Een kaartje onbekende bestemming

Mijn eerste literaire held was Simon Carmiggelt. Ik leerde hem kennen op mijn 17e. Vele verhalen heb ik van hem gelezen en herlezen. Enige dagen terug heb ik zijn verhaaltjes opnieuw ter hand genomen. Dit is mijn eerste poging om eigentijdse verhaaltjes in de stijl van Carmiggelt te schrijven. Met nadruk op ‘eigentijds’ en ‘poging’, want het zal me nimmer lukken om zijn kwaliteit  maar te benaderen. Toch zie ik dit, en mogelijk meerdere verhalen in deze serie, als een ode aan een groot Nederlands schrijver.

Een licht chaotische stemming maakt zich meester van me. Niet ernstig hoor, u hoeft niet bang te zijn dat twee in wit gestoken kloeke ambulancemedewerkers zo aanstonds op de stoep staan en mij geheel tegen mijn zin moeten afvoeren.
Integendeel, de chaos is eerder een soort mantra die iedere woensdagmiddag terugkeert. Van een serieuze pathologische afwijking is geen sprake. Tenminste, dat denk ik niet.  

De oorzaak van de onevenwichtigheid in mijn gemoedstoestand ben ik zelf. Nader onderzoek leert dat gebrek aan discipline  iedere woensdag de oorzaak is van de interne onrust.
De dag ligt open voor me. Het is mijn dag als fulltime huisman. In volledige harmonie, conform de eisen van het hedendaagse gezin, zijn huishoudelijke en maatschappelijke taken verdeeld. Als meegaand echtgenoot kan ik met gerust hart de meest gedreven feministische criticasters te woord staan, zonder van mijn apropos te geraken. Niet dat ik op een dergelijke confrontatie zit te wachten. De stilzwijgende kritiek van mijn partner bij thuiskomst wil ik echter wel graag voorkomen.
Haar vermeende toorn als mijn huismannendag is geëindigd in een complete anarchie wil ik niet meemaken. En het is bovendien meer de onwenselijkheid om de huiselijke harmonie te doorbreken, dan dat ik me daadwerkelijk zorgen moet maken. Want ik meldde al dat mijn meegaandheid bijna spreekwoordelijk is, vind ikzelf. Dus ik doe erg mijn best.  

’s Ochtend zijn de boodschappen gedaan, de vaatwasser uitgeruimd en enige zinvolle zaken met de was heb ik voltooid.
Op tijd sta ik bij school om te vernemen waar de kinderen gaan spelen.
‘Pap, we gaan bij ons en we willen graag broodje knakworst.’

Geen probleem uiteraard, het lijstje werkzaamheden is immers bijna afgewerkt. Als man zijnde is het volgen van de grote logistieke lijnen in de huishouding uiteraard geen enkel probleem. Maar door ervaring wijs geworden schijnt ons soort, ook de goedwillende ‘weekdieren’, geen gevoel te hebben voor details. De finesses in de afwerking en oog voor kleinigheden in de huishoudelijke taken ontbreken ook in mijn genenpakket.
Tijdens het koken laat in de middag, overzie ik de huiskamer. Ik doe een verwoede poging om het geheel vanuit de feminiene optiek te bekijken. In de wetenschap dat dit niet zal lukken, schik ik de kussens op de bank, pak een stapel kranten en plaats die eerst op de te volle krantenbak, daarna op de salontafel om ze vervolgens weer op de oude plek terug te leggen. Ik overweeg of de bezem nog even over het parket moet en besluit dat dit niet nodig is. Onderwijl roer ik ook nog vakkundig in de pannen.
‘Wie wil de tafel voor me dekken?
Er komt geen antwoord, dus pak ik de borden en het bestek.
Mijn licht chaotische stemming is hiermee voldoende verklaard. Enige noodzaak tot ongerustheid is niet nodig.
Dan gaat de bel.

  ‘Pap, de bel gaat, het is iemand die ik niet ken, Ga jij maar even.’
‘Ook dat kan er nog wel bij.’
De gang inlopend zie ik een silhouet door de ruiten van de voordeur. Een kleine manspersoon kijkt door de brievenbus om te vernemen of de bewoners van het pand aanwezig zijn en mocht dit het geval zijn of zij dan ook van zins zijn om zich ter verwaardigen om de voordeur te openen.
Hij wordt op zijn wenken bediend en met dat ik de deur open, staat hij keurig rechtop en zegt met een lijzige stem.
‘Goedemiddag mijnheer, mijn naam is Edson, mag ik u even storen?’
Daarbij duwt hij me een geplastificeerd vodje onder de neus, die zijn naam beslist zal bevestigen, maar voor ik me hiervan kon verwittigen, laat hij me ook nog een brief zien. Wat er op deze brief staat, kan ik ook niet zo snel lezen. Ik zie nog net het logo van het gemeentewapen.
Zonder dat ik alle plotselinge handelingen heb weten te verwerken, antwoord ik in een beleefd automatisme:
‘Ook een goedemiddag gewenst, wat kan ik voor u doen.?’

