Rosenmontag Spaziergang

Mistroostig kijkt de man naar buiten. Het aanbod aldaar is niet erg uitnodigend, toch zal hij zijn verplichte wandeling moeten maken voor het psychische en fysieke welzijn. Het is wat grijzig in een witte wereld en op het journaal hebben ze een temperatuur van onder nul beloofd.

Eenmaal buiten blijkt hij een van de weinige helden te zijn. De rest van de mensheid las absoluut geen uitnodiging in de winterse kou geschreven. Ondanks de desolate aanblik, was er veel lawaai. Om voor hem onbegrijpelijke reden maakten de vogels een hels kabaal.

‘Ik ben geen ornitholoog, ik spreek hun taal echter niet.’

Misschien verwittigen ze elkaar dat er een rare tweevoeter met dit weer naar buiten gaat, zonder veren nota bene. Misschien hebben ze wel gewoon honger na zoveel weken sneeuw. Mogelijk spelen de hormonen hen parten, maar worden ze nog gedwarsboomd door de weersomstandigheden en dat is natuurlijk heel frustrerend. Een ding is zeker, de Wielewaal roept hen nog niet.

‘Dus wat doe ik hier in die Siberische koude.’

Buiten de vogels is het bijna stil. Alleen een auto komt langzaam aanrijden, de gladde wegen noodzaakten de chauffeur tot voorzichtig rijgedrag. Als de man bijna genaderd is, stopt hij. Hij kijkt alsof hij best sneller wil rijden, maar de verplichtingen die zijn werk met zich meebrengen zijn belangrijker. Hij pakt uit de achterklap van zijn kleine bestelbusje een pakketje. De leesportefeuille, leesplezier dat je zelf kunt samenstellen lees hij op de auto. De bladenman heeft een uitstervend beroep en aan zijn gezicht te zien, heeft hij er ook nog weinig plezier in. En hij moet nog tien jaar zo te zien en als het even tegenzit, zullen de opvolgers van Vader Drees hem nog twee jaar langer laten lijden.

Als de man in zijn tijdschriften mobiel verder gaat het leesplezier te verspreiden, is het wel echt stil. Ook de vogels houden hun gemak als de rand van het dorp achter hem ligt. Tussen de weilanden en langs het spoor treft de man niemand meer. Voor het psychische en fysieke welzijn, zet hij de pas erin. Het helpt hem ook om een beetje warm te worden en al snel nadert hij het volgende kerkdorp. De hoofdstraat is bezaaid met serpentines en confetti. Hier en daar liggen platgetrapte snoepjes die niet door kinderen zijn opgeraapt. De carnavalsoptocht is de zondag ervoor langs geweest, maar van enige feestelijkheden nu, is amper iets waar te nemen.

‘Het is Rosenmontag’, herinnert de man zich, maar de tijd van kolderieke leut is voor hem al eeuwen geleden.

Trouwens de feestelijkheden op deze desolate maandagochtend lijken ook hier nog niet op gang te zijn gekomen. Uit een van de huizen komt wel de geur van worst en boerenkool via de luchtkoker. De ultieme voorbode dat later die dag mogelijk weer leven in de brouwerij zal zijn. Nu moet de kater eerst weggewerkt worden met koffie en een stevige stamppot. De man kijkt op zijn horloge en ziet dat het half twaalf is.

‘Inderdaad, over een uur of twee zal het aanzienlijk drukker zijn.

Hier en daar fietst een ‘vroege vogel’ in kleurrijke kleding, maar ook met een dikke jas tegen de kou. De gezichten staan niet erg ontspannen, chagrijnig zelfs. Mogelijk dat hutspot met klapstuk bij een van de verzamelpunten van de verschillende vriendenclubs daar verbetering in kan brengen. Het zijn namelijk hoofdzakelijk jonge mannen. Hun vriendinnen zullen ongetwijfeld eerder zijn opgestaan om de noodzakelijke voorbereidingen te treffen voor het eten. Ze hebben statistisch gezien ook minder kans op een enorme kater.

