Une femme (pas) fatale

Frequent kom ik op het station van Arnhem. Soms neem ik de auto en in sportievere tijden fiets ik naar het werk. Dat laatste is dit jaar nog maar een enkele keer gebeurd. Ze zeggen dat Nederland vlak is, maar een enkele IJstijd heeft gezorgd voor ogenschijnlijk nietszeggende stuwwallen en met mijn rokerslongen zijn de heuvels een pittige aanslag op mijn fysieke gesteldheid. Dus neem ik vaak de trein.

Het station van Arnhem is al jarenlang een bouwput en daarmee een nog desolater oord dan de meeste stations in Nederland.

 

Deze zomer is besloten extra hard te werken aan het station. Een maand lang rijden er geen treinen richting Utrecht en Nijmegen. Met het feit dat er geen treinverkeer mogelijk is naar de Keizerstad, vervalt ook een van de schoonheden van Arnhem, want dat is natuurlijk de trein naar Nijmegen. U weet nu waar mijn voorkeur ligt. Maar ik hoef niet naar Nijmegen, maar richting de Achterhoek en die trein rijdt nog wel.

De vakantieperiode, in combinatie met beperkt treinverkeer, maakt de perrons leeg. Je kunt wel, wachtende op de trein, kijken naar de werkzaamheden op en rond het spoor.

 

 

 Met oprechte bewondering aanschouw ik het leger mannen dat bezig is met een nieuwe overkapping op de eerste perrons. Anderen zijn bezig met graafwerkzaamheden of voeren puin af. Met mij zijn er meer bewonderaars van de bouwwerkzaamheden, vooral oudere mannen die helemaal niet met de trein ergens naar toe moeten. Ze zijn door hun vrouw het huis uit gestuurd omdat ze toch maar voor de voeten lopen. Deze zomer kunnen ze zich vermaken op het Arnhemse station.

 Ik heb de trein gemist, dus er is bijna niemand. Een kwartier later komt de volgende trein pas. Als de eerste medereizigers zich aandienen, zie ik in mijn ooghoek een grote blonde jonge vrouw aanlopen. Nu heb ik bewondering voor bouwwerkzaamheden, echter ik snap er niet zoveel van. Met grote blonde vrouwen is dat precies hetzelfde. Meestal hoeft dat gelukkig ook niet. Deze vrouw is bijna net zo groot als ik, zeker 1.80. Ze draagt bovendien hoge gehakte laarzen van een stoer soort. Dit maakt haar verschijning nog imposanter. Haar stevige, volgens de Sonja Bakker-normen iets te dikke lijf, wordt geaccentueerd door een zwarte katoenen strechjurk die tot even boven haar knieën komt. Ze heeft gave, mooi gebruinde benen. Voor dat ik haar gezicht kon zien, liep ze al langs me heen. Wat rest, is uitzicht op een Goddelijk bouwwerk van de achterkant. Omdat ik me sterk bewust ben van mijn primitieve focus, besluit ik niet langer te kijken. Ik ben immers geen Neanderthaler. Bovendien schuif ik zo aan tafel bij moeder de vrouw.

 De blonde dame is al weer uit mijn gedachten, als ze geheel onverwacht weer langs komt wandelen. Ze luistert naar muziek en gunt me ogenschijnlijk geen blik waardig. Haar blonde opgestoken haren omlijsten een fijn, maar gesloten gezicht. Ze gaat op anderhalf meter van me staan, leunend tegen hetzelfde hekwerk en kijkt ook naar de mannen.

Mijn aandacht geldt niet meer de werkzaamheden. Ik voel me ongemakkelijk omdat ze in mijn aura staat. Ik weet niet of ik dat aangenaam moet vinden. Hoewel ik de blonde femme fatale nu beter kan bekijken, stoort het me dat ze zo dicht bij me staat. Andere mensen staan minstens twintig meter verder. Waarom zo dichtbij? Wat moet ze van me?

Volgens mij zeggen ongeschreven regels in liften en ruimtes dat onbekenden altijd een plaats zoeken op gepaste afstand zodat de ruimte gelijkelijk is verdeeld tussen de mensen. Volgens deze ongeschreven regel had ze tien meter van me af moeten staan. Nu voel ik haar lichaamswarmte bijna, of wordt de verhitting veroorzaakt door mijn eigen psychische onbehagen.

 ‘Naar wicht’ denk ik, terwijl ik haar en profil begluur. Lange wimpers zie ik en een gedistingeerde make-up, zeker niet ordinair.

‘Zit daar een beetje ongenaakbaar te zijn in mijn aura.’

Haar ronde vormen worden nu ook door andere voorbijgangers waargenomen, zowel door mannen als vrouwen.

Een van hen kijkt jaloers en lijkt het leeftijdsverschil van bijna twintig jaar niet te kunnen bevatten. Ik wil hem naroepen dat hij dit goed zit, maar voel me ook een beetje trots.

‘Och, misschien is ze alleen onzeker en zoekt ze de nabijheid van een vaderfiguur en niet de drukte van meerdere reizigers’, vergoelijk ik haar gebrek aan fysieke distantie.

Mijn vaderlijke gevoelens verdwijnen echter als sneeuw voor de zon als ik haar delicate parfum waarneem.

‘Wat is het reukorgaan toch een sterk onderschat zintuig.’

Haar fijne neusje prijkt arrogant in de lucht en mij heeft ze nog niet zien staan.

‘Zou er zoiets bestaan als auravredebreuk’ vraag ik me af.

