Mijn Conventie van Achlum

Een enthousiast blogger en een starter op andere sociale media zoals Facebook en Twitter, that’s me. Niets bijzonders, maar er zijn momenten dat ik de onverwachte genoegens van bijvoorbeeld Twitter erg kan waarderen. Aanvankelijk stonden Facebook en Twitter in dienst om mijn blog te promoten. Zo ook afgelopen woensdag. In mijn hoofd zat een stukje tekst en dat kwam er vlot uit. Over Andrée van Es, Bart Spruyt en hoffelijkheid. Geen wereldschokkend stukje tekst, maar toch het kreeg niet de aandacht die het ik vond dat het verdiende, dus maar een beetje twitteren met die handel.

 

‘Hè, de conventie van Achlum gaat over de toekomst van Nederland, daar gaat mijn stukje ook over, op mijn manier dan. Ik twitterkoppel dat lekker aan elkaar. Weinig enthousiasme. ’s Avonds herinner ik me mijn eigen blog over de kerkdienst van Achlum en ik promoot ook dat stukje maar even.’

 

 

 

 

 

De volgende dag onverwacht de vraag of ik interesse had om te komen. En ja hoor, de toezegging om op de Conventie van Achlum aanwezig te mogen zijn, kwam in de loop van donderdag. Nog even in de stress omdat het vouchersysteem ‘op’ was, maar we stonden op de gastenlijst, dus even vragen naar T. of M. Ondanks op de media verspreidde waarschuwingen van strenge controle en geen toegang zonder voucher, liep alles gesmeerd.

En dan, kom je ineens terug in Achlum, mijn vakantieoord van 2010, is nu omgedoopt tot een grote snoepdoos van sprekers van heel divers pluimage. ‘Waar ga ik naar toe?’ ‘Heb ik interessante vragen?’ en ‘Wat zijn interessante onderwerpen om over te bloggen?’ Vooral dat laaste is een belangrijke drijfveer. En misschien loopt het op de dag zelf wel helemaal anders. Schrijvers, wetenschappers, politici en bestuurders uit heel Nederland zijn uitgenodigd mee te denken over: ‘Staat en de toekomst van Nederland.’ En dat allemaal omdat verzekeringsmaatschappij Achmea haar 200 jarige bestaan viert en terugkomt bij de bron van haar ontstaansgeschiedenis ACHLUM. O ja, Bill Clinton is ook een van de sprekers. En ik mag er naar toe. Mijn zwager offreer ik ook de snoepdoos van sprekers en uiteraard maakt hij zijn eigen keuze. De avond vooraf vind ik het nog steeds moeilijk te kiezen. Ik weet één ding zeker, als ik terugkom, zal ik op me achterhoofd wrijven vanwege alle sprekers en nieuwe inzichten die ik niet heb mogen ervaren.

De Conventie van Achlum heeft in ieder geval gezorgd voor vier blogs (in mijn hoofd) en via dit introducerende blog geef ik mezelf de opdracht om tussen de bedrijven van het normale leven door, de stukjes te schrijven, over ‘De staat en de toekomst van Nederland.’ Ik wil daar rustig de tijd voor nemen en om te voorkomen dat ik ellenlange epistels ga schrijven, immers ‘In die Beschrenkung zeigt sich der Meister’ , echter via een beloftedatum gooi ik de druk erop om wel door te werken.

31 mei 2011

Opening, sfeer en verloop van de Conventie van Achlum.

3 juni 2011

Ben ik pensioenproof op mijn 45e? Kan mij het schelen.

Aanleiding is het gesprek tussen Mei Li Vos, Kees de Lange en Nynke de Jong.

5 juni 2011

Vind ik de moderne vrouw wel zo leuk?

Aanleiding is het interview door Arie Boomsma met Aaf Brandt Corstius

10 juni 2011

Open brief aan de directeur van GGZ Nederland

Aanleiding is de lezing van Paul van Rooij over de reflectie van de GGZ

Uiteraard ga ik mijn best doen mijn belofte waar te maken. U kunt me voor de zekerheid ook volgen op Twitter via @sprakeloosID om de stukken van uw voorkeur niet te missen. Want vooral Twitter blijft een belangrijke bron van reclame. En je weet maar nooit wat er van komt, misschien zijn er nog veel meer conventies?

Pro hoffelijkheid en burgerzin

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

‘Een Surinaamse klootzaak, is ook gewoon een klootzak.’

We schrijven 1986, mijn iets jongere broer is net in Amsterdam gaan wonen om te studeren. Zijn fiets is onder bedreiging van hem afgenomen door een Surinaamse junk. Ik gaf hem broederlijke troost. Iets later, 1988, krijgt hij een lezing van een bekende GroenLinkser Mohamed Rabbae, toen nog directeur van het Nederlands Centrum Buitenlanders. Rabbae liet zijn gehoor, aankomende leraren, weten wat ze allemaal moesten doen voor allochtonen in de klas. Mijn broer had de euvele moed om te vragen wat de allochtonen moesten doen om mee te komen in de Nederlandse maatschappij. Uit tweede hand, mijn broer dus, gaf te kennen dat Rabbae dit af deed als een domme vraag. Mijn broer wist wel beter.