Midden in het dorp staat de enige horecagelegenheid met een feesttent op de parkeerplaats. Aan de buitenkant is het een gewoon café zoals er nog velen staan in de verschillende kerkdorpjes. De tafels zijn bedekt met dikke tafelkleedjes en hoogstwaarschijnlijk staan er ook nog gewoon asbakken. Nu is de entourage feestelijk gemaakt met ballonnen en slingers. Boven de ingang staat dat prins Cor heer en meester is. Zijn gevolg, de carnavalssteken zijn goed zichtbaar vanaf buiten, praat nog rustig na over de avond ervoor. Mogelijk dat ze bezig zijn met de festiviteiten van die middag. Zachtjes is uit de luidsprekers, die boven de foto van prins Cor hangen, muziek te horen. Heel langzaam wordt de stemming er voor die dag ingesleten.

‘Am Rosenmontag bin ich geboren,

Am Rosenmontag bei uns daheim.

Bis Aschermittwoch bin ich verloren,

Den Rosenmontagskinder müssen närrisch sein,

Den Rosenmontagskinder müssen närrisch sein.’

‘Er is hier nog niemand ‘närrisch’’, bedenkt de man terwijl hij het etablissement achter zich laat en verder wandelt, zijn psychische en fysieke welzijn tegemoet.

‘De vogels zijn niet ‘närrisch, de bladenman niet en ook de onderdanen van prins Cor nog lang niet. De enige joker ben ik zelf om met dit weer te wandelen.’

Hij schroeft zijn wandeltempo nog maar eens een beetje op. Toch begint hij onbewust te neuriën en loopt in de cadans van het liedje dat hij in zijn hoofd heeft.

‘Am Rosenmontag bin ich geboren,………..

De zon begint zowaar een gevecht aan te gaan met de grijze lucht als de man zijn rondje heeft gewandeld. Een beetje lente dan toch en een beetje herboren na zijn wandeling. Met het carnavalsfeest bij prins Cor zal het ook wel goed komen die middag en ook de vogels zullen binnenkort hun nesten bouwen. Of het met de bladenman goed zal komen, weet hij niet. Hij kan het alleen maar hopen.

De kikker en de rokende man

Er was eens een doodgewone man in een gewoon land hier niet zo ver vandaan. Het land was meestal vredig, soms niet. Het land was welvarend, hoewel niet iedereen daar de vruchten van plukte. Bovenal het land kenmerkte zich door gelijke rechten voor een ieder. Allemaal heel gewoon dus. In dat land woonde de gewone man samen met zijn bijzondere, maar gewone vrouw en dito kinderen. De man had niets te klagen. Natuurlijk zijn er altijd wel dingetjes die beter, mooier en groter kunnen, maar dat is eigenlijk ook heel gewoon.

In het land is het credo, leven en laten leven. Zo mag de man roken, maar niet in het bijzijn van zijn kinderen. In het begin was dat vervelend, om bij weer en wind buiten je sigaretje te moeten roken, maar och, het went wel. Hij mag tenminste zijn sigaretje roken, zonder dat iemand hier commentaar op heeft.

Zo rookt hij iedere avond een paar sigaretjes in zijn tuin, bij goed weer een paar meer en als het regent wat minder. Het terugtrekken voor een paar minuutjes uit het huiselijke bestaan heeft vaak iets meditatiefs voor de man. Hij kan zich even ontrekken aan  zijn plichten of de drukte van het gezin, zonder dat dit meteen schade oplevert, behalve dan voor zijn longen. Hij denkt dan na over zijn leven of het leven in het algemeen. Soms ook over helemaal niets en dat is ook lekker. Andere momenten zijn er sombere overpeinzingen die weer afgewisseld worden met lichtvoetige gedachten. Vaak fantaseert hij dat hij een groot schrijver is. Want juist bij die korte momenten van rust borrelen soms waanzinnig scherpe ideeën uit het brein van de man, hoe gewoon hij ook moge zijn. Het roken in je eentje, zo ´s avonds in je eigen tuin is net zoiets als de momenten tussen waken en slapen. In luttele seconden ontstaan complete romans. Romans die de beroemde schrijvers in het land doen verbleken. Romans trouwens die nog wel even geschreven moeten worden. Maar de man kent zijn plaats, hij is tevreden met zijn bestaan en blijft dromen, vooral tijdens het roken in zijn eigen tuin.