Ik vrees dat je hiermee niet bij de politie kunt aankomen en als ze de hemelse verschijning van de verdachte zien, zullen ze me zeker besmuikt uitlachen.

 ‘Ben ik nu een gevaar voor deze dame of is deze dame nu fataal voor een onschuldige 44- jarige penopauzer?’

Ik voel me bijna verplicht een openingszin te plaatsen, maar ik heb net gerookt, ik heb geen verstand van mode om een compliment over haar kledingkeus te geven en een seksuele toespeling over haar ronde vormen is natuurlijk per definitie ongewenst, nog daargelaten of ik dat zou durven.

In Brazilië is er een spreekwoord voor als je Rio de Janeiro bezoekt. Naast allerlei wereldlijk vermaak in de metropool, kun je je ogen wassen door naar al het fraaie vrouwelijke schoon te kijken dat rijkelijk paradeert in de straten en op de boulevards.

 Deze gedachte brengt de rust weer bij me terug en durf nu zonder gêne de jonge vrouw te observeren.

‘Vergis ik me nu, of is de vrouw iets meer ontspannen?

Een vage glimlach krult haar lippen en maakt haar iets minder ongenaakbaar. Of is de licht spottende lach naar mij gericht? Heeft ze me door?

Het kan me ook niet schelen, ik heb de zekerheid dat ik met gewassen ogen thuis kom en dat is toch ook wat waard. Eenmaal in de trein raak ik haar kwijt.

Ze stapt niet tegelijkertijd uit. Lopend langs de raampjes, zie ik haar weer zitten. Ze gaapt en wrijft in haar ogen, vast een vuiltje. Waar zal zij dan naar gekeken hebben?

 

Overal kussen, ranzig zeg! Exile/ Kiss you all over

 Het moet volgens mij 1979 zijn geweest toen mijn dagelijkse bestaan een emotionele hobbel te verwerken had. Nu is dat als puber, ik zal dertien zijn geweest, wel vaker het geval, maar deze shock heb ik geheel alleen moeten verwerken. Vader en moeder waren niet de aangewezen personen om mijn psychisch leed te verzachten, het ging namelijk over sex enzo! Hoe ruimdenkend ze ook pretendeerden te zijn, als puber praat je niet over bepaalde zaken met je ouders. Ja, misschien het technische verhaal van de bloemetjes en de bijtjes, maar dat wist ik op mijn zevende al. Daarvoor hulde aan mijn ouders, maar het probleem op een winterse dag in 1979 kon niet door ze opgelost worden.

Ook vrienden konden mij niet verder helpen. Althans dat oordeelde ik toen zo, na het horen van de grote hit van Exile met ‘Kiss you all over’. Nu was mijn Engels nog niet zo geweldig maar de titel ‘Kiss you all over’ liet aan duidelijkheid niets te wensen over. Ik kon er helemaal niets mee en dat onvermogen wilde ik vooral niet delen met vrienden. Stel je voor dat ze me zouden uitlachen, ik wilde vooral geen slome zijn. Met mijn beperkte vocabulaire van de Engelse taal wist ik dat ‘Kiss you all over’ betekende dat het kussen echt overal zou plaats vinden. Overal? Een zeer ranzige gedachte vond ik dat toen. Ook intrigerend, maar vooral ranzig.

Terugkerend naar de situatie van toen, ik haalde mijn muziek met een open microfoon naar een cassettebandje, meer had ik niet tot mijn beschikking. Vaak was dat de top 50 of Veronica’s top 40, maar het liefst van het radioprogramma Postbus 1966, een verzoekplatenprogramma. Daar werd namelijk niet doorheen geluld al moest je zondag om acht uur ’s ochtends present zijn met je microfoon bij de boxen van de stereo van je ouders. Een van mijn ‘vangsten’ was dus Exile met ‘Kiss you all over’ dat ik dan op mijn eigen kamertje afluisterde al dan niet met het geluid van de Franse klok van mijn ouders die een vrolijke noot mee beierde vanwege de primitieve omstandigheid met de open microfoon.

Overal kussen dus. Met mijn parate biologie kennis in mijn achterhoofd stemde me dat niet vrolijk. Dat kon toch niet waar zijn? Nu moet u weten, ik had echt wel eens een ondeugend plaatje gezien en wist van het bestaan van die praktijken, maar omdat pornografie voor mijn soort jongens in de veilige omgeving van een dorp in het oosten van het land behoorde tot de rafelranden van de maatschappij, was de songtekst dus schokkend. Er was nog geen internet waarbij je met een ‘foute’ druk op het toetsenbord de hele menselijke vleesindustrie kunt aanschouwen. Ik moest de situatie een mijn eentje verwerken. Vaak heb ik het liedje op mijn kleine sonyrecorder afgedraaid.

Vandaag hoorde ik het liedje op de radio en moest glimlachen. Het mooie van de hedendaagse techniek dat het nummertje zo weer op te roepen is op youtube. Heel wat gemakkelijker dan 30 jaar terug. De tijd heeft niet stilgestaan. Trouwens over de titelsong van dit prachtige nummer kan ik u melden dat ik ermee kan leven. Ook hier heeft de tijd niet stil gestaan.

