Ik, romantisch boer uit de klei, ben een muts

Ik mag graag op zaterdagochtend starten met de rubriek ‘Wat zou u doen’ van het Volkskrant- magazine. Het heeft iets verbodens, iets ranzigs, alsof je de rubriek van Mona uit de Story leest. Maar omdat het van de Volkskrant is, heeft het nog enige status. Niets menselijks is mij vreemd. Altijd brengt het een vrolijke discussie met zich mee, want natuurlijk doen wij het altijd beter. Ook vandaag snel naar deze rubriek. Ik herinnerde mij van vorige week het voorgelegde issue. Ik dacht toen, dit is geen issue, dit is in- en intriest.

 

Met mijn naïeve kop dacht ik dat het Volkskrant publiek de indiener van het issue wel van jetje zou geven. Hoe kom je op het idee om iets wat je dubbel hebt en bovendien gratis hebt gekregen, te verkopen aan je armlastige vriendin (4,5 jaar een relatie!!!) En vanuit het perspectief van de arme studente, ik zou geen brief naar de Volkskrant hebben gestuurd, maar mijnheer de senior sales engineer meteen de bons hebben gegeven. Voor het geld hoef je mijnheer immers niet te houden, voor de liefde al helemaal niet.

Wat schets mijn verbazing, de antwoorden van weldenkend Nederland, immers Volkskrantlezers, stroken niet met mijn mutserige verwachtingen. Het lijkt wel of ‘tout Hollande’ genetisch is behept met een zakelijk instinct, ook op relationeel gebied. Een ontluisterend scala aan reactie. Slechts één reageerder vraagt zich openlijk af wat de relatie voorstelt. Mijn antwoord is: Helemaal niets. Maar alle andere antwoorden hebben te maken met allerlei zakelijke voorstellen binnen een relatie. Ik vind het niet raar dat je er in Nederland niet meer bij hoort als je niet minstens 2 keer gescheiden bent. Als de basis voor een liefdesrelatie de oprichting van een Naamloze Genootschap is of op zijn minst een onderling contract voor als het allemaal toch mis mocht gaan, tja, dan moet je maar alleen blijven. Je bouwt door het wantrouwen vanwege de onfrisse onderhandelingscultuur toch al de selffullfilling prophecy op dat de relatie niets voorstelt.

Wat is hedentendage nu een gezonde relatie? Dat je na de maanden van blinde liefde en grenzeloze seks, als twee boekhouders verder het leven in stapt. Als scherprechters bepaal je precies waar iemand recht op heeft gezien de status van het loonstrookje. Ik dacht altijd als je elkaar ja hebt gezegd voor het leven, al dan niet voor de kerk of gemeentehuis, dat je gaat voor gezamenlijkheid. Als het geld op is, dan is het voor beide op en als er gespaard kan worden, dan is de buit voor beide, ongeacht de inbreng van het individu.

Ik weet inmiddels dat het heel raar is om nog een gezamenlijke rekening te hebben waar het salaris van beide partners wordt gestort, maar waaruit ook alles betaald moet worden. Ik weet inmiddels ook dat hele boekhoudkundige berekeningen tussen twee partners plaatsvinden wie de boodschappen betaald, wie de hypotheek en wie de kleding voor de kinderen. Vaak wordt vanuit de afzonderlijke rekeningen gestort op een gezamenlijke rekening. De liefdesrelatie als een kil economisch verbond. Maar het staaltje in de Volkskrant slaat alles. Dat wij Nederlanders als niet temperamentvol te boek staan moge duidelijk zijn, maar heeft de koopmansgeest zich al tussen de lakens genesteld. Is de tucht van het feminisme al zover dat de zogenaamde economische zelfstandigheid belangrijker is dan echte liefde?

Ik dacht altijd dat ik een nuchtere uit de klei getrokken boer was, maar nu weet ik dat die boer ook meer romantiek in zich heeft dan de gemiddelde Nederlander, of in ieder geval Volkskrantlezer.