Maar de man droomt niet altijd tijdens de rooksessie. Hij is dan met heel praktische zaken bezig. Bijvoorbeeld opruimen of het snoeien van een overbodige tak. Hij kijkt dan heel tevreden naar de bloemen en planten in zijn tuin. Bij de verlichting in de avond is de tuin vaak nog mooier dan overdag.

Op een van die observatiemomenten neemt de man een kikker waar. Een grote kikker, bruingrijs van kleur met een duidelijke zwarte structuur van figuren op zijn lijf.
´Hé, een kikker in mijn tuin, dat is grappig.´
Ze komen uit de vijvers van de belendende percelen, waarbij de buren, ook heel gewone mensen, een vijver hebben.
´Wat doet een kikker eigenlijk zo ´s avonds laat nog in een vreemde tuin?’ vraagt de man zich af.
De kikker beweegt zich niet, al zittend met zijn kont tegen de muur van het huis, kijkt het stoïcijns met zijn blik vooruit, of mogelijk met een steelse blik naar de rokende man. En de man kijkt terug met geamuseerde verbazing. Verbaasd omdat de kikker niet beweegt en geamuseerd, ook omdat de kikker niet beweegt.
‘Zou het beestje gewond zijn, of doet het gewoon een wedstrijdje wie elkaar het langste kan aankijken?’
Wie zal het zeggen? De man dooft zijn sigaret en gaat naar binnen.
‘Het is mooi geweest voor vandaag.’

