1. (G)een kerstverhaal

Met een wanhopige worp mikt hij het zoveelste papier in de hoek van de huiskamer.
– “Het zit er gewoon niet in” mompelt hij, terwijl zijn hoofd moedeloos op zijn rechterarm leunt. Met een lege blik staart hij naar het blad dat nu nog maagdelijk wit voor hem ligt. Hij schrijft de titel op: Kerst 2004.
– “Kerst 2004, Kerst 2004, Kerst 2004”
Hij herhaalt deze woorden bijna mechanisch, maar dat levert niets anders op dan de clichés die hij de hele avond al fabriceert. Hij komt niet verder dan Charles Dickensachtige taferelen, eigentijdse sprookjes met een verfijnde moraal, liefdes die op tranentrekkende wijze weer opbloeien en eenzaamheid die op een wonderlijke manier verdreven wordt. Niets is goed genoeg en in de hoek van de kamer, naast de krantenbak, liggen de verfrommelde papieren die het bewijs zijn van zijn wansmaak.

Eerder de avond installeerde hij zich in de huiskamer, bewust weg van de werkplek achter de computer. Hij nestelde zich in de sober, maar fraai gedecoreerde kamer.
Een kerstboom verlicht de kamer op een prettige manier en de versierselen in de boom bestaan voor een groot deel uit huisvlijt van zijn zoons. Op verantwoorde wijze heeft zijn partner her en der overtollige lichtsnoeren op schalen en in glazen vazen gestopt. Een simpele maar sfeervolle manier om in kerststemming te geraken. Zijn vrouw is die avond niet aanwezig en hij drinkt een glas rode wijn, ook al tegen zijn gewoonte in, maar het past zo goed bij de sfeer. Normaliter lust hij graag een biertje, ook als het buiten kouder wordt.

– “Misschien een absurdistische column, een boodschap naar de regering?”
– “Kan ik iets met de oranje armbandjes?”
Dan wordt hij gestoord door gerommel op de trap. Zijn zoon Jasper komt naar beneden. De deurknop wordt even vastgehouden, een korte aarzeling niet wetend hoe zijn vader zal reageren op dit late tijdstip. Dan staat hij voor hem:
– “Ik moet morgen kersttakjes mee naar school.”
– “Lekker dan, daar kom je nu mee.”

Door het gerommel van Jasper, komt ook Koen naar beneden. Hij kijkt slaperig om zich heen en gaat naast hem zitten, alsof dat zo laat de gewoonste zaak van de wereld is. Terwijl Jasper op zoek is naar de kersttakjes en praat over de komende feestdagen, vraagt Koen:
“Mag ik warme chocolademelk?”
Vanwege het totaal onverwacht bevestigende antwoord, komt Jasper ook aan tafel zitten.
“Wat was je eigenlijk aan het doen?”
“Ik probeer een kerstverhaal te schrijven, maar het lukt niet zo goed.”
Koen kijkt naar het bijna lege vel papier en spelt de spaarzame letters.
“K….E….R…S….T….., ik kan kerst lezen.”
Met aan beide kant een jongetje nippend aan hun chocolademelk, beseft hij dat het lezen van Kerst meer dan voldoende is dit jaar. Er komt geen kerstverhaal, er is een kerstverhaal.

Tranendal met opklaringen

Tergend langzaam komt de hogesnelheidstrein langs het perron glijden. Bijna pesterig, om de aanzwellende stroom forenzen te attenderen dat juist hij de oorzaak is dat ze weer te laat komen. Het grijze gevaarte past bij de zware zwangere regenlucht. De ‘bevalling’ laat nog op zich wachten, het enige lichtpuntje deze ochtend. De man voelt dat zijn stemming slechts grijstinten toevoegt aan het decor van de kale stationsomgeving.

Hij wil vernietigend naar de reizigers kijken. De man ziet slechts zichzelf in de donkere ramen van de wagons. Een te dikke man met een lange antracietkleurige openstaande jas, die zijn frivole strakgespannen paarse bloes, protserig, maar zonder aantoonbare reden, aan de wereld toont. Zijn brede schouders hangen licht naar voren. Bij ieder treinraampje ziet hij een ietwat ongelukkige middelbare manspersoon.

Wat zien ze achter dat donkere glas eigenlijk?

Een man die ’s morgens zijn broze stemming andermaal heeft zien omslaan in frustraties en boosheid. Zoonlief moest naar school en had natuurlijk de schooltas niet ingepakt, moest het actuele rooster nog op de computer opzoeken en zijn fietssleutel was onverklaarbaar verdwenen. Aansporingen van hem, de avond, ervoor leverde een oeverloze discussie op van een beginnende brugsmurf met donkere filosofische prietpraat over de zin van school en daarmee het leven, of eigenlijk vooral de onzin van school.

‘Jij weet niet hoe erg school is tegenwoordig!’

Inderdaad begreep hij niet dat je buiten de reguliere afkeer, het huiswerk helemaal niet meer hoefde te maken.

‘Dat doe ik gewoon op school en op de computer, daar zijn programma’s voor.

Die ochtend had hij tegen zijn zoon geschreeuwd dat er ook programma’s zijn om tassen in te pakken en wel de avond ervoor en dat hij hiervoor het rooster bepaalde. Boos is zoonlief weggefietst en staat nu verderop, eveneens stuurs naar de trein te kijken. Zijn blik had al geseind dat hij het niet moest wagen bij hem in buurt in te stappen.