Dorus de Binnenboel en de koningin van Lombarije

‘Einsteigen und schnell bitte’ schalt Dorus naar zijn gevolg. Het geluid draagt ver weg op deze koude, maar reeds zonnige lenteochtend. Flarden mist bedekken het gemeenteparkje en de huizen in de verte zijn slechts met moeite te onderscheiden, maar overduidelijk gaat het een zonnige dag worden.
Nogmaals maakt Dorus zijn misplaatste grap en voegt er aan toe: ‘In einem Augenblick fahren wir in das Land unseren Nachbarn, aber wir bleiben dort nur 7 Stunden.’ Dat was immers de planning van Dorus om zeven uur later in de buurt van het Zwitserse Basel te zijn op weg naar hun vakantiebestemming in het Noorden van Italië.
Dorus kan Duits wauwelen tot hij een ons weegt, zijn kroost zit al meer dan tien minuten in de auto. Ze zijn opgewonden over het feit dat ze met hun ouders op vakantie gaan. De lange autorit nemen ze voor lief in de wetenschap dat de gameboy, snoep en op zijn tijd een culinair hoogstandje bij één van de alom geprezen Duitse Raststättes, hun deel zullen worden. Dora daarentegen laat zich niet van haar plan brengen om strijkijzer, koffiezetapparaat, televisiekabels en wat al niet meer voor de derde keer deze ochtend te controleren, want er gaat niets boven de binnenboel veilig achter te laten.

Als Dora dan eindelijk naast hem komt zitten, kan Dorus de verleiding niet weerstaan:
‘Heb je ook de computer uitgezet?’
Met een zucht wil Dora uitstappen, maar als ze het gezicht van Dorus ziet en ook de protesten van de kinderen tot zich laat doordringen, begrijpt ze dat een extra controle niet meer nodig is.
‘Flauw hoor.’ zegt ze, om vervolgens aan de volgende ronde te beginnen namelijk het controleren van passen, pinkaarten en verzekeringspapieren. Terwijl Dorus de auto start, weet hij dat tien kilometer verderop, als ze de landsgrens zijn gepasseerd, de vakantie echt kan beginnen. Dora heeft zich er dan van vergewist dat alle documenten meegenomen zijn.

De Duitse autobanen kent geen geheimen voor Dorus, dus van een echtelijk dispuut over borden volgen, kaartlezen of de mate waarin het ruimtelijk inzicht aanwezig is bij de vrouw, hoeft geen sprake te zijn. Geen vuiltje aan de lucht, dus niets staat een voorspoedige reis in de weg.
Traditiegetrouw staat een Nederlandse zender, te weten Radio 1 aan, om getuige te zijn wanneer het gekraak van dien aard is, dat uitgeweken moet worden naar ander auditief vermaak. Soms is dat al voor Oberhausen, vaak is de zender nog wat langer te beluisteren. Als het gekraak te erg wordt, zal een aanvraag voor een CD vanuit de achterbank gelanceerd worden.

‘Mag mijn CD erop?’ vraagt de oudste.
Dorus inmiddels wijzer geworden, berust zich met de wetenschap dat hiphop, rap of vage R&B zo dadelijk door de auto zal schallen.
‘OK, maar straks weer onze muziek, eerlijk de tijd verdelen.’
De laatste twee vakanties is Dorus gewend geraakt aan Alie B, allerlei DJ’s of wat te denken van Emenem, die zelfs nog enige acceptabele nummers voor het gehoor van Dorus heeft geproduceerd. Niets vermoedend stopt Dorus het schijfje in het apparaat.
‘Heb ik zelf gedownload.’ krijgen Dora en Dorus toegevoegd.
Bij Keulen wordt een parodie van de laatste zomerhit door de speakers geknald, alsof wijlen ZKH prins Bernard aan het zingen is. Het gaat over Duitsers hier, Duitsers daar, Duitsers overal.
‘Me dunkt’ mompelt Dorus, ‘we zijn Keulen voorbij.’
Wijselijk houdt hij zijn mond dicht, maar het kan nog erger blijkt.
Het tweede nummer wordt door de achterbank en de luidsprekers luidruchtig meegezongen.
‘Ich bin Schnappie, das kleine Krokodill.’
Dorus kijkt Dora aan en zegt:
‘Ik wist van het bestaan van dit lied, maar had het nog niet eerder gehoord. Dat uitgerekend dit culturele dieptepunt van menselijke degeneratie in onze eigen auto moet worden gedraaid, bewijst het falen van onze opvoeding.’
Dorus draaft altijd een beetje door als hij geraakt wordt door totale wansmaak.
‘Ach laat ze toch effe’ meent Dora.

Mokkend rijdt Dorus verder richting Frankfurt. Hij denkt aan vakanties van zo’n vijf jaar terug. Liedjes van ‘Ja zuster, nee zuster’ zijn voor hem verbonden met de vakantie. Ook allerlei CD’s van Ernst, Bobbie en de rest doen hem denken aan betere tijden in Frankrijk, Tsjechië of waar dan ook in Europa. Zelfs de veel te hoge kinderstemmetjes van koortjes die oude liedjes van vroeger zingen, zouden in plaats van ‘Schnappie’ een zegen zijn geweest.
Met een glimlach op zijn gezicht neuriet Dorus:

De koningin van Lombardije
Ging in haar rijtuig, ging in haar rijtuig
De koningin van Lombardije
Ging in haar rijtuig rijen