Hij sluit de deur achter zich en vergeet de kikker. Die avond erop, het is mooi weer, dus een aantal sigaretten zullen onder prachtige zomerse omstandigheden geconsumeerd worden. Zolang de zon nog schijnt is er niets aan de hand. Het gewone zomeravond lawaai zorgt ervoor dat de dag nog niet ten einde is, dus voor de man is het roken nu slechts een kwestie van gewoonte en primaire behoeftebevrediging. Maar als het donker is, het geluid dempt, is de nacht in aantocht. De man kan dan van zijn nicotinepauze weer een waar introspectief momentje creëren. Hij gaat op de picknicktafel zitten, pakt zijn aansteker en al zuigend aan zijn sigaret neemt hij een kikker waar. Zomaar een kikker, of de kikker? De man is opnieuw verbaasd.
‘Zo ben je er weer?’ terwijl hij vooroverbuigt om zich ervan te gewissen of het dezelfde kikker is.
Het is ook een bruin beestje met duidelijke zwarte vlekken op zijn rug. Opvallend is dat bij nadere beschouwing het diertje een geprononceerd kontje heeft.
‘Goed voor de Franse keuken.’ is zijn eerste ingeving.
Peinzend blijft hij voorover staan, maar moet toch vaststellen dat hij die avond ervoor niet echt naar het vlekkenpatroon heeft gekeken.
‘Waarschijnlijk is het de kikker van gisteravond.’
Hij springt in ieder geval niet weg, ook niet nu de man met een brandende sigaret tot op een tiental centimeters is genaderd. De man probeert de kikker met zijn vingers aan het schrikken te brengen, maar het beest blijft rustig zitten.
Al is de man een dierliefhebber, maar een kikker daadwerkelijk aanraken, dat gaat hem echt te ver. Dat doe hij maar niet.
Hij loopt weer terug naar de picknicktafel en rookt verder, terwijl hij zich focust op de kikker.
‘Misschien is dit voor hem ook wel een moment van overpeinzing, weet ik veel wat er in zo’n kikkerbrein omgaat?’
De man heeft een nuchter karakter, maar hij sluit niets uit, dus ook niet dat er aanwijsbare argumenten voor de kikker zijn om voor de tweede achtereenvolgende avond met zijn dikke achterste tegen te muur van zijn huis te zitten. Bovendien is het niet normaal dat het beest geen aanstalten maakt om te vluchten zodra een menselijk wezen in zijn nabijheid komt. Nu weet de man dat de kikker niets te vrezen heeft, maar weet de kikker dat ook? In een vredige sfeer van verdraagzaamheid accepteren de rokende man en de kikker elkaars nabijheid. De man heeft de neiging om een praatje te maken, over het weer, over uit welke tuin de kikker komt en over zijn gemoedstoestand. Echter de starende en onbeweeglijke houding van het beest nodigt niet uit tot een losse burenconversatie.
‘Bovendien is het een kikker’ beseft de man bijtijds.
Toch blijft het hem intrigeren, zo’n katatone verschijning, die niet reageert op zijn aanwezigheid.
‘Ben je soms niet goed wijs, autistisch of is er anderszins iets mis tussen je oren?’
‘Heb je sowieso wel oren.?’
Maar die laatste vraag is natuurlijk onzinnig, want het luide gekwaak van zijn soortgenoten elders in de buurt, geven aan dat kikkers elkaar in ieder geval iets te melden hebben. Deze kikker neemt hem blijkbaar niet serieus als gesprekspartner, want ook een beetje kwaken, hoe bescheiden dan ook, heeft de man nog niet waargenomen.
‘Zal ik je eens een geheim vertellen’ meldt de man toegeeflijk, ‘Ik begrijp je eigenlijk wel, want als ik alleen ben, praat ik ook niet in mezelf en zit meestal maar een beetje voor me uit te kijken. Het zou me nogal wat zijn, als ik in mijn eentje hardop ga praten. De buren zullen dan opkijken, want het geluid draagt ver als het donker en rustig is.’
De man kijkt of zijn woorden tot enige toeschietelijkheid bij de kikker leiden, maar niets van dat alles. Met zijn billen tegen de muur, zijn benen in de spreekwoordelijke kikvorshouding en zijn kopje een weinig omhoog gericht, blijft het stil aan de andere kant.
‘Ja, dat geluid ver te horen is, weet jij natuurlijk ook wel, want als kikker kwaak je wat af. Tenminste een gewone kikker, jij blijkbaar niet.’
De man neemt nog een sigaret, in de hoop dat er nog enige verandering komt in de gemoedstoestand van de kikker. Maar nee hoor.
Later op de avond komt hij nog eens terug voor de finale sigaret die dag, maar de kikker blijft op dezelfde plaats zitten en geeft geen enkel teken van leven.
‘Tot morgen dan maar.’

Die dagen erop blijft de kikker komen en de man roken. De man vraagt zich af wat de kikker bezielt, maar kan geen verklaring vinden voor het gedrag van het beestje. De man vindt het wel goed zo, want naast zijn overpeinzingen, lichtvoetig of zwaar, zijn ideeën, briljant of zomaar een losse gedachten, richt hij zich nu op de kikker, zijn kikker bijna. Hele conversaties voert hij op, alsof de kikker een gelijkwaardige gesprekspartner is. En al reageert het beest nog steeds niet op zijn woorden of bewegingen, het feit dat hij terug blijft komen is natuurlijk al mooi.

