, naar de waarheid van dat leven. Hij heeft het niet gevonden, wel de grijsheid van het menselijke leven in al haar facetten. Hij kon er geen conclusies uit halen, maar hij heeft het wel beschreven, de politieagent. Hij heeft zijn leven er naar gezocht. Hij is uiteindelijk tevreden met de wetenschap alles, ook zijn inktzwarte elementen op zijn ziel, te hebben opgebiecht om zich vervolgens te kunnen voegen bij zijn overleden vrouw.

Philippe Claudel verstaat voor mij de kunst om het verhaal echt op de tweede plaats te zetten en de sfeer van het mens zijn op te tekenen. Een sfeerimpressie die aan de ene kant mild lijkt, maar door zijn scherpe beschrijvende stijl van ogenschijnlijk eenvoudige handelingen, heel donkergrijs kan worden. Hij sleept je mee in de sfeer en laat je kennismaken met een wirwar aan personen uit de gemeenschap in het dorpje nabij V. De daadwerkelijke moordenaar doet uiteindelijk helemaal niet ter zake.

De sfeerbeschrijving en ook de hoofdpersoon in beide boeken van Claudel die ik heb gelezen, laten overeenkomsten zien. Een oorlogsachtergrond die nooit helemaal expliciet aan de orde komt en een hoofdpersoon die orde moet scheppen. In het verslag van Brodeck was dat in naam van de gemeenschap, in Grijze Zielen deed de politieagent dat misschien wel tegen de zin van de gemeenschap in.

In beide gevallen is het proces belangrijker gebleken dat het eindproduct, de waarheid. Het proces is ook hetgeen mij erg in de boeken van Claudel aantrekt.

Tessa de Loo/ Harlekino

Het meest bevrijdende van het schrijven van een boekervaring, of boekbespreking zo u wilt, is dat het niet aan regels gebonden is. Dit was op de middelbare school wel anders. Naast een samenvatting die in mijn tijd nog niet op het internet zweefde, moest per boek een lijst met vragen beantwoord worden. Thema’s, motieven, leitmotieven (of leidmotieven), als scholier moest je in de huid kruipen van de auteur. Het zal beslist heel leerzaam zijn geweest, maar het heeft er voor gezorgd dat ik enige jaren niet meer gelezen heb, maar hele volksstammen doen het nooit meer, ondanks hun gedegen vervolgopleiding. Ik heb de draad, zij het nog te spaarzaam, wel weer een beetje opgepakt.

Het fraaie van je eigen boekervaring is dat je steunend op je eigen kennis en ervaring het boek gaat interpreteren. Een boekervaring is derhalve vooral ook zelfprojectie. Wat zie jij er in op basis van je eigen kennis? Hoe ervaar jij de setting waarin het geschreven is? Dit neemt niet weg dat het interessant kan zijn wat de auteur erin kwijt wil. Ik ben er vooral te lui. Ik ben al tevreden als ik een boek kan lezen als alternatief voor bloggen of tv kijken.

Harlekino

 Tessa de Loo

 Uitgeverij De Arbeiderspers

 2008

Harlekino van Tessa de Loo heb ik gekozen omdat eerdere ervaringen met deze schrijfster me goed bevallen waren. Eind jaren tachtig las ik Meander als één van de eerste romans na de middelbare schooltijd en ik was enthousiast. De meisjes van de suikerwerkfabriek was voor mij een afknapper, maar toen ik De Tweeling had gelezen stond Tessa de Loo definitief in mijn rijtje van favoriete schrijvers. De verfilming van De Tweeling heb ik zelfs in huis, maar wil er niet aan beginnen omdat ik bang ben dat mijn beeld van het boek bezoedeld gaat worden. Nu kan Harlekino aan dit rijtje worden toegevoegd en Tessa de Loo maakt haar faam als favoriet helemaal waar.

 

Mijn belevingswereld

Als ik zou moeten zeggen waar het boek over gaat, geef ik u vooral ook een inkijkje in mijn belevingswereld, zo mogelijk ook mijn maatschappelijke opvatting. Ik vroeg me tijdens het lezen met enige regelmaat af  ‘Hoe zullen al die anti- multiculti’s dit boek lezen?’

De hoofdpersoon Saïd, een Nederlandse jongen met een Marokkaanse vader die hij niet gekend heeft, zoekt vriendschap met een Marokkaanse jongen, Hassan, als ze ongeveer twaalf zijn.

Saïd krijgt een Nederlandse opvoeding, dat wil zeggen, zijn moeder een adept van de jaren zeventig is zoekende naar de juiste partner en de juiste levensfilosofie en dat wil in de loop der jaren nog wel eens veranderen, afhankelijk van de partner die op haar levensweg komt.

Saïd kijkt niet terug op een slechte jeugd, maar wel op een ietwat eenzame jeugd. De constante factor is jarenlang de opbouw van een fictieve wereld, waarin hij zelf koning is. Zijn wereld wordt zelfs gevisualiseerd en een eigen taal wordt ontworpen. Hassan, en later ook zijn zus Aziza, totdat ze te oud werd om met jongens te mogen spelen, worden betrokken in deze fantasiewereld op de kamer van Saïd. In deze fantasiewereld wordt ook een hofnar gecreëerd, Harlekino. De hofnar, het geweten van de monarchie in de fantasiewereld, wordt later op gezette tijden ook het geweten van Saïd in het echte leven. Een geweten dat zich ogenschijnlijk openbaart als terugkerende psychotische belevingen.

De thuissituaties van Hassan en Saïd vullen elkaar aan met hun goede en slechte eigenschappen. Daarmee kom ik terug op de vraag:

‘Hoe zullen anti-multiculti’s  dit boek lezen?’

