Achter elke einder, is weer een andere…. op het Nesserpad

Eergisteren liepen we aan de andere kant van de autobaan en toen dacht ik het ook al. Wat zou er achter de horizon zijn? Vandaag had ik het nog sterker, de einder waren ook nog iets indrukwekkender. Nu is de einder met hele matige ogen toch al vrij snel dichterbij dan bij anderen, maar daar waar het wazig wordt, wil ik weten wat er verder is. Maar waarom? Als kind had ik dat ook al als je naar zee ging, kijkend richting ‘Engeland’ maar zo ver kwamen mijn ogen niet. Wel mijn fantasie natuurlijk.

Ik moest denken aan een liedje van het Klein Orkest:

En achter elke deur is weer een andere deur
Tegen sleur en zekerheid hoeveel lippen kun je kussen
En wanneer raak je iemand kwijt

Zo is het ook met de horizon die we vandaag blijvend tegemoet liepen. Willen we wel weten wat daar achter zit, hoeveel horizons kan een mens verdragen in het leven of hoeveel moet een mens doorstaan om een beetje vredig en rustig te kunnen lopen? Ik heb de antwoorden niet en als ze ik ze weet ben ik mogelijk een horizon te ver gegaan, maar dat weet je dan pas.

Vanuit het perspectief van de Grutto is het allemaal weer heel anders. Deze vogel heeft meer een totaaloverzicht van zijn leven en lijkt er wel tevreden mee te zijn. Maar o wee, wie in zijn territorium wil komen. Ik had de Grutto nog nooit zo veelvuldig gezien in Nederland. Ik moest wel lachen om de beestjes, want ze hebben wel een beetje hoogmoedswaanzin. Zodra we, zonder het te weten, bij hun nestjes kwamen was er altijd wel één die heel opzichtig boven ons lawaai zat te maken. Met een niet al te mooie stemgeluid probeerde de Grutto ons te verjagen, erg indrukwekkend. Een hoop lawaai om niets, want we hadden geen kwaad in de zin. Konden we maar communiceren, dan zouden we de Grutto’s geruststellen. Zij op hun beurt kunnen ons dan een tip van de sluier oplichten wat er aan de einder is.

(meer foto’s op Instagram account titiissprakeloos)

Ben ik pensioenproof op mijn 45e? Kan mij het schelen.

 

De conventie van Achlum: Wisseling van de wacht

Mei Li Vos 1970 (ex-politica)

Nynke de Jong 1985 (columniste o.a. Viva)

Kees de Lange 1943 (voorzitter NBP en 1e kamerlid)

 

Mijn (voor)oordeel

Ik geef het toe, mijn onderliggende motieven waren niet nobel. Integendeel, met een dijk van een vooroordeel, in mijn eigen optiek een goedbeargumenteerd oordeel, toog ik naar de eerste bijeenkomsten van de conventie van Achlum. Als vertegenwoordiger van de sociologische generatie Nix, kan het behoorlijk stieren in mijn hoofd als ik menig babyboomer hoor wauwelen.

Alleen al het gemak waarmee zij meehobbelen door te stellen dat het de ouderen zijn die het na-oorlogse Nederland hebben helpen opbouwen. Dat klopt, dat is de generatie van mijn ouders, in de jaren dertig geboren en aan de slag in de spruitjeslucht van de jaren vijftig, wonend bij hun ouders, ’s avonds bijstuderen en voor veel vrouwen nog gewoon de rol van huisvrouw. Dat is de opbouwgeneratie. Niet de mensen, met name de gestudeerden, die in de loop van de jaren zestig en zeventig hun vrijheden hebben opgeëist via demokratie met hoofdletter K alsmede seks met kapitalen. Dat zijn de mensen die, voordat de crisis in de jaren tachtig uitbrak, na tien jaar studeren hun gevestigde posities hadden ingenomen, met name bij de overheid en semioverheden, om ze vervolgens nooit meer af te staan. Dat zijn ook de mensen die vanuit hun verworvenheden nog dagelijks het morele gelijk verkondigen met een stelligheid en een vastgeroestheid die ongeëvenaard is. De generatie Drees sr. was vele male flexibeler in het overdragen van de macht en het hanteren van mededogen dan deze generatie ooit heeft gedaan.