“Wat zeg je?’ vraagt Dora naast hem.
‘O niets, ik zei tegen mezelf dat we naar Lombardije gaan.’
Dorus weet uit het liedje dat het slecht afloopt met die koningin die haar volk bedroog met een louter zwaaiende hand uit de koets. Verder weet Dorus helemaal niets van de geschiedenis van Lombardije, behalve dat het iets met het Congres van Wenen heeft te maken en met die Habsburgers, die overal in de Europese geschiedenis op de meest onverwachte tijden en plaatsen weer te voorschijn kwamen.
Ook Dora vindt dat de bagger die vanaf internet is geplukt genoeg en zoekt naar een gezamenlijk compromis. Met Acda & De Munnik wordt Frankfurt inmiddels genaderd. Daarna volgen Karlsruhe, Basel, Luzern en San Gothardo om vervolgens in Lombardije aan te komen. De hele dag blijft de koningin van Lombardije in het hoofd van Dorus zitten. Het liedje eindigt dat op haar graf de nephand nog immer aanwezig is. Bij harde wind zou die hand nog steeds naar het volk van Lombardije zwaaien.
“We moeten misschien maar eens op zoek naar het graf van de koningin van Lombardije’ zegt Dorus die een poging doet om de vakantie ook een opvoedkundige en culturele dimensie te geven.
‘Wie is dat dan nu weer.’
‘O, dat is een heel beroemde hip-hopster uit de 19e eeuw die het geschopt heeft tot koningin van het land waar we nu zijn, Lombardije heette het toen. Toen ze echter haar mensen voor de gek ging houden met allerlei rare liedjes en grapjes hebben ze haar vermoord.’ Er is nog steeds een kinderliedje dat over haar gaat, dat hebben we vroeger vaak gezongen, weet je nog.’
Dora kijkt hem aan en denkt waarschijnlijk, los dit zelf maar verder op. De kinderen laten zich echter niet bedotten.
‘Mag mijn CD er weer op.’
En met Schnappie das kleine Krokodill bereikt Dorus en zijn gevolg de plaats van bestemming in Lombardije.

ONS DORP: Duiven, Roosbeef, Koeioneur

Een grootheid in de Nederlandse cultuurwereld, Wim Sonneveld, zong het lied ‘Ons Dorp’ en menig 50 plusser verdrinkt voor eventjes in zijn nostalgische verleden. Ons Dorp is zo herkenbaar dat ook voor nieuwe generaties altijd weer veilige en vroegkinderlijke gevoelens naar boven komen bij het horen van dit liedje. Iedereen heeft wel een beetje een Ons Dorp-gevoel, ongeacht leeftijd of plaats van herkomst.

Zelf woon ik nu zo’n tien jaar in Duiven. Ik woon er goed, maar mijn dorp zal het nooit worden. De gemeente Duiven heeft zich in de jaren 80 aangemeld als groeikern en dat is dan ook rigoureus aangepakt. Uiteraard betekende dat logischerwijs een enorme aanwas van nieuwbouw. Mooi is het niet altijd, maar nogmaals het woont zeer prettig. Maar de projectontwikkelaars zijn zo ver gegaan dat bijna ieder historisch pand en/of dorpsgezicht er aan moest geloven. Van het oorspronkelijke lintdorp is hoegenaamd niets meer over. De oudere Duivenaar zal met zeer veel weemoed terugdenken aan vroeger en ik durf niet eens te zeggen of hij kan zwijmelen boven een oude ansichtkaart om zijn geheugen op te frissen.

Nu is Duiven geen trieste moderne vinexlocatie, de sfeer is er overwegend nog gemoedelijk en soms zelfs nog dorps, al ligt Arnhem op slechts 10 minuten per trein. En toch heeft Duiven het niet en dat komt mede door een irrationele vernieuwingsdrang en daarmee is het oude inmiddels grotendeels verdwenen. Historie en cultuur staan bij de gemeenteraadsleden niet in zo’n hoog aanzien, de hoofden hangen vaak naar de (beurs) van projectontwikkelaars.

Aan de rand van Duiven, naast de nieuwbouwwijken stond nog een oude boerderij. De boer was al weg, maar de sfeer van de boerderij was nog zichtbaar. Sterker nog de bewoners (familie Rebergen) bouwde het uit tot een ware theaterboerderij. Het mocht niet zo blijven. De nieuwbouwwijk mocht niet een fractie kleiner worden zodat de boerderij geïntegreerd kon worden in de vernieuwingsdrang. De boerderij is niet meer, na een lange strijd. Historie wordt in Duiven gesloopt en cultuur mag er niet zijn. Jammer, heel jammer.

Maar op de resten van het overgebleven schroot bloeit wat moois op, maar niet meer in Duiven. Van dit moois is de basis gelegd op de theaterboerderij ‘De Koeioneur’ waar de dochter des huizes, Roos, de artiesten heeft gezien en de vrijheid van de boerderij heeft mogen ervaren. Thans treedt ze op met haar band Roosbeef door het hele land. Onlangs is de CD verschenen met alleen al een prachtige titel: ‘Ze willen wel je hondje aaien maar niet met je praten.’

Een nummer van Roosbeef wil ik graag onder de aandacht brengen. Roos Rebergen beschrijft daarin op dichterlijke wijze de afbraak van haar boerderij. De nostalgie van ‘Ons dorp’ komt bij mij naar boven. Grote hulde voor Roos Rebergen, maar niet voor Duiven. Roosb(l)eef niet in Duiven en dat is jammer, heel jammer.

 

 

Moeten we ineens porno kijken?