Op de zesde dag, als de kikker zich al lang heeft geïnstalleerd, komt de man wat later dan gewoonlijk.
‘Sorry hoor, ik had vanavond een afspraak buiten de deur, dus ik kon niet vroeger, maar goed ik ben er.’
Hij pakt gewoontegetrouw zijn sigaretten en zoekt naar de aansteker. Als de man op zijn vertrouwde plek zit, de picknicktafel iets dichter naar de kikker toegeschoven, blaast hij pesterig wat rook naar het beest.
‘Nog steeds geen beweging, volgens mij heb je een missie, want die standvastigheid is bijna bovennatuurlijk, volgens mij wacht je op je liefje, niet waar?’
Heel even, een fractie van een seconde lijkt het kopje van de kikker te bewegen. De rokende man ziet het gebeuren en beseft dat er een verandering, hoe summier ook, is opgetreden in hun vreedzame co-existentie.
‘Zag ik je bewegen?
‘Bracht ik je soms in verlegenheid toen ik over een liefje begon?’
De man begon te lachen, hij moest er zelfs van heel hard van hoesten, daarbij angstvallig kijkend naar het huis van de buren..
Dan denkt hij aan het sprookje van de kikker, die gekust moest worden en dan verandert in een mooie prins. De kussende vrouw is natuurlijk ook prachtig en meteen worden ze verliefd en ze leefden nog lang en gelukkig.
Maar dat is alleen in sprookjes en bovendien gelooft de man niet in sprookjes. Vroeger als kind natuurlijk wel, maar dat is al lang geleden.
‘Of ben je misschien toch stiekem een prins’ lacht de man.
En weer, nu voor de tweede keer, is er een kleine beweging bij de kikker waar te nemen, alsof het via die minieme bewegingen toch pogingen doet om te communiceren. Maar zo pakt de man het niet op. Integendeel. Hij vertelt de kikker dat als hij echt een prins is, hij pech heeft. Pech omdat de man eigenlijk geen kikkers wil aanraken, laat staan kussen.
‘De idee’ zegt de man nu hardop, ‘en al zou ik in sprookjes geloven, wat moet ik met een man, laat staan een prins.’
Wederom een schaterlach. Het geluid draagt tot ver in de omtrek, maar brengt ook een reactie bij de kikker teweeg. Het diertje neemt een paar pasjes, draait zich om en gaat weer stil zitten op de plek die hij zojuist verlaten heeft met een klein verschil. In plaats van zijn kontje tegen de muur te schuren, kijkt hij nu naar de muur en de kikkerbillen zijn nu duidelijk zichtbaar voor de man. Het lijkt wel of de kikker zwaar beledigd is en zijn billen toont om uiting te geven aan zijn ongenoegen.
‘Sorry hoor, nu moet je je niet beledigd voelen, ik val nu eenmaal niet op mannen. Ik ben gewoon getrouwd met mijn vrouw, daar past geen prins bij vind ik.’
Misschien dat de echtgenoot van de man het wel leuk zou vinden, maar daar wil de gewone man maar niet aan denken. Wel realiseert hij zich dat ook bij kikkers het fenomeen mannetjes en vrouwtjes bestaat.
‘Misschien ben je wel een vrouwtjeskikker?’
De man beseft dat een innige knuffel met de kikker dan heel andere mogelijkheden biedt. Hij ziet een mooie prinses voor zich. Jong, dartel en bovenal met een enorme toewijding naar hem, omdat hij haar immers heeft wakker gekust.
Het leven zal er beslist heel anders uit gaan zien, maar zal zijn echtgenoot het zo grappig vinden. De man weet wel zeker van niet.
‘Nee, kleine prinses van mij, ik zal je niet kussen. Ik ben niet gek en ik geloof niet in sprookjes.’
Weer beweegt de kikker een beetje. Het wipt een beetje op en neer en schudt bijna elegant met zijn ietwat dik uitgevallen billetjes. Alsof het de man wil verleiden om het onmogelijke toch te proberen. Het mag niet baten.
Terwijl de man nog een sigaret opsteekt, probeert hij te achterhalen hoe de prinses eruit zou zien. Een donkerharige dame, misschien wel met een getinte huid, de kikker is immers ook bruin. Al rokend visualiseert hij zich een droom van een dame, maar bij iedere teug verandert het beeld van zijn gedroomde prinses.
Er zijn immers zoveel mooie vrouwen weet de man. Hij herinnert zich de wijze woorden van zijn vader nog.
‘Hoe zei hij dat ook al weer? Een mooie vrouw is als een schilderij, de compositie moet kloppen, maar je kunt liefhebber zijn van veel stromingen in de schilderkunst.’
Met de laatste teug van zijn sigaret komt de man weer terug bij de realiteit en gaat naar binnen, naar zijn eigen compositie. Hij heeft niet eens door dat de kikker gelijktijdig met hem vertrekt.