De eerste jaargang van de na-oorlogse generatie behaalt nu de pensioengerechtigde leeftijd, de meesten genieten al jaren van een ‘Zwitserleven’ en nu moeten juist hun priveleges beschermd worden. Ik zie het al bijna twintig jaar dat menig sleutelpositie in de zorg, overheid en onderwijs door deze generatie wordt ingenomen. (de eerlijkheid gebied me te zeggen dat ik het ten aanzien van het bedrijfsleven niet durf te zeggen.) O ja, met een zweem van progressiviteit nemen de ouwe hippies jonge vrouwen aan. Moeder de vrouw heeft jarenlang gezorgd dat de heren hun carriere hebben kunnen maken, maar positieve discriminatie doet het wel lekker voor het (linkse) ego. En alsof dat nog niet genoeg is, ze zijn massaal aan de tweede leg gegaan, hun hardwerkende huissloven, maar onbemiddelbaar op de arbeidsmarkt geworden vrouwen, dumpend.

U ziet, ik chargeer en ben onredelijk, maar uit onredelijkheid de zaken boven tafel halen, maakt het wel duidelijk. In ieder geval het uitgangspunt van mijn keuze voor De wisseling van de wacht in Achlum moge duidelijk zijn. En natuurlijk heb ik het over sociologische grootheden, niet over individuen. Ik weet dat grote groepen vrouwen van die generatie het niet gemakkelijk hebben gehad. Ik weet dat wanneer je werkeloos of arbeidsongeschikt geraakte toch minder kon delen van die welvaartsruif.

DE BIJEENKOMST

Pensioenbewustzijn

Op het moment dat aan de jongste deelnemer, Nynke de Jong, wordt gevraagd of zij al bezig is met haar pensioen, hoor ik haar herkenbaar stamelen en het komt erop neer, eigenlijk niet. Toen ik na mijn studie noodgedwongen moest kiezen voor herscholing (psychiatrisch verpleegkundige) schrok ik me kapot dat ik bezig moest zijn met pensioen. Ik vond het bijna beledigend. Zelfs nu als 45-jarige kan mij nog een grote mate van naïviteit verweten worden, ondanks mijn academische status, of misschien wel dankzij die status. Ik heb nog nooit gekeken op “mijn pensioen”. Ik weet wel dat ik in 2008 bij wisseling van baan overging van PGGM naar ABP. Tenminste dat dacht ik, maar de kredietcrisis spookte al rond, en met een eenvoudige mail, die nu op een oude computer niet meer traceerbaar is, kreeg ik te horen dat de overgang tot nader order uitgesteld was. ‘Tja, ik moet er nog wat mee!’

En toch is het raar dat wij als individuen worden gedwongen om twintig, dertig, ja zelfs veertig jaar vooruit te kijken. Hoe is dat in godesnaam mogelijk? De politiek hangt van korte termijnbeslissingen aan elkaar. Zelfs in het bedrijfsleven weet men amper met welke producten over vijf jaar winst gemaakt gaat worden. Als sterveling wordt je geacht de sociale en economische grootheden in te schatten en op een nette manier voor je eigen oudedagsvoorziening te werken. Onwillekeurig moet ik altijd denken aan het liedje van het ‘Klein Orkest’. Later is al lang begonnen, sparend voor later ga je straks ook sparend dood.