Dat is hij ook niet van plan. Terwijl hij mistroostig naar zijn spiegelbeeld op de ramen blijft kijken, de trein is oneindig, ziet hij via de ramen een kleine, in rook gehulde verschijning, naast hem stilstaan. Hij blijft de figuur via de raampjes observeren. De aandacht op zichzelf is nu gelukkig verdwenen. Bij het laatste raampje verdwijnt zijn spiegelbeeld en het rookgordijn. In een reflex kijkt hij naar links en ziet een puistenkop van amper dertien met een kreukelig shaggie op zijn lippen.

‘Tjemig, dat kun je ook nog hebben.’

Zijn stemming wordt al milder. De forenzenboemel arriveert en hij wurmt zich naar binnen. Op het moment dat de trein zich langzaam in beweging zet, voelt hij, staande in de mensenmassa, iemand zijn hand even beetpakken. Hij kijkt opzij en ziet zijn eigen puber staan, die bijna onmerkbaar zijn lippen even tuit om het goed te maken. Ze zeggen beide niets, dat zou ook gênant zijn met zoveel toehoorders.

Tegelijk stappen ze uit.

‘Fijne dag jongen, tot vanavond.’

‘Later.’

De man kijkt hem na. Met nonchalance, maar levenslustig, loopt zijn jongen richting school.

Zeer strenge winter verwacht

Hoe lang duurt het voordat een winkeleigenaar ingrijpt om zijn etalage zichtbaar te houden? Hoeveel omzet moet een neringdoende middenstander missen voordat het lampje gaat branden? Hebben ze knappe en creatieve etaleurs in dienst om de waar aan de vrouw te brengen, wordt de kunstzinnig ingerichte etalage aan het zicht ontrokken door stuurse mannen van divers pluimage. U kent dat wel,  mannen vanaf dertig die gelaten wachten op hun winkelende wederhelft in kleding- of schoenwinkel. Jongere exemplaren zie je nog niet. Die zijn nog plooibaar en verwachtingsvol aan het begin van hun relatieloopbaan. Eenmaal de dertig gepasseerd is er vooral berusting, want meegaan leidt meestal tot ruzie.

‘Vind je dit geen snoezig truitje?’

‘Ja, enig past mooi bij de rode jurk.’

‘Ik heb helemaal geen rode jurk, hoe vaak moet ik dat nog zeggen.’

De man in kwestie krimpt ineen, want het kan zomaar zijn dat nu de jacht op een rode jurk wordt ingezet. Gelukkig krijgt hij te horen dat hij er helemaal geen verstand van heeft. Dat wist hij al dus waarom moest hij zo nodig mee naar binnen. Of wat te denken van de keuze van een paar moderne veelkleurig gympen, door de kenner consequent ‘Converse’ genoemd. Het blijven gympen.

Minutieus kan een vrouw zichzelf met de gympen bekijken, terwijl de man in opperste staat van verdediging wacht om iedere vraag of opmerking liefdevol te pareren zonder een echtelijke twist te veroorzaken. Diep in zijn hart vraagt de man zich af waarom een veertigplusser ineens zo jeugdig moet doen op gympen, maar die discussie gaat hij niet aan.

‘Heb ik geen dikke kont met deze ‘Converse’ of kan ik beter die gele Converse nemen?’

Daar had je als man geen rekening mee gehouden, dat je partner een causaal verband ziet tussen het dragen van een paar gympen en de omvang van haar derrière. Heel dringend priemen de ogen in je richting, wetend dat er binnen een paar tellen een antwoord van je wordt verwacht. Er is geen ontsnappen aan, terwijl je beseft dat de hormonen in de verkeerde PMS richting staan, want wie legt er nu zo’n oorzakelijk verband tussen gympen en kont?

‘Euhh, ik vind die groene gympen wel mooi, maar het maakt eigenlijk niet zoveel uit.’

Fout, helemaal fout ziet hij als de blik van zijn vrouw verstrakt en ze boosaardig de schoenen uit doet.

‘Het kan je helemaal niet schelen hoe ik erbij loop, helemaal niets,’ sist ze hem toe.

Donkere wolken pakken zich boven de ‘gezellige’ winkelmiddag, maar dat weet je pas als je de dertig bent gepasseerd.

‘Trouwens, het zijn geen gympen, maar echte Converse.’

Mannen wachten liever voor de winkel, in weer en wind, en kijken naar het langs schuifelende publiek, maar onttrekken daarmee het zicht op de etalage. Deze verzameling mannen is geen reclame voor de winkel. Een oplossing moet gezocht worden en de verstandige winkelier heeft in zijn winkel stoelen staan, bij voorkeur op een beetje afstand van de pashokjes. De man kan dan in alle rust het winkelen over zich heen laten komen en de vrouw kan haar gang gaan. Ze zijn dan toch een beetje samen.

En al is het genoegzaam bekend dat de winkelende vrouw een onredelijk en bovenal een irritant wezen is, zolang je er geen verbintenis mee hebt, is het heerlijk observeren zo zonder echtelijke verantwoordelijkheden. Bovendien kan de oplettende observator de nieuwste mode in zich opnemen, immers dat lukt niet zo goed met de rug naar een etalageruit.