  Een jongeling van ongeveer 16 jaar staat voor me, zijn beduimelde legitimatie aanhoudend boven zijn hoofd zwaaiend, kijkt me aan met felle donkerbruine, bijna zwarte ogen. Hij is eenvoudig maar netjes gekleed en spreekt overdreven Nederlands, bijna op een robotachtige manier. Accentloos, maar toch vreemd. De wortels van de jongeman kunnen in Irak liggen, of Marokko, maar evenzo goed uit Roemenië of Bulgarije. Tijd om dit nader te onderzoeken heb ik niet. De jongen doet zijn verhaal.
‘Mijnheer, ik kom voor zieke kinderen met kanker. Kinderen die heel ziek zijn en geholpen moeten worden. Daarom verkoop ik kaarten.’
In een snelle beweging wordt zijn legitimatiepasje in zijn jaszak gestopt en houdt hij een setje kaarten omhoog.
‘Kijkt u eens, mooie kaarten voor kinderen met kanker.’
Ik krijg een exemplaar in mijn handen geduwd en zie een compilatie van bekende Nederlanders bij ziekenhuisbedden. Zij maken zichtbaar plezier met de kinderen in de bedden.
‘Dat zijn blijkbaar de kinderen met kanker,’ stel ik vast.
Terwijl ik de plaatjes bekijk en vooral zit te denken wat ik met de situatie aan moet, ratelt de jongen op monotone wijze verder. Allerlei gedachten schieten door mijn hoofd.
‘Ik heb al een hele doos met ongebruikte kaarten, afkomstig van andere jongens en minder bedeelden die me wisten te overtuigen met kaarten. Ik stuur eigenlijk nooit meer kaarten, want de beleefdheidskaartjes hebben plaatsgemaakt voor digitale boodschappen aan bekenden elders in de wereld.’
Bovendien zegt mijn gevoel dat hier iets niet deugd, maar kan niet meteen de vinger op de zere plek leggen. Ik kijk de jongen aan in zijn donkere ogen die hard staan en die ogenschijnlijk geen nee kunnen verdragen. Mezelf kennende zal ik ook moeilijk nee kunnen zeggen, maar dat vind ik dan weer zo slap en principeloos.
‘Hoe duur zijn de kaarten?’
Ik stel de vraag, meer om tijd te rekken en me te sterken voor een weloverwogen nee. Het moet namelijk maar eens afgelopen zijn met het kopen van kaarten voor onduidelijke doelen van onduidelijke mensen. Niet omdat ik te gierig ben en ook niet omdat ik me niets wil aantrekken van nooddruftigen waar dan ook ter wereld. Ik wil vooral nee zeggen, omdat een onverschillig ja om er maar van af te zijn, mijn ego niet versterken.

  ‘Zes euro, mijnheer.’
De jongeman moet mijn tweestrijd voelen en hij praat dus verder over zieke kinderen met kanker. Hij lijkt zijn overwinning te voelen. Ik hoor achter mij de vrouw des huizes terugkomen. Mijn afwezigheid in de huiskamer wordt meteen opgemerkt en ze komt achter me staan.
‘Nee, bedankt en veel succes verder.’
De haat staat in de ogen van de kaartenverkoper, even voel ik me ongemakkelijk, maar sluit dan met een vluchtig ‘dag’ de voordeur.
Dit is het moment waarvoor ik altijd bang ben en dat ik in het verleden ook het liefst wilde afkopen door maar gemakzuchtig in te stemmen met de koop. Mijn geweten wordt gelukkig gesust door het feit dat ik echt geen geld in huis heb, maar toch.

  Enigszins verbaasd kijkt mijn partner me aan.
‘Heb je nee gezegd, dat is een overwinning op jezelf?’
Hoewel de spottende ondertoon in haar vraag duidelijk hoorbaar is, lijkt ze tevreden over zoveel ruggegraat bij haar partner. Ze loopt naar de eettafel. En passant plukt ze nog een kledingstuk van de grond en zet een paar gymschoenen op de plaats in de gang. Mijn wrevel over haar handelingsgerichtheid onderdrukkend, vraag ik naar haar dag en zet het eten op tafel.

  Tijdens de maaltijd blijf ik de ogen van de jongeman zien en vraag me af waarom een gezonde jongen van zeventien langs de deuren gaat om overal nee te horen. De kaartverkoop kan best illegaal zijn en een criminele bende verantwoordelijk voor de zwendel. Toch moet deze jongen het werk doen, de botheid van volgevreten Nederland in ontvangst nemen.
‘Ik zie dat je vandaag hard gewerkt hebt’ stelt mijn partner.
‘Ja, en ik had geen geld om de kaarten te kopen’ repliceer ik, meer gebaseerd op mijn eigen gedachten dan reagerend op de woorden van mijn partner.

  Later die avond zoek ik nog snel een deugdelijke stichting voor kinderen met nare ziektes en doneer een klein bedrag.

2 gedachtes over “Een kaartje onbekende bestemming

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s