Generatieconflicten

Tijdens de bijeenkomst is het waarneembaar dat er verschillende generaties bij elkaar zitten, maar wederzijds respect is zeker aanwezig. En dat is natuurlijk ook de basis om gezamenlijk verder te gaan. Typerend voor dit soort bijeenkomsten is ook altijd het standaard verhaal dat bij een van de aanwezigen loskomt. “Wij moesten al op ons vijftiende werken en hebben sindsdien onze financiële bijdrage geleverd.” Mei Li Vos komt, met voor mij op dat moment een onbekend, maar logisch argument dat de afdrachten toen van een heel andere orde waren dan de huidige bijdrage van werknemers. Dat is een argument dat ik moet onthouden. Voorts komt Kees de Lange met een statement dat hout snijdt: ‘We moeten anders gaan denken over ouderen in het arbeidsproces. We schrijven ze te snel af, de ouderen zichzelf, maar ook de werkgevers en collega’s.’ Heel terecht wijst hij op het feit dat er van de 60 plussers nog maar een beperkt aandeel werkt. Dat is er een om over na te denken, maar zijn oproep om de ‘ouwelullendagen’ af te schaffen, vind ik dan wat minder handig. Misschien werken ze wel stigmatiserend, maar aan de andere kant is, en dat ervaar ik in mijn eigen werkomgeving, het soms de smeerolie om langer door te gaan. Misschien moet dat in samenhang met demotie of in ieder geval het recht om flexibeler vakantiedagen te kopen. Ik ben van mening dat je meer individueel moet kijken en ook nadrukkelijk de overkoepelende sterke en minder sterke eigenschappen van een leeftijdsgroep in je beleid moet meenemen. Kees de Lange, ik dank u voor dit argument dat mijns inziens breder bekeken moet worden. En vooral vergrijzing niet meer als het grote probleem voor de toekomst zien, is daarmee ook in mijn hersenen geplant. Vergrijzing is een gegeven, maar niet een seperaat probleem.

Pensioengerechtigde leeftijd op 65 jaar.

De vergrijzing ten spijt, ik ben voorlopig geen voorstander om de pensioengerechtigde leeftijd op te krikken. Voor de goede orde, zelf ben ik met mijn 45 jaar nog niet niet op de helft van mijn arbiedszame leven. (NB. 45 jaar wordt in veel studies vaak gezien als het kantelpunt, onder die leeftijdsgrens wordt je nog als zeer bemiddelbaar gezien, daarboven moet je vooral blijven zitten waar je zit en verroer je niet, houd je adem in en wacht maar af.) In mijn geest heb ik me echter al verzoend dat ik tot 67 of langer moet doorwerken.

In mijn optiek moet er eerst wat anders gebeuren op de arbeidsmarkt. Hierboven is al aangekaart dat de groep 60 plussers langer moet gaan participeren. Het arguement van Mei Li Vos dat juist met het optrekken van de AOW leeftijd naar 67 hiervoor een (psychologische) bijdrage kan leveren, komt mij niet voldoende overtuigend over. Naast een grotere participatie van ouderen, moet er in Nederland veel nadrukkelijker gekeken worden naar andere groepen in de samenleving.

  1. Ik pleit voor een actief beleid voor een grotere deelname van vrouwen in het arbeidsproces. Waarom moeten mensen die tot hun 67e doorwerken, terwijl er hele grote groepen vrouwen parttime of niet bijdragen in het economische arbeidsproces?
  2. Geert Mak gaf het al aan in de opening van de conventie van Achlum. We moeten, puur uit eigen belang, veel beter kijken naar migratiestromen in de toekomst. Meisjes en vrouwen (maar ook mannen uiteraard) zoals de Afghaanse Sahar hebben we als samenleving in de toekomst heel hard nodig. Waarom kijken naar destructieve onderbuikgevoelens op korte termijn?
  3. Hoeveel jongeren en dan met name (allochtone) jongens, haken nu al af in het onderwijs. Dat wordt een enorme kostenpost als die testosteronbende jaar in jaar uit niet meedoet in het arbeidsproces. (uitkeringen, criminaliteit, ggz). Dit is een potentieel dat een bijdrage kan (en vooral ook) moet leveren aan de maatschappij en niet alleen als een last wordt gezien.
  4. Serieus bekijken van een mate van flexibilisering van de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld om de rechtsongelijkheid bij ZZP-ers weg te nemen.