Zo weet ik dat er op schoenengebied een heimelijke revolutie gaande is, want de laarsjes met bont (Uggs) en gympen maken langzaam maar zeker plaats voor echte laarzen. Naast de stoere laarzen in velerlei kleuren, is de lange laars ruimschoots vertegenwoordigd in de winkels, dus dat zal deze winter het straatbeeld gaan bepalen. Onlangs heb ik menig vrouw in een groot schoenenwarenhuis op een strategische plek in de winkel mogen aanschouwen. Deftige dames proberen pumps en andere elegante schoenen. Onbegrijpelijk met welke soepelheid ze de hoge hakken in stappen. Jongere vrouwen zoeken de nieuwste gympen, want dat schrijft de mode voor, hoewel de ‘oude’ Converse amper anders zijn dan het nieuwe aanbod. Maar alle groepen blijven staan bij de laarzen. Ze kijken, voelen aan het schoeisel, lopen weg en komen weer terug. De diversiteit aan laarzen is groot, maar vooral de laars tot over de knieën heeft een onweerstaanbare aantrekkingskracht. De dominant aanwezige laars is voorzien van touwtjes en knoopjes en is uitgevoerd in een zwarte suèdeachtige stof en in leer. Als finishing touch hebben beide uitvoeringen een stalen hoge hak.

Een enkeling past de laars en dat was nog geen gemakkelijke opgave. Zo zag ik een blonde, in het zwart geklede dame met stevige kuiten al twee keer langslopen. Bij de derde keer, greep ze de laars en probeerde die uit, zonder succes overigens. Ze kreeg de lange laars niet over haar kuiten heen. Al wiebelend probeerde ze het nog met enige kracht en beide handen gebruikend om de laars om haar benen te krijgen. Teleurgesteld droop ze af. Voor haar deze winter geen laarzen tot over haar knieën, anderen zal het zeker wel lukken. En ik weet dat ik rekening moet houden met een strenge winter en dat is zeer bruikbare kennis.

 

Une femme (pas) fatale

Frequent kom ik op het station van Arnhem. Soms neem ik de auto en in sportievere tijden fiets ik naar het werk. Dat laatste is dit jaar nog maar een enkele keer gebeurd. Ze zeggen dat Nederland vlak is, maar een enkele IJstijd heeft gezorgd voor ogenschijnlijk nietszeggende stuwwallen en met mijn rokerslongen zijn de heuvels een pittige aanslag op mijn fysieke gesteldheid. Dus neem ik vaak de trein.

Het station van Arnhem is al jarenlang een bouwput en daarmee een nog desolater oord dan de meeste stations in Nederland.

 

Deze zomer is besloten extra hard te werken aan het station. Een maand lang rijden er geen treinen richting Utrecht en Nijmegen. Met het feit dat er geen treinverkeer mogelijk is naar de Keizerstad, vervalt ook een van de schoonheden van Arnhem, want dat is natuurlijk de trein naar Nijmegen. U weet nu waar mijn voorkeur ligt. Maar ik hoef niet naar Nijmegen, maar richting de Achterhoek en die trein rijdt nog wel.

De vakantieperiode, in combinatie met beperkt treinverkeer, maakt de perrons leeg. Je kunt wel, wachtende op de trein, kijken naar de werkzaamheden op en rond het spoor.

 

 

 Met oprechte bewondering aanschouw ik het leger mannen dat bezig is met een nieuwe overkapping op de eerste perrons. Anderen zijn bezig met graafwerkzaamheden of voeren puin af. Met mij zijn er meer bewonderaars van de bouwwerkzaamheden, vooral oudere mannen die helemaal niet met de trein ergens naar toe moeten. Ze zijn door hun vrouw het huis uit gestuurd omdat ze toch maar voor de voeten lopen. Deze zomer kunnen ze zich vermaken op het Arnhemse station.

 Ik heb de trein gemist, dus er is bijna niemand. Een kwartier later komt de volgende trein pas. Als de eerste medereizigers zich aandienen, zie ik in mijn ooghoek een grote blonde jonge vrouw aanlopen. Nu heb ik bewondering voor bouwwerkzaamheden, echter ik snap er niet zoveel van. Met grote blonde vrouwen is dat precies hetzelfde. Meestal hoeft dat gelukkig ook niet. Deze vrouw is bijna net zo groot als ik, zeker 1.80. Ze draagt bovendien hoge gehakte laarzen van een stoer soort. Dit maakt haar verschijning nog imposanter. Haar stevige, volgens de Sonja Bakker-normen iets te dikke lijf, wordt geaccentueerd door een zwarte katoenen strechjurk die tot even boven haar knieën komt. Ze heeft gave, mooi gebruinde benen. Voor dat ik haar gezicht kon zien, liep ze al langs me heen. Wat rest, is uitzicht op een Goddelijk bouwwerk van de achterkant. Omdat ik me sterk bewust ben van mijn primitieve focus, besluit ik niet langer te kijken. Ik ben immers geen Neanderthaler. Bovendien schuif ik zo aan tafel bij moeder de vrouw.

 De blonde dame is al weer uit mijn gedachten, als ze geheel onverwacht weer langs komt wandelen. Ze luistert naar muziek en gunt me ogenschijnlijk geen blik waardig. Haar blonde opgestoken haren omlijsten een fijn, maar gesloten gezicht. Ze gaat op anderhalf meter van me staan, leunend tegen hetzelfde hekwerk en kijkt ook naar de mannen.