Hoewel er geen sprake is van goed of fout, fundamentalisme of vrijgevochtenheid in de beschreven Marokkaanse gemeenschap, kun je er twee kanten mee op. Je kunt lezen: Zie nu wel, in wezen zijn het allemaal achterlijke ‘geitenneukers’ die moslims. Je kunt ook willen zien: “Ondanks de achtergrond, probeert een ieder zijn eigen plekje te veroveren in de Nederlandse maatschappij, inclusief de omarming van de vrijheden die er te vinden zijn voor ieder individu.’

Nu gaat dit boek niet over multiculturele zaken, maar het is mijn belevingswereld die juist deze vraag naar boven doet komen. Ik neig zelf heel erg naar de tweede beleving, die in mijn optiek uitstekend is beschreven door Tessa de Loo.

Waar gaat het boek wel over?

Het boek is in eerste instantie een zoektocht naar de vaderfiguur. De zoektocht wordt door Saïd ondernomen als hij adolescent is. Uiteraard doet Saïd dit niet alleen, maar met zijn vriend Hassan. Daarmee komt het tweede belangrijke thema naar voren, vriendschap. Vriendschap die niet alleen zijn perikelen vindt in de deels culturele verschillen, maar ook als gevolg van de socialisatieprocessen van Saïd en Hassan binnen de gezinnen van herkomst ongeacht de culturele achtergrond. Bovenal gaat het om de ontwikkeling van de vriendschap zoals iedere vriendschap door fasen van goede en slechte tijden heen worstelt.

De zoektocht wordt door De Loo prachtig beschreven in het hedendaagse Marokko. Het inkijkje in de Marokkaanse maatschappij anno Nu is een prachtig sausje waarmee de genoemde thema’s gelardeerd worden.

Naast de genoemde thema’s is de psychische ontwikkeling van de hoofdpersoon de rode draad in het boek. Deze ontwikkeling krijgt op het einde van het boek een voor mij onverwachte negatieve apotheose.

Deze klankkleur over het einde van het boek zegt natuurlijk weer vooral iets over mijzelf als lezer. Ik houd vooral van boeken die een open einde hebben of desnoods goed aflopen. Met die wens lees ik ook onbewust waarschijnlijk ieder boek. Achteraf beredenerend is het einde van Harlekino veel minder onverwacht en kan ik Tessa de Loo ook met dit werk weer complimenteren. Ze heeft mij in ieder geval menig uur van tv en computer gehouden, hetgeen op zich al een enorme prestatie mag heten. Kortom een boek dat ik een ieder kan aanbevelen.

Caesarion/ Tommy Wieringa

Ik probeer terug te halen wat de keuzemomenten zijn geweest om het schitterende boek Ceasarion, zo weet ik nu, van Tommy Wieringa te kopen en te consumeren. Natuurlijk is de marketing van uitgeverij de Bezige Bij een onmiskenbare schakel. Tommy Wieringa hoorde ik op de radio en hij verscheen op tv. Omdat ik zijn vorige boek Joe Speedboot met plezier heb gelezen, was mijn belangstelling gewekt.

En of het nu de journalistieke wijze van gespreksvoering er debet aan was of een bewuste tactiek van de uitgever en schrijver, het viel mij op dat met name het Jeff Koons en Ilone Staller (beter bekend als pornoster Cicciolina) het meest besproken werden. Het verhaal van het inmiddels gescheiden kunstenaarspaar was immers één van de inspiratiebronnen voor schrijver Wieringa. Het kreeg daardoor voor mij een dubieuze bijsmaak.

Ceasarion

Tommy Wieringa

De Bezige Bij 2009

Oorsprong

 Waarom deze bijsmaak? Kunst is voor mij iets dat mooi is, of niet. Soms helpt het om de achtergrond te begrijpen en daardoor bepaalde kunstwerken te leren waarderen. Als voorbeeld heb ik altijd het werk van Matisse, dat ik erg mooi vind. Zijn latere werk, heb ik me laten vertellen, is het gevolg van een logische kunstontwikkeling. Ik begrijp het, maar daarmee vind ik het nog niet mooi.

Jeff Koons is in mijn ogen gewoon een handige Amerikaanse jongen, die met de pornoster Cicciolina, hun copulatiegedrag in de markt heeft gezet als kunst. De daad als oorsprong van alles? Kunst of porno, het maakt mij niet zoveel uit, ik was toen niet echt onder de indruk van hun statement. Als het om de oorsprong gaat van het leven had ook gekozen kunnen worden voor bloemzaadjes of van mijn part eencelligen, desnoods visualiseert de kunstenaar het zwarte gat. Allemaal associaties met de oorsprong, maar porno verkoopt natuurlijk beter en als het stempel kunst eraan gegeven kan worden is het zelfs big business.

 

 Het bezit van een aantal boekenbonnen, heeft uiteindelijk te doorslag gegeven het boek te kopen. Ik heb er geen spijt van.

 

Koppeling naar Jeff Koons

De hoofdpersoon van Ceasarion heet Ludwig. Niet zonder toeval heet het liefdesproduct van Koons en Cicciolina ook Ludwig. Een ander historisch liefdespaar, Julius Ceasar en Cleopatra noemde hun zoon, kleine Ceasar ofwel Ceasarion. De moeder van de Ludwig gaf haar zoon ook de bijnaam Ceasarion. In hoofdlijn kun je Ceasarion beschrijven als het losmakingproces van Ludwig van zijn moeder en de zoektocht naar zijn ontbrekende vader.

In eerste instantie wordt de bijna symbiotische relatie tussen moeder en zoon beschreven. De zoektocht naar zijn vader wordt pas actueel als Ludwig er achter komt dat zijn moeder een gevierd pornoster is geweest en dat zijn eigen oorsprong, de daad van zijn moeder en inmiddels afwezige vader, ook kunstzinnig vereeuwigd is.

