Faal ik als baasje door mijn pup seksuele voorlichting te onthouden?

Sinds een aantal weken hebben wij een gezinshond, een pup. Een kruising tussen een golden retriever en een koningspoedel. Pippa is de naam en dank u voor de felicitaties. Bij volle verstand heb ik ja gezegd tegen mijn huisgenoten die voor een belangrijk deel enthousiaster waren dan ik, maar een man een man, een woord een woord, dus mijn ja is een ja en ik ben sinds enkele weken ‘een baasje‘.

Een pup dus, inmiddels bijna drie maanden oud. Het is wennen, maar ik doe mijn best. Wandelen doet het nog niet zo veel, dat schijnt niet goed te zijn. Eten doet het des te beter en daarmee ook groeien. Het lijkt al een heel beestje, maar het schijnt nog 4x zo zwaar en groot te worden. En bij eten en groeien hoort natuurlijk ook poepen. Mijn reserves jegens een hond betrof vooral het eindproduct van de poepfabriek. Menigmaal heb ik honden en hun bezitters vervloekt als ik weer eens tussen de ribbels van mijn schoenen, of die van de kinderen, poep moest weghalen. Ik vervloekte de baasjes van de mormels en de honden zelf mochten van mij massaal op de menu-kaart van de plaatselijke Chinees. Peking-hond schijnt zalig te zijn.

Het beestje van ons is de eerste weken door de moederhond groot gebracht. Ze heeft een belangrijk deel van de zindelijkheidstraining daarmee al gehad. Helemaal goed gaat het nog niet, maar de krant bij de drempel van de deur zorgt voor beperking van de overlast. Als wij als baasjes en vrouwtje de signalen niet helemaal oppakken, dan weet ze haar plek. Lukt dat wel, dan snellen wij ons naar de achtertuin met Pippa uiteraard. Het gebruik van een geïmproviseerde hondentoilet is nog niet gelukt, maar haar poeperij in de achtertuin is weliswaar vies, maar overzichtelijk te kuisen. ’s Avonds brengt het qua lichtvoorziening kleine hindernissen met zich mee. Maar het kleine baasje zorgt voor een ‘app’ op mijn mobiel en Pippa kan met haar zwarte verschijning ook in het donker gevolgd worden. Ik voel me al een heel baasje.

Zo ook gisteravond, het ritme van eten en poepen begint steeds vastere vormen aan te nemen. Een seintje van Pippa en ik pak mijn mobiel en snel een sigaret en het nuttige kan met het ongezonde verenigd worden. Al lopend met mijn zaklampmobiel in de ene hand en de sigaret in de andere hand laten Pippa en ik elkaar ’s avonds uit. Echter gisteravond kwam ze niet meteen terug, ook niet na het rammelen met de hondensnoepjes. Ze was al wat onrustig door de ontdekking van een kikker, eerder die avond, maar nu leek ze echt in een ongewone staat van opwinding.

Ik vond haar in de periferie van de tuin, opgewonden korte blafjes uitstotend. Door de takken heen liep ik naar een stapel stenen en zag de oorzaak van de opwinding. Een parend kikkerstelletje werd belaagd door onze hond.

Wat moet ik doen? Moest ik snel mijn handen voor haar ogen doen, want seksuele voorlichting is toch wel wat vroeg voor een 13 weken oude pup. Moest ik de natuur zijn gang laten gaan, waarbij het recht van de sterkste gewoon geldt? Of zal ik het liefdesgeluk moeten beschermen tegen ons mogelijk te vroegrijpe Pippa. Ik wist het niet. In het donker maakte ik dus snel wat foto’s en dat was een hele opgave, want zaklamp en fotograferen gaat niet tegelijkertijd. Het resultaat van wat vrijblijvend flitsen ziet u op dit blog. Het feitelijk resultaat van de natuur in onze tuin kan ik als volgt omschrijven:

  1. De opwinding bij Pippa was groot, de mate waarin ze getraumatiseerd is, is nog onbekend.
  2. De kikkers wisten ongeschonden, en in een blijvende coïtus, te vluchten naar de vijver bij de buren.
  3. En ik heb een blogje erbij.

Je maakt wat mee als baasje. Onder stilzwijgende goedkeuring ligt ze naast mijn stoel en wordt dit blogje geschreven. Haar bijnaam is inmiddels ook al Zwarte Zwabber.

Scharen?

De onschuld van een 43 jarige man kan ik met geen enkele formule definiëren, maar er zijn momenten dat ik dat stadium, mogelijk onbewust, wel eens benader. En al klinkt het ongeloofwaardig, hedenmiddag was zo’n moment. Nog snel even een vergeten boodschap doen en met de lentezon op mijn gezicht fiets ik rustig in een zorgeloos vacuüm. Dit is een staat van zijn, die helaas maar zelden voorkomt, bij mij in ieder geval niet.

Bij het naderen van de supermarkt in de buurt zie ik groepjes jeugdigen zich ophouden op het pleintje. Zij hebben ook de lente ontdekt. Nu weet ik dat er mensen zijn bij wie meteen alle alarmbellen gaan rinkelen bij het ontwaren van bij elkaar klittende jeugdpuistjes. Dat gevoel heb ik nooit. En met de huidige eufore stemming al helemaal niet. Ik stal mijn fiets in de directe nabijheid van twee meisjes die zitten te keuvelen met een onnozelaar op een brommertje.