Mijn aandacht geldt niet meer de werkzaamheden. Ik voel me ongemakkelijk omdat ze in mijn aura staat. Ik weet niet of ik dat aangenaam moet vinden. Hoewel ik de blonde femme fatale nu beter kan bekijken, stoort het me dat ze zo dicht bij me staat. Andere mensen staan minstens twintig meter verder. Waarom zo dichtbij? Wat moet ze van me?

Volgens mij zeggen ongeschreven regels in liften en ruimtes dat onbekenden altijd een plaats zoeken op gepaste afstand zodat de ruimte gelijkelijk is verdeeld tussen de mensen. Volgens deze ongeschreven regel had ze tien meter van me af moeten staan. Nu voel ik haar lichaamswarmte bijna, of wordt de verhitting veroorzaakt door mijn eigen psychische onbehagen.

 ‘Naar wicht’ denk ik, terwijl ik haar en profil begluur. Lange wimpers zie ik en een gedistingeerde make-up, zeker niet ordinair.

‘Zit daar een beetje ongenaakbaar te zijn in mijn aura.’

Haar ronde vormen worden nu ook door andere voorbijgangers waargenomen, zowel door mannen als vrouwen.

Een van hen kijkt jaloers en lijkt het leeftijdsverschil van bijna twintig jaar niet te kunnen bevatten. Ik wil hem naroepen dat hij dit goed zit, maar voel me ook een beetje trots.

‘Och, misschien is ze alleen onzeker en zoekt ze de nabijheid van een vaderfiguur en niet de drukte van meerdere reizigers’, vergoelijk ik haar gebrek aan fysieke distantie.

Mijn vaderlijke gevoelens verdwijnen echter als sneeuw voor de zon als ik haar delicate parfum waarneem.

‘Wat is het reukorgaan toch een sterk onderschat zintuig.’

Haar fijne neusje prijkt arrogant in de lucht en mij heeft ze nog niet zien staan.

‘Zou er zoiets bestaan als auravredebreuk’ vraag ik me af.

Ik vrees dat je hiermee niet bij de politie kunt aankomen en als ze de hemelse verschijning van de verdachte zien, zullen ze me zeker besmuikt uitlachen.

 ‘Ben ik nu een gevaar voor deze dame of is deze dame nu fataal voor een onschuldige 44- jarige penopauzer?’

Ik voel me bijna verplicht een openingszin te plaatsen, maar ik heb net gerookt, ik heb geen verstand van mode om een compliment over haar kledingkeus te geven en een seksuele toespeling over haar ronde vormen is natuurlijk per definitie ongewenst, nog daargelaten of ik dat zou durven.

In Brazilië is er een spreekwoord voor als je Rio de Janeiro bezoekt. Naast allerlei wereldlijk vermaak in de metropool, kun je je ogen wassen door naar al het fraaie vrouwelijke schoon te kijken dat rijkelijk paradeert in de straten en op de boulevards.

 Deze gedachte brengt de rust weer bij me terug en durf nu zonder gêne de jonge vrouw te observeren.

‘Vergis ik me nu, of is de vrouw iets meer ontspannen?

Een vage glimlach krult haar lippen en maakt haar iets minder ongenaakbaar. Of is de licht spottende lach naar mij gericht? Heeft ze me door?

Het kan me ook niet schelen, ik heb de zekerheid dat ik met gewassen ogen thuis kom en dat is toch ook wat waard. Eenmaal in de trein raak ik haar kwijt.

Ze stapt niet tegelijkertijd uit. Lopend langs de raampjes, zie ik haar weer zitten. Ze gaapt en wrijft in haar ogen, vast een vuiltje. Waar zal zij dan naar gekeken hebben?

 

Scharen?

De onschuld van een 43 jarige man kan ik met geen enkele formule definiëren, maar er zijn momenten dat ik dat stadium, mogelijk onbewust, wel eens benader. En al klinkt het ongeloofwaardig, hedenmiddag was zo’n moment. Nog snel even een vergeten boodschap doen en met de lentezon op mijn gezicht fiets ik rustig in een zorgeloos vacuüm. Dit is een staat van zijn, die helaas maar zelden voorkomt, bij mij in ieder geval niet.

Bij het naderen van de supermarkt in de buurt zie ik groepjes jeugdigen zich ophouden op het pleintje. Zij hebben ook de lente ontdekt. Nu weet ik dat er mensen zijn bij wie meteen alle alarmbellen gaan rinkelen bij het ontwaren van bij elkaar klittende jeugdpuistjes. Dat gevoel heb ik nooit. En met de huidige eufore stemming al helemaal niet. Ik stal mijn fiets in de directe nabijheid van twee meisjes die zitten te keuvelen met een onnozelaar op een brommertje.

Nu gebied de eerlijkheid mij te zeggen dat een categorie pupergrietjes nog wel eens heel akelig onverwacht uit de hoek kan komen, zeker als ze met meer zijn. Ze kijken in je richting, lachen soms besmuikt, maar vaker gieren ze het uit van de zenuwen. Meestal blijft het bij een geforceerde groet door de heldhaftigste van het stel die heel hard zegt:

“Dag mijnheer”

Een neutrale droge tegengroet, blijkt meestal voldoende te zijn voor een oorverdovend gegiebel van het hele stel, maar daarmee is voor mij de ergste ellende ook voorbij.