 

 

 

Meiden, gadverdamme

Sommige woorden en uitdrukkingen smaken gewoon niet. Ongetwijfeld is het een vreemde afwijking van me, maar het is niet anders. Ik kan er mee leven, al komt het zuur me af en toe naar boven als ik geconfronteerd word met een woord dat een sterke aversie oproept. Ik denk dat het te vergelijken is met vloeken voor leden van de “Bond tegen Vloeken”. Ik weet het niet zeker, maar zoiets moet het zijn. 

 

Maar zoals het vaker is met smaak, naarmate je ouder wordt, kan die veranderen. Ik ben bijvoorbeeld opgevoed met de woorden macaroni en spaghetti. Wanneer we als gezin dan het woord pasta hoorde, dan proesten we het uit. Kale kak vonden we dat en dat terwijl ik echt niet uit een arbeidersmilieu kom. Wel was het ‘doe maar gewoon, je bent niet beter dan een ander.’ En pasta was een rariteit voor mensen die eens op vakantie waren geweest in Italië en die om interessant te doen het woord pasta te pas en te onpas gebruikten. ‘Kijk eens hoe mondiaal wij zijn en denken’. Gadverdamme dacht ik toen.

Wij aten op zaterdag gewoon een bord macaroni, heerlijk bereid door moeder Sprakeloos. Tegenwoordig krullen mijn tenen niet meer bij het horen van het woord pasta. Het kan verkeren.

Maar niet altijd. Het woord ‘Meid’ of ‘Meiden’ doet mij walgen. Ik schijn ongeveer de enige te zijn. Ik krijg er vooral hele feodale associaties bij. Een keukenmeid was zo’n ongeschoold meisje dat ondanks haar talenten voor een habbekrats moest werken bij welgestelde families. In de Engelse literatuur komen ze nogal eens voor, die meiden. Ook in Nederland had een beetje boer een meid die de boerin rondom het huis een handje hielp. Tegenwoordig hebben we dat niet meer en soortgelijke werkzaamheden zijn nu vastgelegd in Cao’s en hebben verhullende benamingen als interieurverzorg(st)er, hulp in de huishouding etc. Het tijdperk van de meid is definitief voorbij in Nederland. Tenminste dat vind ik als weldenkend mens met enig historisch besef.

Niets is minder waar. Al meer dan twintig jaar erger ik me groen en geel aan het oprukkende en niet meer te stuiten woord ‘Meiden’. Een moeder spreekt trots over haar meiden. Hedendaagse powergirls (ook zoek jeukterm trouwens) gaan graag een avondje stappen met ‘de meiden’. Maar niet alleen tieners smaken dit genoegen, ook oudere generaties hebben de term genormaliseerd. Het klinkt in mijn optiek verschrikkelijk pathetisch als een troepje menopauzers giechelend mededeelt dat ze het weekendje ervoor met de meiden zijn wezen stappen. Gadverdamme, ik wil me er geen voorstelling van maken.

De populariteit van het woord ‘meiden’ is natuurlijk de schuld van het feminisme uit de jaren zeventig, de tweede golf geloof ik. Ik heb niets tegen feministen, maar als ze aan de taal komen, moeten ze dat wel doen met enig historisch besef. Meisje was blijkbaar niet goed genoeg meer. Het is taalkundig gezien een verkleinwoord, dus kleinerend. In ieder geval niet acceptabel tegenover het stoere woord ‘jongens’. Meisje werd onterecht geassocieerd met frêle, zacht en hulpeloos, dus werd het meiden. Niet alleen jongens zijn stoer, ook meisjes staan hun ‘mannetje’ om te beginnen door zich te laten aanspreken als meiden.

Gadverdamme, gadverdamme en nog eens gadverdamme.

Als die feministen dan zo nodig stoer willen doen, dan hadden ze een ander woord moeten introduceren. Niet een scheldwoord met denigrerende associaties tot een soort geuzennaam bombarderen. Nu is het helemaal ingeburgerd en dit blogje is een hopeloos achterhoedegevecht. We zijn er mooi mee aangemaakt, vooral ik dan. Mag een stoere meid dan op haar toekomst zijn voorbereid, ik zal de rest van mijn leven rennies moeten gebruiken om me te wapenen tegen onverwachte confrontaties met meiden.

Moeten we ineens porno kijken?