Naast verbetering van de ouderenparticipatie in het arbeidsproces, zijn dit vier factoren die eerst bekeken moeten worden, voordat we heel stoer die leeftijd, om economische redenen, gaan zitten ophogen. Misschien moet het op termijn, maar om het met de walgelijke jeukterm samen te vatten: ‘First things first.’

Mijn naïeve eindconlusie

Wie ben ik om in deze materie tot conclusies te komen. Ik, een 45 jarige die geen overzicht heeft over zijn eigen (ogenschijnlijk) veilige pensioen. Ik moet nog 22 jaar en een glazen bol om in de toekomst te kijken heb ik niet. Trouwens, proef die zin eens: “Ik moet nog 22 jaar.” Het jargon van menig werknemer, en ook van mij. Ik zou eigenlijk moeten zeggen, ik mag, bij leven en welzijn, nog 22 jaar. En zo’n man wil met een eindconclusie komen? Ja!

Naar aanleiding van onder andere deze bijeenkomst in Achlum concludeer ik dat:

  • Vergrijzing niet als een seperaat probleem moet worden bekeken dat als een zwaard van Damocles boven ons hoofd hangt.
  • Dat er meerdere groepen in de samenleving zijn die hun bijdrage kunnen/ of zelfs moeten leveren aan het arbeidsproces.
  • Dat iedere leeftijdsgroep specifieke problemen heeft en aandacht behoeft, op het gebied van arbeidsparticipatie, maar ook op andere beleidsterreinen (huisvesting, gezondheid & scholing)
  • Dat meer gekeken moet worden naar de samenhang en context van groepsspecifieke aanpak en de groepen onderling.

Ik stel dus voor een nieuw ministerie in te richten. Ja, weer één. Geen ministerie van Jeugd&Gezin, geen ministerie voor Integratievraagstukken, geen ministerie voor Wijkopbouw en zeker geen ministerie voor het Zwitserlevengevoel. Nee, er moet een ministerie voor Demografische Beleidsontwikkeling komen. Deze conclusie behoeft op grond van bovenstaande betoog geen uitleg, het is een natuurlijk uitvloeisel van mijn bevindingen.

Ik concludeer dat, ondanks mijn negatieve insteek namelijk het ‘bashen van babyboomers’, er een constructief voorstel uitgerold is. Garanties om nu de rest van mijn (arbeidszame) leven nooit meer te schelden op andere generaties geef ik niet, maar een tikje genuanceerder heeft Achlum me wel gemaakt op dit punt. Maar voorlopig waait de vergrijzingswind nog niet over.

 

Later is allang begonnen Klein Orkest

Een stukje van maart 2009, maar uiteraard tijdloos. Dus een stukje relativering voor de verkiezingskoorts. Noemen we het wel koorts?

 Heden hebben we het zoveelste hoogtepunt mogen aanschouwen in het crisisgebeuren, het sociaal akkoord dat ons definitief zal beschermen tegen nieuwe economische catastrofes en ander financieel ongemak. U mag het ook het zoveelste dieptepunt noemen, het is maar van welke kant je het bekijkt. Morgen in het parlement kunnen we de poppenkast weer aanschouwen. Scherpe oneliners van Femke Halsema en Pechtold, ‘dikhoutzagenmetplanken’ retoriek van Agnes Kans. Ter rechterzijde vind ik persoonlijk de creativiteit iets minder, maar er is altijd een waterperoxide figuur die ongeacht de kwaliteit van zijn uitspraken kans maakt op de voorpagina’s van de kranten. En de coalitiepartijen? Die moeten zich vooral schamen, niet om dat het zo lang heeft geduurd, maar om de hoge mate van non-dualisme en gebrek aan kloten om met eigen standpunten te komen. Het zakenkabinet moet zijn intreden maar gaan doen, maar dit terzijde.