En openlijke sexbeleving mag dan, ondanks de schijnbare openheid in de westerse samenleving, al twijfelachtig zijn, maar wanneer je moeder het publieke lustobject is voor vreemde mannen, dan schudt de basis voor een zoon behoorlijk op zijn grondvesten. Zo ook voor Ludwig. Dit losmakingproces met zijn moeder, terwijl hij zijn vader, een woest en maatschappelijk ambivalenties oproepende kunstenaar, aan het zoeken is, zie ik als de rode draad in het boek. Maar om hiermee het boek van Wieringa af te doen, doe je de schrijver tekort. In mijn beleving is er namelijk nog veel meer te genieten.

Mijn eigen Ceasarion ervaring.

 

Boven alles vind ik dat Tommy Wieringa er in is geslaagd een bijzonder boeiend verhaal te schrijven. Hij beschrijft het leven van de nog zeer jeugdige Ludwig in Egypte, zijn kennismaking met het Oost-Groningse Bourtange en zijn verdere jeugd aan de Oost Engelse kust. Vooral deze eerste pakweg 130 pagina’s vond ik geweldig geschreven. Het opgroeien als puber en adolescent aan de desolate en afbrokkelende Engelse Oostkust, staat in schril contrast met de kennis die je hebt van de inspiratiebron van Wieringa, namelijk de kunstenaar Jeff Koons. In prachtige zinnen, voorzien van veel zeer toepasselijke bijvoeglijk naamwoorden, heeft Wieringa mij meegenomen in zijn verhaal.

Over de Engelse Oostkust schrijft Wieringa bijvoorbeeld: (pag. 80/81)

De toren van de Holy Trinity is een verhaal op zich. Hij heeft op wonderbaarlijke wijze nog tientallen jaren standgehouden, en zakte langzaam, onder zijn eigen gewicht, van het klif tot op het strand, waar hij rechtop bleef staan – een wonder dat in kronieken en op schilderijen en tekeningen uit die tijd is vastgelegd. Zo stond hij daar, een eenzame, reumatische wijsvinger, waarschuwend voor een noodlot dat zich allang voltrokken had. Ze zeggen dat je bij zwaar weer de klokken van de Holy Trinity nog kunt horen in de golven.

Dit is één van de vele mooie passages in het boek, in dit geval de letterlijke afbrokkeling van de Engelse Oostkust.

De zoektocht van Ludwig

Na met afgrijzen kennis te hebben genomen van het verleden van zijn moeder, nota bene van zijn rugbyvrienden, is de tijd nabij dat moeder en zoon hun eigen weg gaan. Het is ook de tijd dat hun eigen huis op de nominatie staat om bij de volgende storm die op de kust beukt, meegenomen te worden door de golven. Ludwig bouwt een leven op als barpianist, moeder zoekt het geluk elders. Naar later blijkt in de Verenigde Staten om een hernieuwde pornocarrière op te bouwen. Ludwig komt langzaam achter de redenen waarom zijn moeder de porno-industrie is ingerold in de jaren zeventig. De waarden en normen van toen, oosterse filosofieën en het hippiedom hebben onderliggend een rol in gespeeld. Als Ludwig indicaties heeft waar hij zijn vader mogelijk kan vinden, kruisen het pad van moeder en zoon zich al weer snel en Ludwig vergezelt zijn moeder met tegenzin bij haar comeback in de filmwereld. In die periode blijkt de onlosmakelijkheid van beide levens, maar ook de tegenstrijdigheden die moeder en zoon bij elkaar ervaren.

(pag. 257 als moeder vraagt of Ludwig zijn Amerikaanse vriendin nog spreekt, laat Wieringa moeder het volgende zeggen)

Liefde is geen principe. De liefde hoort meegaand en mededogend te zijn. Je kunt de loop van de liefde niet bepalen, zegt Kahlil Gibran. De liefde bepaalt juist de loop der gebeurtenissen voor jou, als ze denkt dat jij het waard bent. Niet andersom.

Waarop Ludwig spottend antwoord:

Het spirituele duizenddingendoekje Gibran.

De verschillen in de gevoelswereld tussen moeder en zoon komen tot uiting, maar bovenal ook de loop der dingen die het leven hebben bepaald van moeder en daardoor ook de gevolgen voor Ludwig.

Rond verhaal

Hierboven benadrukte ik al het prettig verhalende vermogen van Tommy Wieringa die de lezer op vele plekken brengt en je laat meevoeren in het ontwikkelingsproces van Ludwig. Na de dood van moeder, gestorven aan kanker terwijl ze zoekende was naar allerlei alternatieve geneeskunsten, brengt Ludwig een geslaagde zoektocht naar zijn vader in de oerwouden van Panama. Hij spreekt zijn vader, maar het doel van de tocht is ook om een deel van het as van zijn moeder aan hem te overhandigen, als teken van de eeuwige liefde die zij voor hem heeft gevoeld.

Het boek begint bij de terugkeer van Ludwig in het Engeland waar hij is opgegroeid om daar een begrafenisceremonie van een buurman bij te wonen en het eindigt ook op de plek waar hij is groot geworden.

(pag. 366)

Ik keerde de urn om boven de afgrond. Een deel viel recht naar benden, een ander deel werd opgenomen door de wind – daar waai je moeder, daar waai je.

Ik stapte terug. Met de urn in mijn hand keek ik uit over het water. Dit was dan de plaats van ons afscheid geworden, aan de rand van de wereld, bij de blikkerende zee. Niets was ongedaan gebleven, er was niets wat ik verlangde. Ik was alleen. En alles begon.