 

Soms zijn er van die berichten die mijn wereldbeeld totaal in verwarring brengen. Laatst was er weer zo’n flits op de radio. ‘Porno kijken is goed voor de aanmaak van dopamine en daarmee testosteron’. Viagra is een onnodige toevoeging aan het dieet van de man die minder kan en/of meer wil. Een uurtje porno kijken op het internet heeft dezelfde uitwerking op de testosteronspiegel. Dus de makers van viagra voeren de komende jaren slechts een achterhoede gevecht. Porno is namelijk in grote hoeveelheden zonder al te veel moeite op het internet te vinden.

Dat staat dan haaks op de bevindingen van psychologen die beweren dat er ook zoiets als porno-impotentie bestaat. De overvloed, het onrealistische sexgebeuren dat door de gemiddelde mens niet is na te bootsen, kan alleen maar tot enorme teleurstellingen leiden. En dan hebben we het nog niet over de volmaakte vrouwenlichamen, al dan niet geholpen door de plastische chirurgie, of mannen met jannen van minstens ‘7 inches or more’.

En alsof dat nog niet genoeg is, ook het feministische gedachtegoed uit de zeventiger jaren heeft, al dan niet geholpen door onze calvinistische inslag, geleid tot een ambivalente verhouding ten aanzien van sex in het algemeen en pornografie in het bijzonder. Daarom kijken we het op internet, volgens onderzoeken, massaal. Natuurlijk wel heimelijk, mannen iets meer dan vrouwen. En mochten we de schaamte voorbij zijn en we bekijken het publiekelijk, dan zijn we of geobsedeerd, of viespeuken. Tenzij we kunstminnend zijn, want dan heet het geen porno meer, maar wordt er een maatschappelijk statement gemaakt.

Echter nu met de nieuwe wetenschappelijke gegevens moet porno in een heel ander daglicht gezien worden. Het is goed voor je libido en daarmee goed voor je relatie zoals we in het actuele spotje over libidoklachten moeten geloven. Bovendien houdt het de apotheek buiten de deur, hetgeen ook goed is voor de staatskas en in ieder geval zal je Spamfilter minder overuren hoeven te maken.

In hetzelfde bericht wordt echter ook gewag gemaakt van acties die je niet moet doen. Je kinderen knuffelen is absoluut schadelijk voor je dopamine aanmaak, dus dat is uit den boze. Houd je kinderen dus vooral op afstand.

In verwarring lees ik het bericht na op internet. Ik vraag me dan altijd af welke machten het onderzoek gefinancierd hebben. Zou de porno-industrie om gelden verlegen zitten en hiermee nieuwe bronnen willen aanboren? Of in het geval van porno-impotentie, zou het een stevige feministische kliek paarse tuinbroeken zijn in nauwe samenwerking met christelijke partijen die ons doen laten geloven dat porno je potentie verdrijft?

Ik weet het echt niet. Het is zomaar een berichtje dat ik met u wil delen en ik ga over tot de orde van de dag, ik ga verder met ……….bloggen.

Dorus de Binnenboel en de mamoushkarevolutie

Al roerend in zijn derde mok koffie, kijkt Dorus apathisch naar het draaikolkje dat ontstaat door zijn eigen toedoen. De evolutionaire kwestie die hij zichzelf heeft aangedaan, enkele dagen geleden, houdt hem nog danig bezig. In plaats van kwiek aan de slag te gaan deze ochtend, wordt hij ernstig geblokkeerd door de netelige kwestie. Is de man in het huishouden wel bestendig tegen de evolutionaire eisen van de mensheid? Geeft hij zijn zoons hiermee wel het goede voorbeeld? Dorus twijfelt hevig, al zullen de Joke Smits, Cisca Dresselhuijsen en al hun vriendinnen zijn poetsijver, die staat voor eerlijke verdeling van taken tussen mannen en vrouwen, wel weten te waarderen.