Eigenlijk wilde ik het helemaal niet over politiek hebben maar over de crisisgedachten en beleving. In de jaren twintig en dertig wist men niet hoe gek men moest doen. Wilde dansen, rare weddenschappen en vooral veel armoede ook. De jaren tachtig is het laatste voorbeeld van crisisbeleving. Het Fin du siècle gevoel heerste alom, reeds twintig jaar voor de millenniumwissel. Van die doemdenkerij heb ik in de negentiger jaren nooit meer iets gemerkt. Grote groepen hadden het in die tachtiger jaren niet breed en dat is, ondanks magistrale economische kengetallen de jaren daarop, niet veranderd. Toch was de crisis minder diep dan in de jaren dertig, natuurlijk vooral ook omdat ‘minder van heel veel, nog altijd genoeg is’. De geest van Koos Werkeloos heerste in de jaren tachtig. Het was bijna heroïsch om werkeloos te zijn, of liever gezegd baanloos.

En wat doen we qua muziek en lifestyle nu? Ik weet het niet. Ik ben naarstig op zoek gegaan naar een passend stukje muziek om het sociaal akkoord te vieren. Ik denk niet dat het gelukt is, toch komt, in de geest van Koos Werkeloos’ het nummer ‘Later is al lang begonnen’ van het Klein Orkest er voor mij heel dicht in de buurt.

Je zou zo graag een speler zijn maar je staat aarzelend langs de lijn, bang om op je bek te gaan.
Je durft niet te kiezen, je mocht eens verliezen. Zo bang om straks alleen te staan.

Dit slaat op het gehele kabinet, waarbij volgens mij voor Wouter Bos de druiven het zuurst zijn. JP staat weliswaar niet langs de lijn, maar nog steeds laat hij vooral zijn ingenomenheid zien dat hij een speler is, zonder echt op kwaliteiten een aanvoerder te zijn. Rouvoet, speelt in deze dagen echt een bijrol als waterdrager, die af en toe zijn eigen zure ranjasmaakje mag toevoegen.

Maar ergens halverwege kijk je om en krijg je spijt want levend voor morgen raak je nu je toekomst kwijt.
Dan ben je in de boot genomen door de zilvervloot. Sparend voor later, ga je straks ook sparend dood.

De crisis in optima forma staat in deze zinnen beschreven als het gaat om het maatschappelijke gevoel. Gaan we ons hart volgen of het verstand? Het is vooral het dilemma dat we nu moeten leven, plezier hebben, maar dat de angst voor de toekomst ons doet vergeten echt te gaan leven( = genieten).

En later is allang begonnen, later is allang begonnen.
Later is allang begonnen. En vandaag komt nooit meer terug.

Hetzelfde dilemma als hierboven, alleen meer toegespitst op het nu, dus minder algemeen. We leven inderdaad nu, maar moeten we daarom de rekening bij de volgende generaties leggen. Rechtse politici zullen dan vooral op begrotingsniveau praten, Groene politici over de milieuaspecten en linkse politici benadrukken dat de armen betalen om de toekomst van de rijken zeker te stellen. Welk uitgangspunt je ook neemt, vandaag neem je de beslissing voor later en vaak kun je die niet zomaar weer terugtrekken. De angst regeert dan echter.

Spelend op zeker, tegen alles ingeënt spring je braaf in het gelid. Het verlangen afgeleerd en je gevoel geamputeerd, blijf je zitten waar je zit.

En er wordt een apèl gedaan op het maatschappelijke gevoel, je moet meedoen in het belang van de maatschappij, in het belang van de politieke beslissingen, in het belang van de heersende elite, in het belang van wie dan ook, behalve jezelf.