De volgende avond is het druilerig weer. Hoewel het niet koud is, nodigt de gestaag vallende regen niet uit tot veel roken. Bij het schemerdonker bemerkt de man dat hij alleen is.
‘Och, mijn prinsesje zal straks wel komen’ stelt hij zichzelf gerust.
Maar later op de avond, geen spoor van de kikker. De man gaat verderop kijken of het beest een andere plek heeft uitgekozen voor zijn overpeinzingen. Maar nee, de kikker is niet gearriveerd. Met een lichte weemoed sluit hij die avond de deur van zijn huis. Een beetje mist hij zijn kikker, zijn kleine droomprinsesje wel, al kenden ze elkaar nog niet zo lang.
Die dag erop vertelt hij zijn vrouw en kinderen aan het ontbijt dat hij al zes dagen op rij een kikker als gezelschap heeft gehad bij het roken in de tuin.
‘Maar gisteravond was hij weg en ik mis het beestje wel een beetje.’
Hij vermeldt maar niet dat hij in zijn overpeinzingen gedacht heeft te maken te hebben met een heuse knappe prinses. Ze zouden hem beslist uitlachen. De man accepteert het verlies van zijn gesprekspartner en gaat over tot de orde van de dag. Een aantal uren later neemt hij een rookpauze, dit maal aan de voorkant van zijn huis. Daar vleit zich op een klein bankje, genietend van de warme middagzon en zijn sigaret.

In de verte ziet hij twee mensen aankomen. Als ze hem naderen, bemerkt hij dat het de buurman van een straat verder op is. De buurman is op zijn paasbest gekleed. Normaliter loopt de man er ongeschoren bij en heeft hij absoluut geen aandacht voor zijn kleding. Meestal draagt hij versleten slobberkleding, grote werkmansschoenen en heeft hij ongekamde haren.. Zijn verschijning is waarschijnlijk de reden dat de buurman een notoire vrijgezel is. Het feit dat hij nu zo netjes gekleed is, heeft overduidelijk een reden. Want naast hem loopt een dame, en niet zomaar een dame. Een grote struise donkere dame met prachtige afrolvlechten, een puntgaaf vrolijk en open gezicht, waarin een brede glimlach te voorschijn komt bij ieder woord van de buurman. De vrouw is gekleed in een zomerse jurk die nauwsluitend om haar lichaam zit. Haar borsten mogen er zijn, maar vooral haar billen komen op een prachtige geraffineerde wijze uit in haar kleding. Het zijn prachtige stevige billen die met bevalligheid getoond worden, zoals alleen donkere vrouwen hun achterste met trots aan de wereld laten zien. Ook al zijn die billen volgens de norm aan de forse kant.
De man staat aan de grond genageld bij het zien van de schoonheid en dan nog wel in gezelschap van de morsige buurman. Een ongeloofwaardige combinatie die komt aangewandeld.
‘Goedemorgen’ zegt de buurman opgewekt.
‘Hallo’ zegt de donkere dame met een sensuele klank in haar stem, terwijl ze de rokende man indringend aankijkt.
De man kan amper iets terugzeggen, en zijn tegengroet lijkt meer op een paar gorgellende en kwakende keelgeluiden.
Het tweetal loopt verder. Op het moment dat de man het volledige zicht heeft op de billen van de mooie vrouw, kijkt ze achterom. Ze geeft haar mooiste glimlach, pakt haar partner stevig bij zijn arm en schudt, heel even maar, met haar magnifieke billen in het volle besef wat voor effect dat heeft op de starende man. Nog een keer kijkt ze achterom. Dan ziet ze dat de man een kreet onderdrukt. Een kreet veroorzaakt door een brandende sigaret die doorsmeulde terwijl de man met open mond naar de zwarte Madonna staarde.
Het stel loopt verder, terwijl de man de peuk weggooit en zijn geblesseerde vingers ter afkoeling in zijn mond stopt.
‘Ik moet maar eens stoppen met roken, daar komen alleen maar rare gedachtekronkels van.’