Een van de meisjes zit met de rug naar mij toe op een fietsenrek, terwijl de brommerpukkel van het ene meisje naar het andere meisje kijkt. Mijn inschatting is dat hij een keus wil maken wie hij het leukste vindt. Maar voorlopig zal hij de hond nog in de pot vinden, denk ik. Uit haar ooghoeken neemt het tweede meisje me waar. En ja hoor, daar begint het giechelen al. Ze smiespelt iets tegen haar vriendin, die meteen haar gezicht naar me wendt. Beide meisjes zijn dertien, misschien veertien jaar oud. De hoeveelheid make-up laat ze beslist niet ouder lijken. Nu is het giechelen in stereo, terwijl de jongen op zijn brommer emotieloos blijft kijken. Hij lijkt de lol er niet van in te zien of meer waarschijnlijk hij begrijpt er helemaal niets van. Dat deel ik dan met de jongeman, hoewel ik mezelf veel minder onnozel vind.

Met dat ik naar de winkel loop, vraagt het meisje, nu weer met de rug naar me toe.

‘Mijnheer, mijnheer, weet u wat scharen is?’

De gierende uithaal van beide dames hoor ik amper, terwijl ik wel zie dat de jongen zich ietwat ongemakkelijk begint te voelen.

‘Misschien toch maar geen van beide dames zie je hem denken.’

In mijn inmiddels niet zo zorgeloze gemoedstoestand, werken mijn hersenen op volle toeren. Wat moet ik antwoorden, het mag niet al te sukkelig lijken. Een joviaal antwoord met spitsvondigheden is aan mij nooit besteed. Dat weet ik van mezelf. De humor komt altijd pas achteraf.

‘Scharen’ dat is een woord dat ik diep uit mijn geheugen moet graven. Het woord zoals de premature bakvissen het bedoelen, maakt geen deel uit van mijn dagelijkse vocabulaire. Het staat buiten kijf dat binnen de damesliefde de terminologie uitgebreider is dan ik mogelijk kan bevroeden, maar het woord ‘scharen’ is me bekend.

Ik kan natuurlijk zeggen dat het een naaiwerktuig is, maar in deze context helemaal fout natuurlijk. Bovendien is het in deze tijd ongepast dat een veertiger aan wildvreemde meisjes seksuele voorlichting gaat zitten geven, hoe onschuldig de man ook is.

Deze zaken bedenk ik me in luttele seconden en op de automatisch piloot probeer ik zo olijk mogelijk te zijn door te zeggen:

‘Scharen? Dames, ik zou niet weten.’

Terwijl ik nonchalant doorloop, krijg ik meteen repliek van de kinderen.

‘Dan moet u dat uw vrouw maar vragen, die weet het vast wel.’

Kijk, daar zie ik de humor dan wel weer van in, ondanks de grofheid die de opmerking in zich herbergt. Maar zouden ze wel beseffen hoe onhoffelijk en beledigend zo’n opmerking naar mij is? Ik denk het niet en kijk de meisjes even aan trek mijn wenkbrauw omhoog en loop stoïcijns verder. De jongen wendt zijn gezicht af, want ondanks zijn onnozelheid lijkt hij te beseffen in welke genante vertoning hij zelf onderdeel is geworden. Hoewel ik me afvraag of hij wel weet wat ‘scharen’ is.

Terwijl ik me onder het winkelende publiek schaar, overweeg ik even twee kinderschaartjes te kopen en ze aan de meisjes uit te reiken. Maar ik besef dat dit misschien aanzetten is tot onoorbare acties bij minderjarigen en dat wil ik niet. Ik had ze natuurlijk ook kunnen verbeteren in hun Nederlandse taalgebruik.

‘Scharen is meervoud, dus de vraag moet zijn ‘Mijnheer, scharen wat zijn dat.’ En dat weten jullie toch wel als meisjes van elf of twaalf jaar.’

Want dat vinden ze niet leuk als je ze jonger inschat. Ik voel dat de humor zich in mij begint los te wrikken.

Ik moet echter maar enkele boodschappen, dus ik ben al snel weer bij mijn fiets. De meisjes giechelen nog een beetje en eentje krijgt zelfs blosjes op haar wangen van schaamte. De jongen kijkt omstandig naar het motorblok van zijn brommer. Zelfs daar lijkt hij amper iets van te begrijpen.

En ik, ik stap heel volwassen op mijn fiets, geniet nog wel van de lentezon, maar het onschuldige gevoel is wel helemaal verdwenen.

Klaar zijn of klaar komen?

Driftig hoort de wandelaar een fietsbel achter hem rinkelen. Hij stopt even om plaats te maken, maar eigenlijk is dat niet nodig, want er is genoeg ruimte om te passeren. Een zeventiger peddelt langs met een korte hoofdknik, ook al zo driftig.

“Het ongeduldige bellen past bij de man’, constateert de wandelaar.

Een blozend gezicht met felle oogjes achter een zilver brilmontuur en natuurlijk goed ingepakt tegen de winterse frisheid. Hij fietst op een moderne herenfiets in een iets te felle kleur blauw.