Al met al een echte aanrader, waarbij ik al snel over mijn vooroordelen met betrekking tot Jeff Koons ben heengekomen. Sterker nog, al lezende ben ik de man vergeten, en ben gaan geloven in de personages die Tommy Wieringa heeft gecreëerd. Een boek met prachtig taalgebruik dat nimmer obsceen of plat wordt en dat vraagt om het volgende boek van de schrijver geheel onbevangen te gaan lezen.

Kleine landjes, berichten uit de Kaukasus/ Jelle Brandt Corstius

Ik kan het niet meer krijgen, want ik het van iemand geleend. Maar mocht u een leuk Vaderdagcadeautje willen,  dan is het boek ‘Kleine Landjes, berichten uit de Kaukasus’  van Jelle Brandt Corstius een goede keus. Het is voor de avontuurlijke vader die houdt van spanning, zuipen en vooral ook geïnteresseerd is in mensen en politiek.

Voor hen die het nieuws een beetje volgt, weet dat de Kaukasus niet enkel bestaat uit Georgiërs en Russen die zijn blijven hangen nadat de Sovjet-Unie uiteen viel. De eerste oorlogsperikelen stammen al van rond 1990 in het huidige Azerbeidzjan, als de republiek Nagorno-Karabach zich vrij wil maken. Bij dit conflict zijn ook de Armenen actief zijn betrokken. Ook de Tsjetsjenen mogen genoegzaam bekend zijn. Deze bevolkingsgroep, de paria’s in Rusland, worden gediscrimineerd en gezien als terroristen door Poetin en Medvedev.

Het boek van Brandt Corstius handelt niet alleen over Tsjetsjenië, maar ook over Kalmaukkië, Abchazië, Karatsjaj-Tsjerkessië en Ossetië. Daarnaast zijn er nog zo’n 300 andere bergvolkeren in de Kaukasus, veelal met eigen gewoontes en taal, die niet genoemd worden. Vanwege de onherbergzaamheid van het gebied hebben veel van deze volkeren hun eigenheid kunnen behouden, maar dat is in de afgelopen eeuwen niet zonder slag of stoot gegaan, gezien de hoeveelheid conflicten die er heersen tot op de dag van vandaag.

De journalist Brandt Corstius doet verslag van zijn vele reizen in de Kaukasus. Hij bezoekt brandhaarden, voor, tijdens en na de gevechten in dit explosieve gebied. Tussendoor ontmoet hij vele ‘gewone’ Abchazen, Osseten en Kalmukken en wat al niet meer en wordt met enige regelmaat gefêteerd op de vaak genante gastvrijheid, waarbij de wodka rijkelijk vloeit zolang het niet om fundamentalistische moslims gaat. Hun verhalen zijn een afspiegeling van het leven in deze contreien waarbij onderlinge haat, strijd en trots op een grappige manier beschreven wordt.

Bijna alle bevolkingsgroepen roemen de knapheid van hun eigen vrouwen en met minachting wordt de desastreuze lelijkheid van de vijandelijke vrouwen benoemd. Zo laat Brandt Corstius optekenen dat de Ossetische vrouwen snorren hebben waarop de Georgische mannen jaloers zouden zijn. De trots op hun vrouwen staat echter in schril contrast met het schaken van vrouwen, hetgeen nog dagelijkse praktijk. Sommige mannen deinzen er zelfs niet voor terug hun eigen zus te laten schaken. Onder het genot van de wodka wordt het verteld alsof het de gewoonste zaak is van de wereld.

Naast de ‘kleine’ verhalen, boeit het boek verder door de opsommingen van rariteiten die de verschillende leiders en/of presidenten met zich meebrengen. De passie voor schaken van de president van Kalmukkië bijvoorbeeld, heeft er voor gezorgd dat schaken een verplicht vak is op de Kalmukkische scholen. Ook de controle op het journalistieke werk van buitenlandse journalisten door Russische of lokale politie en/of militairen levert grappige anekdotes op.

Het boekje van Brandt Corstius geeft een beeld van de Kaukasus, zonder dat je nadien kunt navertellen wie nu met wie in oorlog is. Minderheden in een land, kunnen streekgebonden weer een meerderheid vormen, met alle culturele hektiek van dien. De herkomst van de bewoners van de Kaukasus is dan ook heel divers. Ze komen vanuit Iran, Mongolië, China en India, maar ook Russen, Europeanen, Turken etc. Begrijpen doe je het niet echt, want het is nog complexer dan de Balkan, maar het boeit enorm.

Kleine landjes, berichten uit de Kaukasus

Jelle Brandt Corstius 

Prometheus Amsterdam 2009

Kortom, een echt Vaderdagcadeau voor de avontuurlijke vader die mee kan leven met de journalist vanuit de tuinstoel en wiens lever niet aangetast wordt door de hoeveelheden wodka die de journalist vanuit beroepsethiek moet drinken.

Een en ander wordt ook nog op de website van Jelle Brandt Corstius in beeld gebracht via youtubefilmpjes. Tijdens het lezen wordt je geattendeerd op levende beelden via het internet. Dit is een leuke bijkomstigheid, maar aan de andere kant gaat het ten koste van je eigen beeldvorming.

De filmpjes zijn te vinden via de volgende link.

God help me KNIELEN OP EEN BED VIOLEN/ Jan Siebelink

Het moest er maar eens van komen. Jan Siebelink staat al een aantal jaren in de kast, maar door mij nog ongelezen.