 

Soms zijn er van die berichten die mijn wereldbeeld totaal in verwarring brengen. Laatst was er weer zo’n flits op de radio. ‘Porno kijken is goed voor de aanmaak van dopamine en daarmee testosteron’. Viagra is een onnodige toevoeging aan het dieet van de man die minder kan en/of meer wil. Een uurtje porno kijken op het internet heeft dezelfde uitwerking op de testosteronspiegel. Dus de makers van viagra voeren de komende jaren slechts een achterhoede gevecht. Porno is namelijk in grote hoeveelheden zonder al te veel moeite op het internet te vinden.

Dat staat dan haaks op de bevindingen van psychologen die beweren dat er ook zoiets als porno-impotentie bestaat. De overvloed, het onrealistische sexgebeuren dat door de gemiddelde mens niet is na te bootsen, kan alleen maar tot enorme teleurstellingen leiden. En dan hebben we het nog niet over de volmaakte vrouwenlichamen, al dan niet geholpen door de plastische chirurgie, of mannen met jannen van minstens ‘7 inches or more’.

En alsof dat nog niet genoeg is, ook het feministische gedachtegoed uit de zeventiger jaren heeft, al dan niet geholpen door onze calvinistische inslag, geleid tot een ambivalente verhouding ten aanzien van sex in het algemeen en pornografie in het bijzonder. Daarom kijken we het op internet, volgens onderzoeken, massaal. Natuurlijk wel heimelijk, mannen iets meer dan vrouwen. En mochten we de schaamte voorbij zijn en we bekijken het publiekelijk, dan zijn we of geobsedeerd, of viespeuken. Tenzij we kunstminnend zijn, want dan heet het geen porno meer, maar wordt er een maatschappelijk statement gemaakt.

Echter nu met de nieuwe wetenschappelijke gegevens moet porno in een heel ander daglicht gezien worden. Het is goed voor je libido en daarmee goed voor je relatie zoals we in het actuele spotje over libidoklachten moeten geloven. Bovendien houdt het de apotheek buiten de deur, hetgeen ook goed is voor de staatskas en in ieder geval zal je Spamfilter minder overuren hoeven te maken.

In hetzelfde bericht wordt echter ook gewag gemaakt van acties die je niet moet doen. Je kinderen knuffelen is absoluut schadelijk voor je dopamine aanmaak, dus dat is uit den boze. Houd je kinderen dus vooral op afstand.

In verwarring lees ik het bericht na op internet. Ik vraag me dan altijd af welke machten het onderzoek gefinancierd hebben. Zou de porno-industrie om gelden verlegen zitten en hiermee nieuwe bronnen willen aanboren? Of in het geval van porno-impotentie, zou het een stevige feministische kliek paarse tuinbroeken zijn in nauwe samenwerking met christelijke partijen die ons doen laten geloven dat porno je potentie verdrijft?

Ik weet het echt niet. Het is zomaar een berichtje dat ik met u wil delen en ik ga over tot de orde van de dag, ik ga verder met ……….bloggen.

Een fijn oer Hollands gevoel

 Een puur warm Nederlandsch gevoel, dat is wat me overkwam op een willekeurige zaterdagmiddag in Utrecht. Heerlijk, het gevoel had wat mij betreft uren mogen duren. Bij de roltrap, aan de zijde van het Jaarbeursplein, speelde het draaiorgel Zwerver onvervalst Nederlandse liedjes en andere vrolijke noten. De begeleiding kwam van twee mannen, type volksjongens. De ene wat morsig en al op leeftijd, de andere kaal, duidelijk de leider, hij had weliswaar een kekke bril op, maar nog steeds een ‘egte Utrègg’ supporter van de goede soort. Ritmisch rammelden hun koperen geldbakjes mee op de deuntjes. ‘Aan de Amsterdamse grachten’ en “Heb je even voor mij’ van Fransje Bauer.

Voor Bauer misschien wel even tijd, maar zeker voor het draaiorgel. Nu heeft de ambiance zo even na het middaguur op die plek in Utrecht geen hoog Anton Pieck gehalte, maar de vrolijke klanken van Zwerver bezorgden me het gelukzalig gevoel in Nederland geboren te mogen zijn. (De oplettende lezer en zij die vaker een stukje van mijn hand lezen weten het al, ik gebruik bewust Nederland en niet de veelgebruikte en misplaatste term Holland, maar dit terzijde.) Ik stoorde me niet aan de moderne bebouwing op het plein en ook de zon verwarmde de mensheid op die plek nog niet. Dat was ook niet nodig, dat deed de muziek wel.

De ‘kale’ had ik die ochtend, voor de ergste drukte op Hoog Catharijne op gang zou komen, al gezien. Hij liep met een trotste parmantigheid met zijn aanhanger met motor over het Jaarbeursplein. Ik wist nog niet wat er onder het grijze zeildoek zat, maar inmiddels begrijp ik zijn trots, het was Zwerver die hij vervoerde. Ik zou ook trots en pedant hebben rondgelopen.

Het plezier van de mannen was duidelijk aanwezig, al was het me niet duidelijk of dat door de muziek kwam of door de aanwezigheid van een praatgrage maat. Een dikke geblondeerde man, met een weliswaar vriendelijk gezicht, maar zeker geen reclame voor de business. Onder het praten, rammelden de twee andere mannen met hun koperen bakjes. Het publiek van verschillend pluimage liep voornamelijk door. Ogenschijnlijk geen vette boterham voor de mannen.