Koninklijk fiets hij vooruit. Want, merkt de wandelaar, op een bescheiden afstand van twintig meter komt nog een fietser. Dit keer een vrouw. Ook goed aangekleed tegen de kou en gezeten op een soortgelijke blauwe fiets, alleen een damesmodel uiteraard. Ze kijkt lijdend, alsof het van haar allemaal niet zo nodig hoeft. Liever had ze thuis bij de verwarming gezeten.

‘Schiet nou op,’ klinkt het voor haar, terwijl de man kwaaiig omkijkt en drukke handgebaren maakt.

De wandelaar loopt verder terwijl hij tegen twee zwoegende ruggen aankijkt, de een boos en de ander lijdzaam berustend. Langzaam verdwijnen ze uit zijn beeld. De wandelaar kan zich zo een voorstelling maken hoe het die ochtend gegaan is. De man gaat naar het schuurtje toe en controleert de fietsen die de hele winter werkeloos binnen hebben gestaan. De vrouw beziet het vanuit haar leesstoel en heeft al bange vermoedens. Haar man is de hele winter al ongedurig geweest. Het was geen weer om er uit te gaan. Gisteravond op het journaal hoorde ze hem al goedkeurend knikken toen de dame van het weerpraatje aankondigde dat het ’s ochtends zonnig zou zijn met temperaturen even boven nul.

‘Veel te koud voor een oud wijf als ik’, had ze nog gedacht.

Die ochtend begreep ze het knikken van haar man. Die heeft geen zitvlees en de goede maanden komen er weer aan, dus wordt het fietsen en ze moet mee. Zij heeft immers de koffiekan en broodjes bij zich.

‘We gaan fietsen, het is genoeg met het geluiwammes’ hoort ze bij de achterdeur.

Er tegenin gaan heeft geen zin. Bovendien zo gezellig is het thuis ook niet met die humeurige man van haar. Bijna vijftig jaar zijn ze bij elkaar en het is zoals het is. Dat is haar levensvisie geworden.

‘Gaan we nog wel naar de kerk, het is Aswoensdag.’

Ze krijgt geen antwoord, maar neemt het voor een bevestiging. Ze heeft een rotsvast vertrouwen in haar geloof en meestal gaat ze nog wel naar de kerk. Tenminste als er niet zo’n onbekende pastor is met moderne verhaaltjes. Dat vindt ze niets. Die ochtend kan ze het askruisje ophalen. Dat past zo lekker bij haar levenshouding.

‘Stof zijt Gij en tot stof zult Gij wederkeren’.

De oude pastoor zal het zachtjes zeggen, maar desondanks zullen zijn woorden maar langzaam wegsterven in de bijna lege kerk. Prachtig vindt ze dat, zo lekker rustgevend. Rust en een relativerende houding zijn hard nodig met zo’n brombeer in huis.

‘Zo moet het ongeveer gegaan zijn’ glimlacht de wandelaar die opgaat in zijn fantasie.

Hij kent dat soort stellen maar al te goed. Na vijftig jaar is er niet zoveel meer te veranderen, denken de meesten. Ze berusten in zoals het is. Misschien is dat wel goed zo.

Hij moet denken aan een liedje van de band ‘The Frames’  met People all get ready.’

We have all the time in the world
To get it right, to get it right
We have all the time in the world
To set alight, to set alight

De vrouw is ogenschijnlijk klaar en heeft de berustende tijd. De man is er nog niet klaar mee blijkbaar en wil vooruit, maar waar naar toe? Na tien minuten wandelen, ziet hij de twee besluitloos bij een kruising staan. De man wil verder, maar de vrouw geeft te kennen dat ze het koud heeft en het liefst terug wil. Het is een discussie met ingehouden woede en frustratie aan zijn kant. Zodra het fietsbaasje de wandelaar ziet, lacht hij de hem toe als blijk van herkenning. Alleen de mond lacht, de rest van het gezicht doet niet mee.

‘Derde keer trakteren’, groet hij joviaal.

De wandelaar lacht terug en knikt even kort naar de vrouw en loopt verder. Hij zal niet weten of de korte of de lange route genomen is. Hij denkt nog even na over het stel en over de vergankelijkheid van het leven in het algemeen en van sommige relaties in het bijzonder. De Rooms Katholieke Kerk heeft het nooit over de vergankelijkheid van relaties, want immers wat God verbonden heeft, zal de mens niet scheiden. Voor ondeugdelijke relaties die dood zijn, is er immers geen equivalent van het askruisje.

‘En wie ben ik trouwens om dit stel te veroordelen.’

We have all the time in the world
To get it right, to get it right
We have all the time in the world
To set alight, to set alight

Na ruim een uur te hebben gelopen is hij terug bij zijn hotel, als hij aan de overkant van de weg het oude paar langs ziet lopen. Beide met de fiets aan de hand. Hij loopt nog steeds voorop, maar nu niet meer zo koninklijk. Hij heeft een lekke band. De man kijkt naar de wandelaar zonder hem te zien.

‘De fietscontrole van die ochtend is niet afdoende geweest’, mompelt de wandelaar vals.

Hij kijkt naar de vrouw en ontwaart een flauwe glimlach op haar mond. Op het moment dat de vrouw en de wandelaar elkaar aankijken, trekt ze haar wenkbrauwen licht spottend omhoog als teken van herkenning. Ze heeft iets triomfantelijks in haar houding. De man ziet het niet.