‘Een zwaar, maar prachtig boek’ is een veelgehoord oordeel. De zwaarheid betreft vooral de fundamentalistische geloofsbeleving, niet de intellectuele en filosofische inslag. Tenminste dat is mij verteld. Een gedegen kennis van de bijbel is slechts een pre, geen must. De kinderbijbel heb ik na mijn eerste Heilige Communie trouw gelezen en her en der heb ik nog wel eens een flard Bijbeltekst opgedaan. Het mag geen naam hebben, maar in ieder geval geen beletsel om toch maar aan mijn eerste Siebelink, ‘Knielen in een bed violen’ te beginnen.

Het vangt somber aan en tot mijn grote verbazing is Lathum, slechts tien kilometer van mijn huis, de startpositie van het boek Knielen in een bed violen. Korte hoofdstukjes beschrijven de jeugd van Hans Saviez. Een jongen met theatrale gaven, een ziekelijke moeder die vroeg sterft en een hardvochtige vader die de plaatselijke protestantse kerk niet bevindelijk genoeg vindt en zijn heil zoekt bij een varende Duitse prediker. De relatie tussen vader en zoon is ronduit slecht en de onverwachte slacht van zijn konijn die gold als troost voor de inmiddels puber Hans, drijft hem weg uit Lathum. Met zijn voorliefde voor de natuur trekt hij naar het Westland en zoekt zijn heil bij de kwekers in die contreien. In dezelfde staccato hoofdstukjes kan de lezer ervaren dat deze exercitie goed verloopt.

Echte vriendschappen sluit Hans niet, maar hij wordt gevolgd door de vadsige collega Josef, die hem in een beter christelijk vaarwater wil duwen. Zonder succes overigens. Hans blijft wel contact houden met een jeugdvriendinnetje, Margje uit Lathum, die voor de kost bij een rijk gezin in Velp werkt.

Tot zover leest het vrij vlot, de sfeer is gezet al ben ik nog niet diep onder de indruk. Niet meer dan een uitgebalanceerde streekroman waar een zware dominee op de achtergrond stevig aanwezig is. Mogelijk dat het genre te vinden is in bibliotheken van de ‘Bible Belt’, maar ik ken het niet.

Geheel volgens de verwachting van ‘de streekroman’ komen Hans en Margje bij elkaar en stichten een gezin, waarbij Hans de kost probeert te verdienen als zelfstandig kweker. De periode van trouwen, werken, het krijgen van het eerste kind en het opgroeien van hun zoon Ruben, neemt slechts enkele hoofdstukken in beslag. Mijn indruk is dat de relatie tussen Hans en Margje goed is, Hans is gek op zijn zoon en de zaak loopt niet zo goed in de benepenheid van het middenstandmilieu in Velp.

En in een keer komt Jozef weer in het leven van zijn oud-collega Hans. Tegen de zin van Hans wordt hij andermaal bestookt met zijn sektarische praatjes. Hans koopt obscure godsdienstige boekjes voor veel te veel geld. Hij verbergt zijn onbegrijpelijke belangstelling voor Jozef en zijn kompanen voor Margje, die ook geen weet mag hebben van de kosten voor de oude boekwerken.

In deze fase van het boek begin ik al een beetje af te haken. Ik kan de hoofdpersoon niet volgen. Aan de ene kant is dat niet vreemd omdat godsdienstwaanzin ver van me af staat. Maar aan de andere kant verzaakt hier de schrijver mij als lezer mee te nemen. Ik zie geen enkele reden voor Hans het zover te laten komen. De ontwikkeling in het gedachtegoed van Hans is niet logisch. Ik kan een genetische component bedenken omdat zijn vader ook min of meer godsdienstwaanzinnig was. Je kunt het zien als een vlucht uit de werkelijkheid omdat de zaken niet goed gaan. Niets van dit alles kan ik als lezer aangrijpen om mee te gaan in de idioterie van Hans. Bovendien is de afkeer van Hans voor Jozef en zijn zwarte mannenbroeders eerder een reden om te breken, dan om zich mee de afgrond in te laten zuigen.

Een vermeende onweersbui boven zijn eigen land, heeft hem het licht doen zien en hij gaat uiteindelijk in op de uitnodiging een sektarische bijeenkomst in de buurt van Ede bij te wonen. Noodgedwongen neemt hij zijn zoon Ruben mee. De bijeenkomst in Lunteren moet gezien worden als een initiatieritueel bij de christelijke sekte.

Ik ben op dan op bladzijde 200 beland en besluit niet verder te lezen. De belangrijkste reden is dat ik de hoofdpersoon totaal ongeloofwaardig blijf vinden. Zijn ontwikkeling is niet logisch. Of dit nu komt omdat het fragmentarisch is geschreven, door gebrek aan fantasie bij mij of een combinatie van beide. Ik weet het niet. In mijn beleving hoeft een hoofdpersoon niet sympathiek te zijn, maar het hele inlevingsgevoel komt bij mij niet op gang en dat ligt niet aan het feit dat hij een richting opgaat die de mijne niet is. Een godsdienstwaanzinnige, een psychiatrisch patiënt of een crimineel, het maakt niet uit hoe ver je van de belevingswereld van de hoofdpersoon staat, het is de opdracht van de schrijver om de lezer hierin mee te voeren.

Jan Siebelink is hierin wat mij betreft niet geslaagd. Integendeel. De eerste tweehonderd pagina’s hebben ervoor gezorgd dat ik niet snel aan een nieuwe Siebelink zal beginnen. Het enige positieve waarin Siebelink geslaagd is dat hij de stroperigheid van de diepdonkere geloofsbeleving goed beschrijft want je voelt dat het gezin dat op het randje van de zwartekousenkerk staat en nog dieper in het zwarte goddelijke gat wordt getrokken.

Maar Waarom?

Misschien kan iemand het me in het kort uitleggen en zal ik mijn antipathie tegen dit boek mogelijk overwinnen.

Dus Waarde Medebloggers, help me knielen op een bed violen.