Dan vraag ik me af of dit een particulier bedrijf is, of dat ze van overheidswege gesubsidieerd worden. Met mijn kennis van reclame, marketing en gewone psychologie van de koude grond zou zo’n orgel veel meer opleveren met een ‘paar lekkere dansende wijven’. Maar zou het dan nog echt zijn? Ik denk het niet, bij dat oer Nederlandse gevoel van het orgel hoort ook een morsige orgelman of in ieder geval een jongen van Jan de Witt zonder te veel toeters en bellen.

Nadat ook mijn centen mee rammelen in de koperen bakjes, luister ik nog vijf minuten. Als de muziek stopt blijven de euro’s doorgaan, wachtend op het volgende moppie muziek. Het publiek loopt door en ik ruk me ook los, want mijn plicht wacht elders. Maar eenmaal op de roltrap gaat de muziek weer van start, steeds minder hard naarmate ik hoger de trap op rol. Langzaam dooft het Anton Pieck gevoel, maar de goede zin die blijft. Zeker toen drie uur later, inmiddels in de late herfstzon, de mannen nog steeds even vrolijk het draaiorgel bespeelden.

 

Dorus de Binnenboel doet de Elfstedentocht

 

Er zijn van die dagen in het leven van Dorus dat het niet wil vlotten. Hij wordt dan hevig heen en weer geslingerd tussen “er moet een heleboel, maar het wil maar niet uit mijn handen komen”. Vandaag is het precies zo’n dag. Ondanks de lente die in aantocht is, willen de kriebels nog niet echt binnendringen, de schoonmaakkriebels wel te verstaan.
En toch ligt er een scala aan grote en kleine klusjes op Dorus te wachten.
Dorus kijkt om zich heen en aanschouwt zijn omgeving. Hij werpt een wanhopige blik naar boven alsof daar de oplossing te verwachten is. Maar boven zijn nog veel meer klusjes die vragen om ontklust te worden.
“Was ik maar een echte man” roept Dorus ten einde raad, maar blijft vervolgens gewoon zitten.
Dorus denkt na over het echte man zijn en daarmee wordt zijn schuldgevoel voor even op de achtergrond gezet.

“Ja, een echte man die doet geen klusjes, maar klussen. Hij wast de auto, repareert de wasmachine, vervangt een leertje in de lekkende kraan en verwijdert de groene algen met de hogedrukreiniger die hij gekregen heeft met vaderdag van zijn kinderen, die trots zijn op zo’n handige vader.”
Dorus kijkt naar zijn handen en ziet dat ze allebei dezelfde kant opstaan, de linkerkant wel te verstaan. Een echte man heeft een schuur met gereedschap, maar Dorus niet. Natuurlijk heeft Dorus het hoognodige, een hamer, een zaag, setje schroevendraaiers en dopsleutels en zelfs een heuse gereedschapskist. Die kist heeft Dorus gekregen van zijn schoonouders bij de eerste verjaardag dat ze als zodanig gekenschetst mochten worden.
“Hier een nuttig cadeau voor je,” hoort hij zijn schoonvader nog zeggen.
De arme man wist toen nog niet beter, maar door de hoeveelheid klussen die hij vanaf dat moment al heeft moeten opknappen voor zijn dochter, is de achting voor zijn schoonzoon wel ernstig geslonken.
“Je kunt wel aardig schrijven,” zegt hij soms, maar het klinkt wel wat wrang uit zijn mond.
Een gereedschapskist of niet, meestal moet Dorus toch de spulletjes die in de gereedschapskist zitten elders zien te vinden. Dorus is niet trots op zijn gereedschap, zoals een echte man. Soms droomt Dorus van een grote klopboormachine en dan voelt hij zich een echte man. Hij zou iedereen versteld doen staan.

Voorlopig heeft Dorus nog te maken met de klusjes die op hem wachten. Want zolang je niet aan het klussen bent, is er geen excuus om de klusjes niet te doen. Dat vindt Dora tenminste.

“Maar mannen houden niet alleen van klussen, ze houden ook van sport.”
Met deze rare gedachtekronkel probeert Dorus de klusjes in een positiever daglicht te krijgen. Dorus zit te broeden hoe hij de klusjes kan afwerken in een sportieve happening. Hij pakt de sportbijlage van de krant en probeert daaruit inspiratie te vinden. Bij het zien van de foto van Foppe de Haan, oud-trainer van de voetbalvereniging Heerenveen, thans trainer van jong-Oranje, ontstaat er een plannetje.
“Foppe, Friesland……..een elfstedentocht. Ik ga elf klussen uitzoeken en doe net of ik de elfstedentocht moet schaatsen onder barre omstandigheden.”
In de optiek van Dorus kost het niet zoveel moeite om de barre omstandigheden voor te stellen. Als een ware ijsmeester controleert hij het huis op de meest noodzakelijke klussen. Als hij er elf heeft gevonden, voorziet hij ze allemaal van een passende Friese plaatsnaam te beginnen bij Leeuwarden. De Friese hoofdstad is het zenuwcentrum van de tocht. Daarna volgen Sneek, IJlst, Sloten, Stavoren, Hindelopen, Workum, Bolsward, Harlingen, Franeker, en voor klein klusje tussendoor het onvergetelijke Bartlehiem, om vervolgens bij het keerpunt Dokkum terug te gaan naar Leeuwarden. Eenmaal in Leeuwarden zal de overwinning zoet smaken en zal hij terug kunnen kijken op een geslaagde tocht. Gezien de barre omstandigheden zal een record er niet inzitten, maar de tocht zal een tocht der dapperen zijn en Dora zal hem trots opwachten bij de finish in Leeuwarden. Maar dat is later, eerst zal de tocht gereden moeten worden.