“Van trakteren zal wel niet veel meer komen, ik haal mezelf maar een warme kop koffie.’ En de wandelaar loopt naar binnen.

People all get ready
‘Cos we’re tearing down the stand
Rebuild what’s gone unsteady
And see it through with newer hands
And what has gone between us
Is a lot, is a lot
And who’ll be there to clean us
If you’re not, if you’re not

People all get ready
‘Cos we’re breaking down again
Rebuild what’s gone unsteady
And see it through with wiser hands
And what has gone between us
Is a lot, is a lot
And who’ll be there to ignore us
When you’re not, when you’re not

We have all the time in the world
To get it right, to get it right
We have all the time in the world
To set alight, to set alight

People all get ready
‘Cos we’re breaking down the band
Rewrite what’s gone already
And see it through with wiser hands
And what has gone between us
Is a lot, is a lot
And who’ll be there to ignore us
When you’re not, when you’re not

And we have all the time in the world
To get it right, to get it right
And we have all the love in the world
To set alight, to set alight
Just look up, just look up

We have all the time in the world
To get it right, to get it right
And we have all the love in the world
To set alight, to set alight
Just look up, just look up

We have all the time in the world
To get it right, to get it right
And we have all the love in the world
To set alight, to set alight

K*tjelekker25, veel is er in veertig jaar niet veranderd

De herinnering aan je eigen geboorte is voor de meeste mensen een onmogelijke opgave. Tenminste, dat is mijn mening, al beweren kleine groepjes spirituelen het tegendeel. Je eigen komst op Aarde is een enorme leegte die hooguit opgevuld kan worden met de informatie die je ouders kwijt willen. In mijn tijd was het nog niet gebruikelijk van de bevallingssereniteit een multimediaal circus te maken om de kraamvisite te trakteren met foto’s en video’s van het moment suprême. Ik geloof dat ik niet rouwig ben over het gemis van de beelden van mijn Aardse landing.

In tegenstelling tot de geboorte, behoort een bezoek aan je geboorteplaats wel tot de reële mogelijkheden. In mijn geval is dat Heel, nabij Roermond. Soms zijn er momenten dat je heel even een glimp wil opvangen van het huis waar het eens allemaal begon. Een rationeel argument voor deze oprisping kan ik niet bedenken. Maar goed, de ratio van het leven zelf is niet altijd even gemakkelijk, echter omdat levenstwijfel zo’n vermoeiende bezigheid is, zoeken we maar naar wat verstrooiing. Bijvoorbeeld in een weekend met je zoon langs je geboortehuis rijden. In het Limburgse Heel dus.

Welwillend zit je zoon naast je in de auto, na een lunch op het marktplein in het nabij gelegen Belgische Maaseik. Samen keuvelen we een beetje, de radio is aan met hedendaagse muziek. Het is behaaglijk warm in de wagen, in tegenstelling tot de natte waterkou in het Limburgse Maaslandschap.

‘ Zullen we even naar mijn geboortehuis rijden?’

‘ Is goed, maar zijn we daar acht jaar geleden ook al niet geweest?’

‘ Goh, weet je dat nog?’

‘ Ja, maar ik wil er nog wel eens heen.’

Bij binnenkomst in Heel is het noodzakelijk om de plaatselijke plattegrond even te raadplegen, want de weg weet ik niet meer. Ik heb dan ook maar 18 maanden in Heel gewoond. De zachte G is dan ook niet aan me blijven kleven. Gelukkig is het een klein dorpje en het adres is zo gevonden.

Ondertussen vermaakt mijn zoon zich met het lezen van de routernamen in de omgeving. Via zijn mobiele telefoon kan hij al rijdend alle draadloze internetverbindingen traceren. Vaak hebben deze verbindingen voor de hand liggende namen die refereren naar de naam van de bewoners van het pand. Het was ons al opgevallen dat naast Janssen, de naam Gijssen en Hendriks veelvuldig voorkomen. Soms wordt slechts het adres de routernaam en in enkele andere gevallen is er iets creatievers bedacht.

‘ Pierke, Ge Fransen, vlaaibaai, Janssen.’

De namen in Heel worden opgelezen via het mobiele wonder van mijn zoon.

‘ We zijn er bijna.’

Mijn zoon kijkt op en zegt terecht dat het niet zo’n beste buurt is.

‘ Och, dat valt wel mee,’ zeg ik tegen beter weten in.

De vorige keer was het me al opgevallen dat de straat waarin ik geboren ben er wat sjofel uitzag.

‘ Gewoon een arbeidersbuurt, niets mis mee.’

Mijn ouders, komend van ver buiten Limburg, waren altijd erg content met het nieuwbouwhuis dat zij toentertijd betrokken,. In de tijd van woningnood van de jaren zestig was een knap huisje belangrijker dan een baan. Toen het huis via een landelijke advertentie gevonden was, werd de baan er gewoon bijgezocht.

‘ Frans Schoenmaker, Arie&Truus, Kutjelekker……….hè?

Mijn zoon barst in lachen uit.

‘Die zijn niet wijs, Kutjelekker25, dat doe je toch niet? Wat een kansloze lui. Op welk nummer ben jíj geboren pa?’

‘ Op nummer 25.’

De hilariteit was compleet. Met een korte blik op het huis, de vleselijke voorkeur van de huidige bewoners tonend, rijden we maar door, de verloedering achter ons latend.