Jan Siebelink

Knielen op een bed violen 

De Bezige Bij 2005

De hand van mijn moeder (vrouwenboek?)/Nafisa Haji

Laat ik eerst eens beginnen met een onthulling. Op mijn twintigste kwam ik er achter dat ik met uitzondering van “Het Bittere Kruid”  van Marga Minco eigenlijk weinig literatuur had gelezen van vrouwelijke auteurs. Dat kan een gebrek aan degelijk onderwijs zijn geweest, het kan ook een blinde vlek zijn in mijn persoonlijke ontwikkeling. Om dat laatste te compenseren bedacht ik me toen deze onevenwichtigheid ongedaan te maken. Van mijn spaarzame centjes kocht ik de trilogie van Anna Blaman. (Vrouw en Vriend, Eenzaam avontuur en de kruisvaarder)
Ik kan u verzekeren, het was een zeer slechte start om mijn tekort aan vrouwelijke schrijfsters in te halen. Niet om door te komen, toen niet, maar nog steeds nodigt het boek me niet uit en ik durf te beweren dat Anna Blaman door mij nimmer gelezen gaat worden.

 

EVENWICHT
Goed, later zijn er tal van ‘vrouwen’ in mijn boekenkast verdwenen en het hebben van een lezende partner (vrouw) heeft ervoor gezorgd dat er evenwicht is in onze gezamenlijke boekenkast. Toch durf ik te beweren dat ik nog een haarfijn gevoel heb voor vrouwenboeken en niet-vrouwenboeken. Jane Austin, de gezusters Bronte, maar ook Fay Weldon en zelfs Marianne Fredrikson schaar ik allen onder vrouwenboeken. Misschien onterecht, maar goed zo heeft een ieder zijn pakketje vooroordelen om het leven inzichtelijk te houden. Ik heb er zo’n duidelijk ‘Sex in the city’ gevoel bij, of moet denken aan Bridget Jones diary, typische hedendaagse vrouwendingetjes waarvan ik het bestaan accepteer, maar er vooral niets mee te maken wil hebben.

MOEDERDAG
De dag voor Moederdag moest ik nog snel voor de kinderen een cadeautje kopen ter ere van hun moeder. Nadrukkelijk solliciteerde de kaft en vooral de titel van Nafisa Haji’s ‘De hand van mijn moeder’ naar mijn aandacht.
Een typisch vrouwenboek leek het me, maar de opmerking van Khalled Hosseini deed me uiteindelijk besluiten dat het een goed boek moest zijn. En in ieder geval een goed Moederdag cadeau. En zo hoefde ik verder niet te kijken naar de generatie Saskia Noort die door sexegenoot Connie Palmen geweerd wordt uit de literaire hoek en ook door Gerrit Komrij met weinig vleiende woorden wordt omarmd.

De afgelopen vrije dagen zorgde ervoor dat ik zelf dat boek ter hand heb genomen met de verwachting dat het einde niet gehaald gaat worden. Voor de goede orde, ik kende de Amerikaanse schrijfster met Pakistaans-Indische achtergrond niet. Mogelijk een gebrek, maar goed, ik kan er mee leven.

HOEZO SCHAALBEWUSTZIJN?
Misschien is het handig om uit te leggen wat ik onder vrouwenboeken versta. Het vooroordeel kan voortkomen uit de gekozen thematiek, maar dat is voor mij nog geen hinderpaal. Het is vooral de uitgebreide beschrijvingen van relaties, ongebreidelde nuanceringen die voor mijn gevoel nergens overgaan en in ieder geval nergens naar toe leiden. De verklaring dat vrouwen van Venus komen en mannen van Mars, is een uitgelezen open deur natuurlijk. Het is me ook wel eens uitgelegd dat vrouwen meer een ‘schaalbewustzijn’ hebben en mannen meer een ‘straalbewustzijn’.
En och, met mijn straalbewustzijn doe ik u hieronder verslag van mijn bevindingen, mijn boekbeleving van ‘De hand van mijn moeder’ van Nafisa Haji.

 

DE HAND van mijn MOEDER
NAFISA HAJI
2009- De Boekerij- Amsterdam

Saira Quadar, de hoofdpersoon van dit boek, brengt de lezer in een duizelingwekkende vaart mee in de familieverhoudingen. De relatie met haar zus en moeder is het startpunt, maar voor je het weet ben je ook in het India en Pakistan van voor de deling en met de Britse grandeur als achtergrond. De onderlinge relaties in familieverband, dat veel ruimer is dan in de Westerse samenleving, wordt beschreven vanuit het perspectief van de hoofdpersoon en haar vrouwelijke familieleden. Naast moeder en zus, spelen oma en een oudtante, nichtjes en allerlei andere tantes en aanverwanten een belangrijke rol.

Hoewel het leest als een trein, moet ik me als man enorm concentreren op de hoeveelheid personages en de al dan niet aanwezigheid van bloedverwantschap. In eerste instantie voldoet het boek aan alle bovenstaande vooroordelen die ik heb ten aanzien van het ware vrouwenboek. Toch blijf ik gebiologeerd verder lezen omdat ik terecht kom in een vrouwenwereld die niet de mijne is en ook nooit zal worden. Ik heb er weet van, maar kan het met mijn Westerse mannenogen niet begrijpen. Tradities, taken en verplichtingen die de bloedband met zich meebrengt komen mij zeer belastend over voor de verschillende individuen.
Nafisa Haji beschrijft de interne gevechten van de verschillende individuen zeer beelden. Het zijn gevechten tussen het individu en de traditionele familieopvattingen. Gebeurtenissen, zoals de relatie die haar grootvader van moederskant aangaat met een Engels hippiemeisje in 1969, heeft een blijvende betekenis in en voor de familie. Maar ook de maatschappelijke geëngageerdheid van de andere grootvader blijft zich wreken tot het heden. Persoonlijke beslissingen, maar ook familiebeslissingen worden deels afgemeten aan eerdere ingrijpende gebeurtenissen.