“Verdomme dat ging net goed.”
Dorus roerde iets te hard en zijn volle bak koffie dreigde te vallen, maar door een snelle reactie weet hij een ernstige ravage te voorkomen.
“Ik heb altijd al goede reflexen gehad.”
Een flauwe, maar tevreden glimlach verschijnt op zijn gelaat om vervolgens plaats te maken voor een brede grijns.
“Eureka, ik heb het. Ik ben evolutieproof.”
Dorus komt voorlopig tot een werkbare definitie van de evolutie en zijn plaats daarin. De mate waarin mensen op een goede manier kunnen samenwerken, oftewel hun krachten bundelen tot synergetische hoogtepunten in de jungle van het leven, dat is de nieuwe weg voor Dorus. Zijn aanpassingsvermogen aan de nieuwe huiselijke omstandigheden, ondanks de rudimentair aanwezige jagersinstincten, dat moet zijn kracht zijn.”
“Daar moet ik het vanavond eens met Dora over hebben, benieuwd wat zij van deze nieuw verworven inzichten vindt.”

Het hebben van geen zin is dus slechts een kwestie van definitie, zoals alles in principe een kwestie van definitie is, bedenkt Dorus.
“Pijn en vernedering bijvoorbeeld, vraag het maar aan de mensen die een sadomasochistische voorkeur hebben en daarmee hun leven verrijken,” bedenkt Dorus opeens heel ruimdenkend, na de zelfbevrijding die hij zojuist heeft ondergaan uit zijn theoretische dilemma over de evolutie.

Vol goede moed wil Dorus een vrolijke CD met Braziliaanse liedjes pakken. Onvindbaar, mogelijk in het verkeerde hoesje gestopt. Naarstig gaat hij op zoek naar vervangende muziek en stuit daarbij op een verzameling van bekende klassieke werken. Een typische CD voor culturele onbenullen die op zijn tijd een stukje klassieke muziek hogelijk weten te waarderen zolang het maar door een ander zorgvuldig is geselecteerd. Hoewel Dorus een aantal componisten kent, weet hij daar veelal geen muziekstuk aan te verbinden en andersom.
“Och, dat is ook wel leuk voor het moment” en Dorus plaatst de CD in het mini-stereo-setje.

Terwijl Dorus wil aanvangen met het huishouden, wordt hij gevangen door de klanken die de kamer in denderen. De volumeknop stond bijna voluit en een klagelijk vioolspel komt uit de boxen. Heel teder, maar in zekere zin ook met een klagende teneur. Dorus luistert intens, zeker als de viool bijval krijgt van meerdere violen die zelfs enigszins dreigend klinken. In de muziek lijkt de dreiging dan wel weer te verdwijnen, want vrolijkere stukken volgen. Het eindigt een beetje onbestendig alsof het niet duidelijk is of je blij moet zijn of niet.
“Een beetje een besluitloos einde” concludeert Dorus.
Hij duwt meteen de repeatknop in en kijkt op het hoestje van wie deze muziek is.
“Shostakovich met het stuk Romance from the “Gadfly-suite” leest Dorus op het bijbehorende hoesje.

Een beetje romantiek ziet Dorus er misschien nog wel in, maar het doet hem toch meer aan vertwijfelde Russische Mamoushka’s denken. Veel te dikke plompe vrouwen van begin veertig, die eruit zien alsof ze bijna zestig zijn uit communistische tijdperk van de Sowjets, die de arbeid in de staalfabriek moeten zien te combineren met het onderhoud van een piepklein privé-tuintje op schrale grond en hun misvormde paprika’s moeten zien te slijten op de weekmarkt met vele tientallen lotgenoten.
Wachtend op klandizie overpeinzen ze hun armoedige en zware leven. Melancholisch overdenken ze hun jeugd die zwaar was, maar door hun toenmalige jeugdige elan kunnen ze hier nog met enige lichtvoetigheid op terugkijken. Misschien wel door een liefde die nimmer is beantwoord, maar waarop ze in hun overpeinzing nog immer geloven al turend over de schamele paprika’s en bosjes uien.
Dan komt de grote boze wereld van plichten en amper rechten als een allesoverheersend monster definitief hun persoonlijke leven in. Ze moeten buigen of barsten en leven hun leven, plichtmatig en durven amper te hopen op betere tijden die de propaganda hen al jarenlang beloofd. Ze blijven hopen, ze moeten ook wel.