Nu gebied de eerlijkheid mij te zeggen dat een categorie pupergrietjes nog wel eens heel akelig onverwacht uit de hoek kan komen, zeker als ze met meer zijn. Ze kijken in je richting, lachen soms besmuikt, maar vaker gieren ze het uit van de zenuwen. Meestal blijft het bij een geforceerde groet door de heldhaftigste van het stel die heel hard zegt:

“Dag mijnheer”

Een neutrale droge tegengroet, blijkt meestal voldoende te zijn voor een oorverdovend gegiebel van het hele stel, maar daarmee is voor mij de ergste ellende ook voorbij.

Een van de meisjes zit met de rug naar mij toe op een fietsenrek, terwijl de brommerpukkel van het ene meisje naar het andere meisje kijkt. Mijn inschatting is dat hij een keus wil maken wie hij het leukste vindt. Maar voorlopig zal hij de hond nog in de pot vinden, denk ik. Uit haar ooghoeken neemt het tweede meisje me waar. En ja hoor, daar begint het giechelen al. Ze smiespelt iets tegen haar vriendin, die meteen haar gezicht naar me wendt. Beide meisjes zijn dertien, misschien veertien jaar oud. De hoeveelheid make-up laat ze beslist niet ouder lijken. Nu is het giechelen in stereo, terwijl de jongen op zijn brommer emotieloos blijft kijken. Hij lijkt de lol er niet van in te zien of meer waarschijnlijk hij begrijpt er helemaal niets van. Dat deel ik dan met de jongeman, hoewel ik mezelf veel minder onnozel vind.

Met dat ik naar de winkel loop, vraagt het meisje, nu weer met de rug naar me toe.

‘Mijnheer, mijnheer, weet u wat scharen is?’

De gierende uithaal van beide dames hoor ik amper, terwijl ik wel zie dat de jongen zich ietwat ongemakkelijk begint te voelen.

‘Misschien toch maar geen van beide dames zie je hem denken.’

In mijn inmiddels niet zo zorgeloze gemoedstoestand, werken mijn hersenen op volle toeren. Wat moet ik antwoorden, het mag niet al te sukkelig lijken. Een joviaal antwoord met spitsvondigheden is aan mij nooit besteed. Dat weet ik van mezelf. De humor komt altijd pas achteraf.

‘Scharen’ dat is een woord dat ik diep uit mijn geheugen moet graven. Het woord zoals de premature bakvissen het bedoelen, maakt geen deel uit van mijn dagelijkse vocabulaire. Het staat buiten kijf dat binnen de damesliefde de terminologie uitgebreider is dan ik mogelijk kan bevroeden, maar het woord ‘scharen’ is me bekend.

Ik kan natuurlijk zeggen dat het een naaiwerktuig is, maar in deze context helemaal fout natuurlijk. Bovendien is het in deze tijd ongepast dat een veertiger aan wildvreemde meisjes seksuele voorlichting gaat zitten geven, hoe onschuldig de man ook is.

Deze zaken bedenk ik me in luttele seconden en op de automatisch piloot probeer ik zo olijk mogelijk te zijn door te zeggen:

‘Scharen? Dames, ik zou niet weten.’

Terwijl ik nonchalant doorloop, krijg ik meteen repliek van de kinderen.

‘Dan moet u dat uw vrouw maar vragen, die weet het vast wel.’

Kijk, daar zie ik de humor dan wel weer van in, ondanks de grofheid die de opmerking in zich herbergt. Maar zouden ze wel beseffen hoe onhoffelijk en beledigend zo’n opmerking naar mij is? Ik denk het niet en kijk de meisjes even aan trek mijn wenkbrauw omhoog en loop stoïcijns verder. De jongen wendt zijn gezicht af, want ondanks zijn onnozelheid lijkt hij te beseffen in welke genante vertoning hij zelf onderdeel is geworden. Hoewel ik me afvraag of hij wel weet wat ‘scharen’ is.

Terwijl ik me onder het winkelende publiek schaar, overweeg ik even twee kinderschaartjes te kopen en ze aan de meisjes uit te reiken. Maar ik besef dat dit misschien aanzetten is tot onoorbare acties bij minderjarigen en dat wil ik niet. Ik had ze natuurlijk ook kunnen verbeteren in hun Nederlandse taalgebruik.

‘Scharen is meervoud, dus de vraag moet zijn ‘Mijnheer, scharen wat zijn dat.’ En dat weten jullie toch wel als meisjes van elf of twaalf jaar.’

Want dat vinden ze niet leuk als je ze jonger inschat. Ik voel dat de humor zich in mij begint los te wrikken.

Ik moet echter maar enkele boodschappen, dus ik ben al snel weer bij mijn fiets. De meisjes giechelen nog een beetje en eentje krijgt zelfs blosjes op haar wangen van schaamte. De jongen kijkt omstandig naar het motorblok van zijn brommer. Zelfs daar lijkt hij amper iets van te begrijpen.

En ik, ik stap heel volwassen op mijn fiets, geniet nog wel van de lentezon, maar het onschuldige gevoel is wel helemaal verdwenen.