We waren beide toen enigszins politiek geëngageerd en we neigden steevast te stemmen voor die minderheid die nu de Linkse Kerk wordt genoemd. Het was vaak de PvdA, maar soms ook een andere partij. Een enkele negatieve ervaring was geen reden om van ons ‘geloof’ af te vallen, maar we waren zeker niet blind, toen al niet. Wat mijn broer nu stemt, weet ik niet, maar ik durf mijn hand in het vuur te steken dat het geen gedoog- of regeerpartij is. Zelf heb ik me verzoend nog immer op die minderheid te stemmen, die nooit een meerderheid is geweest en voorlopig ook niet zal worden. Ze hebben volgens de vuilspuitende propaganda van de Rechts conservatieve Kerk wel heel Nederland naar de verdoemenis geholpen.

Bovenstaande voorbeelden in mijn dagelijkse leven van weleer drongen zich weer op, na lezing van een opiniestuk van Bart Jan Spruyt in de Volkskrant van vandaag (25 mei 2011). Ik ken de heer Spruyt van af en toe een interview op de radio en, hoewel ik het zelden met hem eens ben, herken ik de gave van een intellectueel debater. Het stuk in de Volkskrant, natuurlijk opiniërend, doet afbreuk aan dat intelectuele imago.

Allereerst verbaas ik me altijd over de enorme invloed die Spruyt, maar ook veel PVV-ers, de linkse partijen toedichten. Ik herinner vanuit de jaren tachtig al dat de SP kritische geluiden liet horen ten aanzien van het multiculturele vraagstuk, de PvdA was op economisch gebied al behoorlijk aan het liberaliseren, hetgeen ze nu duur is komen te staan. En dan GroenLinks en al hun voorgangers. Acht zetels, hooguit, zijn dus verantwoordelijk geweest voor het multiculturele drama. Goed misschien onder toeziend oog van een aantal theedrinkende PvdA-ers. Maar links heeft nooit en te nimmer een meerderheid gehad, in de verste verte niet. In sommige steden waaronder Amsterdam wel. Maar Amsterdam is Nederland niet al denken veel autochone Amsterdamers daar beslist anders over. Schuld of verantwoordelijkheid is dus niet een beperkte groep aan te rekenen, hooguit de Nederlandse samenleving als geheel.

Het tweede tegenvallende in het betoog van de voorzitter van de Edmund Burke Stichting is het feit dat er zo weinig originaliteit en eigenheid tot uiting komt. De eigen mening is gebaseerd op wat de ander niet goed doet vanuit de conservatieve optiek, of het maken van, in dit geval, vermeende fouten.

Met de heer Spruyt ben ik het eens dat de hooghartigheid van linkse politici af en toe stuitend kon zijn, maar zeker niet stuitender dan die van rechtse politici. Naast humor had Hans Wiegel bijvoorbeeld niet alleen een zweem van hooghartigheid, hij was de verpersoonlijking ervan. En voor degene die wel eens in rokerige zaaltjes heeft gezeten met plaatselijke MKB-ers, weet dat er ook andere soorten van hoogharigheid zijn dan de zogenaamde linkse hooghartigheid, namelijk de hooghartigheid van ‘wij betalen belasting (maar ontduiken die ook handig.)

Ik vergelijk de linkse hooghartigheid bij sommigen vooral met de christelijke hooghartigheid, ook bij sommigen uiteraard, namelijk het ten onrechte uitgaan van een beter mens te zijn. Bij de meeste christenen is dat gelukkig niet zo, maar ook bij de meeste Linkskerkers is dat evenmin het geval. Een verdere overeenkomst tussen beide groepen, de christelijke en de linkse politici is een mensbeeld dat niet alleen uitgaat van de individu, maar ook kijkt naar de samenleving als geheel. Ik persoonlijk deel dat mensbeeld. De mens als individu is in principe ook (of misschien wel vooral) een sociaal wezen.

Wat ik links in zijn algemeenheid wel verwijt, is het feit dat zij de fatsoensagenda zo sterk door rechts laten bepalen. In die zin waardeer ik het hoofdstedelijke initiatief van Andree van Es in hoge mate. Deze politica kan mijns inziens helemaal niets verweten worden over het maken van fouten, hooguit is er sprake van voortschrijdend inzicht omdat de sociaal maatschappelijke omstandigheden veranderd zijn. Ik zou dat vooral willen kwalificeren als een positieve kwaliteit. Meer linkse politici zouden zich moeten gaan uitspreken over hoffelijkheid of welke andere benamingen iemand er ook aan wil geven. Het is een verantwoordelijkheid van iedere politicus om dit op gezette tijden bespreekbaar te maken. Linkse politici gaan misschien te veel uit van het goede van mensen en minder van de verschillen tussen mensen in de samenleving. In die zin kun je een aantal linkskerkers naïef noemen.

Andree van Es heeft de handschoen opgepakt, maar ze was zeker niet de eerst en zal ook niet de laatste linkse politicus zijn die over moraliteit in de samenleving zal spreken. Gelukkig niet, want misschien is het nu nog wel veel harder nodig, nu het gedoogkabinet wel fatsoen predikt (soms zelf neigt tot repressie), maar dit niet in haar beleid tot uiting laat komen. Integendeel. In een cynische bui denk ik wel eens dat onhoffelijke maatschappelijke zeden, leiden tot onhoffelijke politici en andersom. Ook mijn mensbeeld is niet altijd optimistisch onder dit kabinet.