Dorus zet zich schrap voor de start.
“Klaar voor de start, af.”
Nog in het donker, onder het bed van zijn oudste zoon, zoekt Dorus de vuile kleding bij elkaar en deponeert deze in de daarvoor bestemde mand. Leeuwarden ligt nu achter hem. Dan boent hij het tuimelraam in de slaapkamer van zijn jongste zoon, het begint inmiddels een beetje licht te worden als hij Sneek begint te naderen. In IJlst, het is volledig licht, doet Dorus meteen ook het raam van de badkamer. Vervolgens krijgt de badkamer een snelle beurt, als hij in Sloten aankomt. Via de het stofzuigen van de overloop (Stavoren) en het afstoffen van de vensterbanken (Hindelopen) komt Dorus aan in Workum alwaar hij het koffiezetapparaat aanzet.
“Het loopt voorspoediger dan ik dacht” zegt Dorus, “we zijn bijna op de helft. In Bolsward mag ik even rusten.”
Met het vooruitzicht van de koffie had Dorus niet door dat het al meer moeite begint te kosten, maar na Bolsward viel het toch tegen. Naar Harlingen ging het nog net en de vaat was weggewerkt, maar de weg naar Franeker en Dokkum viel zwaar tegen. De vette oven wilde maar niet schoon worden en ook de metalen afzuigkap was een pittig karwei. De juiste cadans werd niet gevonden alsof Dorus een hevige noordooster moest trotseren. Om het leed richting Dokkum te verzachten, besloot Dorus onderweg zijn diskman op te doen. Dat moet in de buurt van Bartlehiem zijn geweest alwaar de Dorus naarstig op zoek is naar zijn CD van de Blaùhuster Dakkapel. Met de vrolijke klanken van dit feestorkest zwoegt Dorus zich een weg naar Dokkum.
Dan de laatste etappe, terug naar Leeuwarden, en dat betekent alles voor het oog netjes maken en alles opruimen wat op zijn weg komt.
Met pijn en moeite komt Dorus aan in Leeuwarden.
“De klus is geklaard”
Want Dorus vindt dat de optelsom van klusjes toch echt een klus genoemd mag worden.
Bij de finish hoort hij een claxon en hij ziet Dora met de auto komen aanrijden. Ze is dus nog net getuige van zijn binnenkomst. Dorus kan de felicitaties in ontvangst nemen.

Dora geeft Dorus een kus en kijkt in het rond.
“Ik zal even de kranten opruimen en de planten water geven.” zegt ze tegen Dorus.
Met stomheid geslagen kijkt Dorus haar aan.
De overwinning smaakt Dorus niet en hij laat het in de nabije toekomst maar weer gewoon bij klusjes.

Tsunami tijd?

Oneindig stroperig is de zee van alle dag
die je vele mogelijkheden geeft
als je die maar bewuster zag
Maar achteraf is de tsunami die je beleeft
van alle dingen van de dag
een vluchtig vervlogen vracht
verwerkend in een onrustige nacht

Morgen moet het anders die nieuwe dag
nieuwe kansen zal die geven
Je aanschouwt de morgen met een lach
De dagelijkse tsunami zal je glansrijk overleven
Lerend van de dingen van de dag
Die verrassende leerzame vracht
Die heb je in je macht

Maar na die onrustige nacht
Stroomt stroperig door de luiken weer de dag
Met een onmetelijke karrenvracht
Van mogelijkheden die je slapend zag
Maar wadend door de stroperige zee
ga je voort en doe je mee
niet bewust van de tsunami van het leven
die de nacht heeft weggedreven.

Vermijdt Prozac! Neem Maria. Die van Rowwen Hèze

Jaloers, stinkend jaloers ben ik op mensen die hun gevoelens kunnen uiten op kunstzinnige wijze. Dat kan een schilderij zijn of een muziekstuk. Ik kan dat niet, helaas. Op de middelbare school heb ik voor het laatst een penceel vastgehouden en een potlood gebruik ik alleen bij het ontberen van een balpen. Als het om mijn muzikale kwaliteiten gaat, ben ik genetisch iets beter bedeeld, maar na drie jaar accordeonles gaf ik de pijp aan Maarten. Zo rond de Sinterklaastijd speelde ik de laatste jaren nog een deuntje voor de kinderen, maar die zijn daar nu te oud voor.

En de kunst van het geschreven woord zult u denken? Ja, dat is ook heel knap, maar als een van de vele wannebeschrijvers droom ik net als meer dan een miljoen andere Nederlanders ooit nog eens iets echt moois op papier te zetten. Mijn waardering voor al die goede schrijvers, ook hier op het blog is er wel, maar stinkend jaloers, dat niet.

Naast jaloezie is er voldoende ruimte over voor bewondering en het puur genieten van met name muziek. Soms omdat een stukje muziek door mij geassocieerd wordt met een bepaalde gebeurtenis of een periode in mijn leven. Soms gewoon omdat het mooi is. Maar er is één moppie muziek dat niets met tijd te maken heeft en ook geen speciale herinnering met zich meebrengt. Graag wil mijn ervaring met u delen.

(Ik adviseer eerst de link te gebruiken en daarna praat ik verder)

Rowwen Hèze met Maria.
Ook zo onder de indruk? Ik gebruik dit nummertje van Rowwen Hèze op momenten van lichte melancholie en vooral in de auto als ik alleen ben. Waar de melancholie vandaan komt maakt niet uit, maar binnen een minuut ben ik op en top vrolijk, bijna bij het manische af. Gevaarlijk rijgedrag tot gevolg? Nee, hoor absoluut niet want op de weg ‘every inch a gentleman’. Het is volgens mij beter dan welk antidepressivum dan ook.