“Wat is het toch heerlijk om cultureel analfabeet te zijn” prijst Dorus zich gelukkig. Want met enige muzikale onderlegging zou Dorus nooit op dit beeld bij deze muziek zijn gekomen.
Voor de vierde maal hoort hij de muziek van Shostakovich aan. Hij gaat erbij op de tafel staan als ware hij de redenaar en volksmenner Lenin zelf:
“Hierbij beloof ik plechtig nooit en te nimmer meer te zeuren over een beetje huishouding met een overvloed aan elektrische hulpmiddelen. Ik draag mijn arbeid hedenochtend op aan alle Mamoushka’s ter wereld die geleefd hebben, momenteel leven en nog zullen leven in toekomst. Alle Mamoushka’s, verenigt u tegen het juk van welk allesoverheersende regiem dan ook.”

Als een ware revolutionair gaat Dorus die ochtend aan het werk, nadat hij eerst het werk van Shostakovich op een maagdelijke CD heeft gebrand om het de hele ochtend te kunnen beluisteren. Want hij wil niet gestoord worden in zijn heilige en revolutionaire roes door bijvoorbeeld het lichtvoetige pianowerk van Chopin dat volgt op het werk van zijn favoriet van dat moment Shostakovich.

Of zijn revolutionaire daad nu een substantiële bijdrage zal leveren aan het leed der Mamoushka’s is de vraag, Dorus heeft wel een substantiële bijdrage geleverd aan zijn eigen huishouding.

 

Dorus de Binnenboel en de evolutie

Dorus zwaait Dora uit en verheugt zich alle tijd voor zichzelf te hebben. Niet omdat hij zonodig voetbal moet kijken of anderszins door Dora gehinderd zou worden. Integendeel. Het vertrek van Dora, die heel nuttige zaken gaat doen voor lichaam en geest, geeft hem de mogelijkheid om alleenheerser te zijn over het huishouden. Dorus heeft zeer recent de geneugten daarvan mogen ervaren.

Eenmaal terug in de huiskamer, overziet hij zijn territorium en constateert dat alle beeldschermen die aan kunnen staan ook daadwerkelijk in gebruik zijn. Zijn kinderen zijn immers thuis.
“Dus geen muziek.” constateert Dorus heel flexibel.
Geen nood voor Dorus, hij loopt naar de keuken. Al converserend met zijn jongste zoon begint hij met het koken. Om strikt pedagogische redenen is vooraf al besloten om geen patat te halen noch chinees. Ook een pizza staat niet op de menulijst.
Dorus wast fluitend de groente, schilt een paar aardappelen en laat het vlees ontdooien in de magnetron. Als alles op het vuur staat, realiseert Dorus dat hij nu even moet wachten totdat alles klaar is.
“Wachten is des duivels oor kussen, wat kan ik in de tussenliggende tijd nog meer doen?”
Hij kijkt in de keuken en beslist dat de kastjes en de stalen afzuigkap best eens schoon gemaakt kunnen worden. Mannen denken immers efficiënt. Wachten op iets dat je verder niet meer in de hand hebt is nutteloos.
“En dan zeggen ze dat mannen maar een ding tegelijk kunnen doen, mooi niet.”
“Wat zei je pap?” zegt zijn jongste zoon.
Dorus hoort het niet, dus komt zijn jongste zoon maar naar hem toe en herhaalt zijn vraag.
“Het ruikt trouwens lekker.”
Als Dorus kijkt wat verantwoordelijk is voor de weldadige geur, pakt hij verschrikt de pan en kan nog net de worstjes redden.
“Ik vind ze als ze zo donkerbruin zijn het allerlekkerst, pap.”
“Ik ook” zegt Dorus, “Je vader kan er wat van en ondertussen ook nog de boel schoon maken.”
Met een innemende glimlach drentelt zijn zoon weer naar zijn computer waar hij al dagen het spel “Age of empire” speelt. Oude tijdperken herleven daarbij hetgeen veel knotsgevechten, maar ook man tegen man gevechten uit het Romeinse Rijk opleveren. Dorus is er de hele dag al getuige van. Mannen van stavast die hun hele hebben en houden verdedigen.
En dit gedacht hebbende, slaat in een keer de twijfel slaat toe bij Dorus.