De rest van het liedje van Harry Jekkers valt dan in herhaling, maar geen vervelende herhaling. Want de vragen en dilemma’s zijn voor denkende mensen terugkerende thema’s vooral in tijden van crisis, waarbij als vanzelfsprekend het geweten kritischer knaagt bij levensvragen. Ieders eigen existentie wordt minder vanzelfsprekend of in ieder geval niet meer vanzelfsprekend gelardeerd met exorbitante rijkdom die ons het denken doet vertroebelen.

Maar ergens halverwege, ik weet het zeker, krijg je spijt.
Want levend voor morgen raak je nu je toekomst kwijt. Dan ben je in de boot genomen door de zilvervloot. Want sparend voor later ga je straks ook sparend dood.

Want later is allang begonnen, later is allang begonnen.
Later is allang begonnen. En vandaag komt nooit meer terug, komt nooit meer terug.

 

Klein Orkest/ 26000 dagen – Middel tegen weltschmerzen

Hoe een column te beginnen als je kop helemaal vol zit en tegelijkertijd leeg is? Dat is de vraag die ik me stel. Ondertussen is de beginzin geschreven, maar had moeten zijn: ‘The day after the nigth before.’ Het kwaad is echter al geschied, dus we gaan gewoon door.

Ik ben u een korte verklaring schuldig om het begrijpelijk te maken. Met een oud-collega uit de verslavingszorg heb ik gisteren de achterstanden weggewerkt als het gaat om wederzijdse wetenswaardigheden in ons bestaan. Partnerkeuze, gezin, vakantieplannen en uiteraard het werken binnen de bureaucratie, die wij in Nederland zorg plachten te noemen, zijn in ruime mate aan bod gekomen. Kortom we bespraken het leven in al zijn aspecten, eerst bij mijn zeer gewaardeerde collega thuis, onder het genot van een aantal heerlijke Palmbiertjes. Omdat wij beide uit het Oosten van het land komen, is wijn in dit soort situaties niet aan ons besteed. Het kan me niet schelen dat ik daarmee een Randstedelijk vooroordeel over cultuurarme boeren mogelijk bevestig. Het zal me een worst wezen, bovendien dronken we geen Grolsch, maar goddelijk Belgisch gerstenat.

Na een eenvoudige doch voedzame maaltijd, waren we verzekerd dat een goede bodem is gelegd voor een prettige voortzetting in het centrum van Doetinchem. De terrassen zaten gezellig vol, maar een verwarmd plekje onder een van de immense parasols was snel gevonden. Immers ook een sigaretje is onontbeerlijk voor een goed gesprek. Ook anderen voerden liever hun gesprekken buiten, binnen zat niemand.
De stemming was en bleef goed, persoonlijke besognes kwamen ter tafel, onderwijl kijkend naar het uitgaanspubliek. Soms stokte het gesprek, omdat de aandacht werd afgeleid door een Achterhoekse schone, maar het kostte weinig moeite de draad snel weer op te pakken. Naast onze eigen belevingswereld kwamen ook meer wereldse thema’s ter sprake. Literatuur, muziek en uiteraard de politiek. We deelden de zorgen over bureaucratie in de zorg en het onderwijs, we verafschuwden de steeds sterker wordende voedingsbodem voor obscure partijen in Nederland en vonden eensgezind dat er geen enkele partij goede oplossingen bood, die we uiteraard naarmate de avond vorderde zelf wel hadden. Gezeten onder het hittekanon delibereren we verder over het milieu en over de deeltjesversneller die het mogelijke einde van de wereld zal inluiden. En als de deeltjesversneller niet de oorzaak van het eind der tijden is, dan doen we dat eigenhandig wel in onze strijd om energie. We zijn er met zijn allen gek genoeg voor.

Voor het slapen gaan nog de laatste Palmpjes opgedronken met de zekerheid dat we de wereldproblemen konden oplossen als de mensen maar naar ons, gewone stervelingen zonder al te grote ego’s luisteren. Het kostte daarna weinig moeite de nachtrust te aanvaarden. Uiteraard maakte ik als verslavingsdeskundige gebruik van zijn gastvrijheid. In de auto stappen doe je natuurlijk niet in deze omstandigheden.