Buiten de culturele context, vind ik dit juist een van de meest intrigerende onderdelen van het boek, namelijk hoe familieverhalen en gebeurtenissen nog generaties lang een rol blijven spelen. Daarnaast speelt de culturele context een rol, waarin de hoofdpersoon niet alleen de strijd en oplossingen van haar familieleden beschrijft, maar al observerend moet zij uiteindelijk ook toegeven aan haar eigen verbintenis met haar familie en diens verleden, ondanks het feit dat ze opgegroeid is in Amerika.

Ergens halverwege kantelt het boek meer naar het heden toe waarbij de actualiteit van Pakistan, Engeland en Amerika meer op de voorgrond komt te staan. Ondanks het feit dat de familieleden ver uit elkaar wonen, blijft de, in mijn ogen terreur van de tradities, in zekere zin bestaan. Bruiloften, ook voor Amerikaanse en Engelse familieleden, zijn belangrijke familiegebeurtenissen die de onderlinge verhoudingen bevestigen. De huwelijken zijn ook voor de zogenaamde vrijgevochten moslima’s veelal geëngageerd door de familie.

Saira Quadar, moet ondanks haar vrijgevochten positie als journaliste, na de gewelddadige dood van haar zus na nine-eleven, haar eigen positie opnieuw hereiken. Een proces waarin juist de tradities van de familie en haar eigen verworven (westerse) vrijheden hevig strijd leveren. Eerder in het boek laat ze haar geliefde oudtante het volgende zeggen:

‘Ik benijd je niet, Saira. Jij moet beslissen hoeveel van deze dingen je wilt behouden en welke lasten je wel en niet wilt dragen. Voorkom dat je moeder en jij uit elkaar groeien. Misschien zullen jouw normen en waarden op een dag meer op die van haar gaan lijken. Ze wil alleen maar dat je gelukkig wordt.’
‘Ja, maar ze wil ook dat ik me aan een script houd waaraan ik me niet kan houden, Grote Nanima. U hebt dat ook niet gedaan.’
‘Dat was geen vrije keuze, Saira.’
‘Maar u hebt een prachtig leven gehad!’
‘Dat valt niet te ontkennen. Maar…wat probeer ik te zeggen?’Grote Nanima sloot even haar ogen. ‘Ik heb een goed leven gehad. Maar het pad dat ik heb gekozen, het pad dat ieder mens kiest…ER zijn momenten waarop je je leven niet in de hand hebt, Saira. Op dat soort momenten hebben we behoefte aan… Hoe noemde je het, een script? En als je het oude script zomaar weggooit, zul je veel tijd kwijt zijn aan het schrijven van een nieuw. Dat je iets aanpast, dat kan ik begrijpen. Maar het wiel helemaal opnieuw uitvinden? Waarom? Wat heeft dat voor zin? Het huwelijk is slechts een van de vele onderdelen van dat script, Saira.’
(p.213)

Bovenstaande passage is mijn inziens in de kern voor de hoofdpersoon en veel van haar familieleden, maar ook voor vele moslima’s (en hun meer conservatieve mannelijke familieleden) in de hedendaagse wereld. Niet alleen in Amerika, Engeland of Nederland, ook in Pakistan of andere door moslims beheerste samenlevingen.

Het tweede gedeelte komt meer los van het etiket ‘vrouwenboek’ maar kan pas begrepen en gewaardeerd worden na een goed begrip van de familieverhoudingen. Het tweede gedeelte gaat, naast de persoonlijke belevingswereld van de hoofdpersoon in de hedendaagse mondiale samenleving, ook over de zoektocht van een moslima naar de opdracht en ethiek van de journalistiek en de zoektocht naar de waarheid.
Kortom, een boek zeer aanbevelenswaardig boek, zeker ook voor mannen.

Het verslag van Brodeck/ Philippe Claudel

Het verslag van Brodeck, de hoofdpersoon uit Claudel’s gelijknamige roman is een adembenemend verslag. Een verhaal dat in je poriën gaat zitten, maar dan wel met het voordeel dat nachtmerries uitblijven. Het woord ‘beklemmend’ komt bij me op als het gaat om het verhaal als geheel, ‘afschuwelijk natuurlijke schoonheid’ is mijn oordeel ten aanzien van het taalgebruik van Claudel. En al is het boek door mij al bijna een half jaar geleden gelezen, het is blijvend in mijn geheugen gegrift. Met deze inleiding is de positieve klankkleur van mijn boekervaring over ‘Het verslag van Brodeck’ al prijsgegeven.
Nu rest mij nog om de woorden te vinden dit aan u over te brengen.

Op de achterkant van het boek is te lezen:
‘Het verslag van Brodeck is een parabel op de Shoah waarin het woord ‘jood’ niet één keer voorkomt.’
Maar ook het woord Duitser ontbreekt in het boek. Al lezende probeer ik me toch een beeld te vormen van plaats en tijd. Ik kom uit in de Franse Vogezen direct na de Tweede Wereldoorlog. In een klein, vrij afgelegen bergdorpje is mijn fantasie neergestreken. Het is in het geheel niet van belang voor het verhaal, maar wel lekker gemakkelijk. Trouwens Claudel gebruikt af en toe het zogenaamde dialect van de dorpsbewoners en dat is een mengeling tussen Frans en Duits, dus zoveel fantasie had ik niet nodig.