“Daar sta ik dan in de keuken, een beetje de ideale Opzij-man te spelen. Past misschien wel in deze tijd en op deze plek van de wereld, maar hoe zit dat eigenlijk evolutionair gezien.”
Dorus roert de gemixte wokgroente nog even door elkaar en giet de aardappels af.
“Ben ik eigenlijk wel evolutieproof.” vraagt Dorus zich af.
Plichtmatig maakt Dorus zijn klussen af, eerst het boenen van de keukenkastjes en vervolgens weet hij een voedzame maaltijd te serveren. De swung is er echter volledig uit. Grote denkrimpels tekenen het gelaat van hem.
“Aanpassingsvermogen is er voldoende bij mij, maar is dat het adaptievermogen dat de grote Charles Darwin in gedachte had? ”
Hij roept zijn jongens aan tafel.

Onder het eten kijkt hij zijn zonen liefdevol aan en bedenkt zich hoe hij zijn kroost moet verdedigen in deze roerige en chaotische tijden.
“Mijn verdiensten zijn een partnerschap met een redelijk evenredige verdeling van taken.”
Daar maak je geen indruk mee in een toenemende individualistische wereld waarbij het recht van de sterkste meer en meer van belang lijkt te zijn. De grote bek op straat kan zijn gang gaan, de grote bek op het werk is de ideale manager, de grote bek in de politiek krijgt een horde Neanderthalers met zich mee en de grote bek in de wereld is president van Amerika en ‘if you can’t beat them, join them’. In dat laatste heeft Dorus geen zin, maar hij baalt als een stier dat zijn stemming, ondanks een positieve start in de keuken, grondig verpest is.

Tegen beter weten in en ondanks de kans dat zijn activiteiten niet evolutieproof zijn, stort hij zich met overgave op de afwasmachine. Het schone bestek, borden en kopjes ruimt hij netjes in de kast op en vult de machine met de zojuist gebruikte spullen. Het aanrecht wordt keurig schoongemaakt.
“Dora kan tevreden zijn, wat moeten we verder nog doen?”
Dan bedenkt Dorus het brood voor de volgende dag nog gesmeerd moet worden en gaat aan de slag. Het ene broodtrommeltje is snel gevonden, maar de zoektocht naar de andere neemt enige tijd in beslag.
Zijn oudste zoon weet hem te melden dat de zijne nog op school ligt, dus verder zoeken naar een alternatief. Dan vindt hij ergens onder de jassen nog een tas met daarin een reeds verloren gewaande broodtrommel. Na opening van het groene trommeltje is het verbazingwekkend dat het trommeltje niet uit zichzelf naar de keuken is gemarcheerd, maar Dorus weet wat hem te doen staat.
“Typisch de jagende man, die slechts een spoor of een kleine aanwijzing nodig heeft om zijn prooi te pakken, misschien zit er nog wel iets van de ware evolutie in me en is de voorbeeldfunctie voor mijn nageslacht nog niet zo slecht”, fantaseert Dorus, al gaat het in dit geval maar om het vinden van een groen trommeltje met een al even groene substantie.

Bij het naar bed brengen wordt het denkproces van Dorus over aanpassen in culturele zin of in evolutionaire zin, even geluwd. Als ze allebei dan rustig in bed liggen vraagt hij zich af of het niet onnatuurlijk is voor een man om zorgzaam met zijn kinderen om te gaan.
“Hoeveel mannetjesdieren worden bij hun nageslacht weggehouden of door de moeder totaal niet geduld. Ze zouden hun kinderen anders maar opeten.”
Maar Dorus denkt op tijd aan de mannetjesmerel die naast een monogame levenshouding ook nog de verzorging van zijn kinderen ter hand neemt.
“Toch eens een keer uitzoeken hoe dat zit.”
Voor Dorus is dat een essentiële vraag om zijn houding te bepalen of en hoe hij het huishouden gaat aanpakken de komende periode. Enige kennis van de evolutietheorie is onontbeerlijk om zijn strategie naar Dora te bepalen. Hij moet immers het goede voorbeeld geven aan zijn kinderen die op hun beurt verantwoordelijk zijn voor het verspreiden van zijn genen.