Met mijn ietwat calvinistische achtergrond van “’s avonds een kerel, dus ook ’s morgens een kerel,” stond ik die ochtend relatief fris op, genoot van het ontbijt. Daarna namen hartelijk afscheid met de belofte vaker eens ‘een biertje’ te gaan drinken.
Eenmaal in de auto en geheel op me zelf aangewezen, overdenk ik het bezoek en kom tot de conclusie dat alle besproken problemen van die avond ervoor me nog helder voor de geest staan, maar onze oplossingen zijn verdampt in mijn brein. En dan is de wereldpolitiek een grote kluwen aan problemen, die voor een eenvoudig verslavingsdeskundige en amateurcolumnist schier onoplosbaar zijn. Een oplossing voor mijn opkomende hoofdpijn heb ik dan nog wel, maar wat te doen tegen de toenemende expansiedrift van de grootmachten, wat te doen met de dreigende brandstoftekorten, wat te doen tegen verkilling en verzakelijking in de Nederlandse maatschappij? Ik zou het niet weten. De vragen bonken in mijn hoofd en maken me triest en leeg.
Thuis aangekomen pak ik snel een paracetamol, waarmee de hoofdpijn snel minder wordt. Voor de Weltschmerzen heb ik een ander middel. Ik pak de CD van Het Klein Orkest met het liedje 26.000 dagen.

Kinderen die mogen spelen
In luchtkastelen die bestaan en nooit zullen vergaan
Vroeg of laat gaat zand vervelen, moet je daar niet blijven spelen
Je kunt als je wilt ook op zoek naar de rand van de zandbak gaan

Jong zijn dat is uitproberen, leren balanceren, blijven staan
Vallen, verder gaan
Je kunt volwassen willen lijken, alvast naar rijtjeshuizen kijken
Je kunt als je telt voor hetzelfde geld naar het eind van de wereld gaan

Je hebt zo’n 26.000 dagen tussen niets en eeuwigheid
Je kunt lachen, je kunt klagen, maar elke dag ben je voor eeuwig kwijt
Je hebt zo’n 26.000 dagen tussen niets en eeuwigheid
Je kunt lachen, je kunt klagen, maar elke dag ben je voor eeuwig kwijt

Volwassen, evenwichtig lijken, niks laten blijken, nog geen traan
Maar twijfel blijft bestaan
Gelukkig zijn is uit de mode, zomaar lachen streng verboden
Je kunt ook hup voor de lol nog een keer gewoon op je kop gaan staan

Eenmaal oud en grijs geworden in bejaardenoorden van de baan
Op een zijspoor staan
Klaverjassend tijd verkwisten, laat je niet voortijdig kwisten
Je kunt als je wil ook gewoon zonder pil lekker aan het vrijen slaan

Je hebt zo’n 26.000 dagen tussen niets en eeuwigheid
Je kunt lachen, je kunt klagen, maar elke dag ben je voor eeuwig kwijt
Je hebt zo’n 26.000 dagen tussen niets en eeuwigheid
Je kunt lachen, je kunt klagen, maar elke dag ben je voor eeuwig kwijt

26.000 dagen, 26.000 dagen, 26.000 dagen, 26.000 dagen
26.000 dagen tussen niets en eeuwigheid
Je kunt lachen, je kunt klagen, maar elke dag ben je voor eeuwig kwijt
Je hebt zo’n 26.000 dagen tussen niets en eeuwigheid
Je kunt lachen, je kunt klagen, maar elke dag ben je voor eeuwig kwijt
Voor eeuwig kwijt, voor eeuwig kwijt

Het liedje van Harrie Jekkers helpt net zo goed tegen Weltschmerzen, zoals een paracetamol tegen hoofdpijn helpt. Ik weet, de problemen zijn er en blijven er. Ik hoef ze gelukkig niet in mijn eentje allemaal op te lossen.