In dat kleine Franse bergdorpje komt het weeskind Brodeck op 4-jarige leeftijd samen met de oude vrouw Fédorine die hem zal opvoeden. Samen op de vlucht voor de verschrikkingen van die andere oorlog. In flarden komen stukken jeugd van Brodeck terug, vaak in relatie tot een van de andere dorpsbewoners die in al hun (on)menselijkheid prachtig worden beschreven. De lezer krijgt de indruk van een onbezorgde jeugd, ware het niet dat de kennis van het heden, de naoorlogse werkelijkheid in het leven van Brodeck, stukje bij beetje bekend wordt gemaakt. De lezer weet inmiddels dat Brodeck uit het dorp is weggevoerd naar een kamp en geheel tegen de verwachting van de dorpsbewoners is teruggekeerd.

Voor het zover is, voert de schrijver de lezer mee naar de studententijd van Brodeck in een nabij gelegen stad. (Straatsburg in mijn verbeelding) Hier zijn de vooroorlogse razzia’s al aan de gang. Iedereen die anders is loopt gevaar. In deze stad vindt Brodeck zijn geliefde en levenspartner Emélia. Ze gaan wonen in het dorp van Brodeck en leven er gelukkig samen met de oude Fédorine. Als dan ook nog een dochter geboren wordt, kan het dorpse geluk ogenschijnlijk niet op, ondanks de oorlog. Maar dan wordt Brodeck weggevoerd door vijandelijke soldaten en maakt de meest inhumane behandeling mee in het kamp op vijandelijk grondgebied. Waarom hij, omdat hij anders is of omdat iemand hem verraden heeft? Hij overleeft het en komt terug, terug in zijn dorp bij Emélia, dochter Poupchette en Fédorine. De oude vrouw verzorgt de uitgemergelde Brodeck als een klein kind zoals ze dat jaren terug ook heeft gedaan toen ze hem vond als wees. Emélia is daartoe niet in staat, want blijvende psychische schade door een groepsverkrachting van dorpelingen, hebben haar geestelijk misvormd. De oorzaak van het mutistische gedrag krijgt Brodeck pas later te weten.

Als de fysieke gezondheid weer is teruggekeerd, lijken de zaken zijn gewone draai weer te nemen. Maar Brodeck kijkt nu naar zijn dorp en haar bewoners met zijn ervaringen uit het kamp. Was hij wel hetzelfde als een ieder. Het dorp met de kleine mensen en hun verborgen talenten die vooral heel goed verborgen moesten blijven. Het dorp dat één gezamenlijk talent kende, namelijk de vorming van een benauwde gemeenschap. Een dorpsheid waar de herhaling van de seizoenen met hun feesten wordt gevierd, ieder jaar hetzelfde en ieder jaar met zindering en intriges omdat oude vetes onderhuids naar boven komen. Een dorp met een groot aantal café waar de zomer landerig over het dorp mag komen en waar de winterse koude geweerd wordt. Een dorp waar in ieder geval niets mag veranderen.

De verandering komt echter wel met de komst van een zonderlinge man die zijn intrek neemt in de plaatselijke herberg. De man intrigeert de bewoners, de man beangstigt de bewoners en de man frustreert de bewoners, alleen omdat hij anders is. De man wil, kan en mag geen aansluiting vinden met de bewoners, al spreekt Brodeck af en toe met de zonderling die de passende naam ‘Andere’ draagt.

De onderhuidse kolkende boosheid komt tot een climax, waarbij de Andere zijn dood vindt en het dorp een gezamenlijke geheim moet zien te bewaren. Brodeck is niet aanwezig bij de dood van de zonderling, maar wordt door de gezamenlijke raad van dorpsbewoners gevraagd op te schrijven wat er gebeurd is die bewuste avond.

Die zoektocht naar de waarheid van de dood van de Andere, is Brodeck’s zoektocht in de geschiedenis van zijn jeugd en die van zijn dorpsbewoners die amper hun medewerking geven. Integendeel, hoe meer Brodeck vraagt, hoe onwilliger hun houding.
Het verslag van Brodeck is de beschrijving van de kleine verhalen van de dorpse intriges, maar tegelijkertijd de grote menselijke drama’s in de geschiedenis die op de achtergrond meespelen. Opvallend is het synchroon lopen van deze zogenaamde kleine menselijke verhalen en de grote onaantastbare geschiedenis van de mensheid en haar naakte waarheden. Soms wordt de dorpse samenleving geconfronteerd met het kwade van elders, maar evenzo vaak is de dorpse gemeenschap zelf het kwaad.

Het verslag van Brodeck is een boek dat ik iedereen zou willen aanraden om de relatieve eenvoud, waarmee Claudel een enorme diepgang weet te creëren. Een diepgang die je raakt en evenzo goed niet te bevatten is. Over de literaire kwaliteit durf ik geen kundige uitspraak te doen en ik laat me leiden door mijn gevoel. En dat gevoel zegt wanneer iemand met zijn verhalende talenten de lezer, of in ieder geval mij, zo geboeid weet te houden, er sprake is van een uitzonderlijk literair hoogstandje. Op menig bladzijde weet Claudel zinnen te produceren die op zich al een thema voor een nieuw boek waard zijn.

Een daarvan, geheel willekeurig trouwens, wil ik graag delen:

‘Ze [Fédorine] zit met gesloten ogen en mompelt wat voor zich uit, ze verstelt haar verhalen en herinneringen en weeft tapijten van haar tot de draad versleten dromen; haar handen liggen op haar knieën, en in die handen, die droge handen getekend met kronkelende aderen en rimpels zo recht als het lemmet van een mes, kun je haar leven lezen.’

Voor mij een zin waarin de relatieve eenvoud gecombineerd wordt met diepgang, peilloze diepgang.

 

Het verslag van Brodeck

Philippe Claudel

De Bezige Bij 2008