‘ Het is niet meer wat het geweest is,’ verweer ik me zachtjes zonder dat mijn zoon het hoort.

De laatste zin blijft in mijn hoofd hangen. Hoe was het eigenlijk, toen, in het jaar 1966?

Over Heel heb ik altijd lovende verhalen gehoord als het gaat om het eerste huis van mijn ouders. De omgeving vonden ze bovendien geweldig, maar daarmee hield de loftrompet over Heel eigenlijk wel op.

Ze kwamen uit Amsterdam en Utrecht en hadden inmiddels geroken aan de vrijheden die beginjaren zestig aan het ontluiken waren in Nederland. Zelf kwamen ze beide uit degelijke katholieke gezinnen uit het oosten des lands, dus eerst netjes trouwen en dan pas samenwonen. Met deze Roomse bagage dachten ze het wel te redden in Limburg. Het viel wat tegen. Mijn moeder heeft nog een tijdje gewerkt als verpleegkundige in een verzorgingstehuis voor nonnen. Menigmaal heb ik het verhaal gehoord dat de oude besjes pas dan bediend werden, hetgeen voor een plaats in het Hemelse Rijk een voorwaarde was, als het testament aan de kerk werd overgemaakt. Mijn vader was als gediplomeerd verpleegkundige aangetrokken in de zwakzinnigenzorg dat tot die tijd bestierd werd door Broeders. Ik durf niet te zeggen van welke orde ze waren, maar Broeders van Liefde voor de verstandelijk minderbedeelden waren ze zeker niet. Het vergelijk met het hedendaagse Roemenië wil ik niet maken, maar veel beter was het niet. Waarschijnlijk wel schoner, maar daar was dan ook alles mee gezegd.

In het Roomse Heel was het toen nog zeer ongebruikelijk om weerwoord te bieden tegen de geestelijkheid. Maar met diploma en eigentijdse kennis op zak, heeft mijn vader dat toch met regelmaat gedaan. Het is hem uiteindelijk duur komen te staan.

Naast de werkkring, beleefden ze ook weinig vriendschappelijke contacten met dorpsgenoten, uitzonderingen daargelaten. Ze waren ‘Òlanders’ en voor de gemiddelde bewoner van Heel deugden de Maastrichtenaren eigenlijk al niet. Mijn ouders hadden het gevoel dat ze met de nek aan werden gekeken. De hang naar hun beider roots werd snel groter. Een telefoon hadden ze nog niet, want voor een aansluiting moest rekening worden gehouden met een wachttijd van twee jaar of meer. Noodgedwongen fietste mijn vader met enige regelmaat naar het nabij gelegen Thorn om met de familie te bellen. Het alternatief was de telefoon in het plaatselijke postkantoor waarbij iedereen kon meeluisteren.

Hoewel het aan hun kerkgang niet heeft gelegen, hebben ze snel na de geboorte van mij en mijn broertje het Rijke Roomsche Limburg achter zich gelaten.

Een van de positieve uitzonderingen was de buurvrouw van mijn ouders, die van nummer 23. Niet dat ze goede vrienden zijn geworden, maar toch ze hadden een band, vooral mijn vader. Uiteraard met volledige instemming van mijn moeder. De buurman is een ander verhaal. Die zoop en sloeg zijn vrouw. Tegenwoordig zouden we dat huiselijk geweld noemen, toen blijkbaar niet. Ook ‘Blijf van mijn lijf’ huizen waren nog niet in zwang. Deugdelijke zwakzinnigenzorg moest trouwens nog uitgevonden worden.

De buurvrouw en buurman bleven gewoon bij elkaar en mijn ouders konden ongewild delen in lief en leed van het Limburgse burenpaar. Ik weet niet of de buurvrouw een knappe verschijning was. Ze had ze in ieder geval niet allemaal op een rijtje. Zo liep ze iedere keer naar buiten als mijn vader de tuin aan het sproeien was. De planten moesten nog groeien, het waren immers nieuwbouwhuizen, dus van enige privacy was geen sprake, daaraan werd gewerkt middels het sproeien. Ze bukte zich omslachtig met haar achterste naar mijn vader, die uiteindelijk bezweek voor de verleiding en de tuinslang richtte op de billen van de buurvrouw, die het uitgilde van plezier.

Op zondag had ze echter andere verplichtingen. Na de kerkgang gingen de dorpsbewoners uiteraard naar de kroeg of naar de kruidenier, die toen nog open was. Een enkeling had andere plannen. Via het achterommetje klopte ze bij de buurvrouw aan, om een half uur later weer te verdwijnen. Of buurman hier weet van had, vertelt het verhaal niet. Hij zat op dat moment in de kroeg, misschien wel van het geld dat zijn vrouw verdiende.

Eenmaal vergiste zich een klant en klopte bij mijn moeder aan met de vraag in onvervalst Limburgs:

‘ Doet de naaimachine het nog een beetje?’

Hij is onverrichter zaken weggegaan.

‘Kutjelekker25, kutjelekker25………’

Eigenlijk is er niet zoveel veranderd in die ruim veertig jaar. Toen was het ‘kutjelekker23’. Het was nog niet via een mobiel te traceren, maar veel katholieke mannen uit Heel wisten het wel degelijk te vinden.