Een liedje met een melancholisch begin, dat dus uiteraard past bij mijn eigen stemming en dan in no time omslaat in een kolk van feest en ritme. Uiteraard zonder tekst, of bijna zonder tekst. Slechts de kreet “Maria” wordt twee keer uitgestoten, heel intens alsof de Moeder der Moeders persoonlijk wordt aangeroepen om te helpen. En dat lukt dan. Tenminste bij mij wel.

Grijze Zielen/ Philippe Claudel

Grijze zielen, een tweede kennismaking met de auteur Philippe Claudel voor mij en wederom is het een aangename verrassing geweest. Terwijl Het verslag van Brodeck mij al zo heeft weten de raken, lukte dat ook met Grijze zielen.

Philippe Claudel

Grijze Zielen

De Bezige Bij

Amsterdam 2005

Op een van de eerste pagina’s (12) geeft de schrijver al een (zijn?) definitie weg van Grijze Zielen:

‘Hij draagt altijd een groot schort van blauwe stof waardoor hij eruitziet als een ingesnoerd tonnetje. In die tijd had hij een vrouw die nooit uit bed kwam vanwege wat we hier een kwijnende ziekte noemen, iets wat hier nogal vaak voorkomt bij vrouwen die de novembermist en hun eigen ontreddering niet uit elkaar kunnen houden.’

Het gaat slechts om de vrouw van een van de bijrollen in het verhaal. Een vrouw die zelf geen rol van betekenis speelt. Voor mij is ze in meer of mindere mate symptomatisch voor alle karakters in het boek. Grijs.

 

Philippe Claudel

Nu verstaat Claudel de kunst van het verhalen en ik verzeker je dat het hem lukt om alle facetten van het grijs te offreren aan de lezer. En ook al lijkt ogenschijnlijk wit of zwart wel te bestaan, het wit krijgt een altijd weer een forse smet (van het leven) en ook het zwart in de karakters van de personages wordt van tijd tot tijd minder zwart.

In het afsluitende hoofdstuk herhaalt hij op een directere manier mijn interpretatie: (pag 233)

‘Het onderzoeken van ‘De Zaak’, wat ik heb gedaan, is ongetwijfeld een manier om de echte vraag maar niet te hoeven stellen; de vraag die niemand van ons over zijn lippen kan krijgen of door zijn hoofd of ziel wil zien schieten, onze ziel die inderdaad niet zwart en niet wit is, maar grijs, ‘behoorlijk grijs’, zoals Joséphine het lang geleden uitdrukte.’

En in het aangehaalde stukje ‘De Zaak’ lijkt ook de rode draad in het boek. De brute moord op een engelachtig meisje van de herbergier in een dorpje nabij de stad V. De hoofdpersoon, een politieagent, doet een reconstructie op deze moord en komt bij allerlei hoogwaardigheidsbekleders uit die mogelijk de dader(s) kunnen zijn. Maar Claudel verpakt zijn rode draad door een hoop omzwervingen. Zinnen worden onderbroken, met bijzinnen die vervolgens weer enige bladzijden lang in beslag worden genomen en voor de lezer de vraag opwerpen of er verband bestaat met de moord. Vaak niet. Of misschien heeft alles met alles een verband en komt ook het miserabele leven van de dorpsbewoners in zicht inclusief die van de agent in kwestie. Een afstandelijk leven naar zijn omgeving, afspelend in de nabijheid van de frontlinie in de eerste wereldoorlog. De doden, gewonden en oorlogsinvaliden zijn vooral ter decoratie van het miserabele leven in het algemeen en dat van het dorpje nabij V. in het bijzonder.

De oorlog op relatief veilige afstand en toch een (geestelijk) armoedig leven voor velen, ongeacht rang of stand. De domheid en vlakheid worden met net zoveel compassie beschreven dan de verdorvenheid van bijvoorbeeld de Procureur van V. of de rechters, de elite.

De enige compassie die de politieagent lijkt te hebben is die voor zijn vrouw Clémence, maar ze sterft vlak na haar kraambed, terwijl de politieagent zijn gelijk probeert te vinden bij de rechters in V. Omdat door de oorlog en de barre weersomstandigheden de weg naar zijn zwangere vrouw is afgesloten, kan hij haar niet ondersteunen. Een leven vol verdrongen schuldbesef speelt hem nadien parten. Zijn zoektocht naar de moordenaar(s) is eigenlijk de zoektocht naar het leven, naar de waarheid van dat leven. Hij heeft het niet gevonden, wel de grijsheid van het menselijke leven in al haar facetten. Hij kon er geen conclusies uit halen, maar hij heeft het wel beschreven, de politieagent. Hij heeft zijn leven er naar gezocht. Hij is uiteindelijk tevreden met de wetenschap alles, ook zijn inktzwarte elementen op zijn ziel, te hebben opgebiecht om zich vervolgens te kunnen voegen bij zijn overleden vrouw.

Philippe Claudel verstaat voor mij de kunst om het verhaal echt op de tweede plaats te zetten en de sfeer van het mens zijn op te tekenen. Een sfeerimpressie die aan de ene kant mild lijkt, maar door zijn scherpe beschrijvende stijl van ogenschijnlijk eenvoudige handelingen, heel donkergrijs kan worden. Hij sleept je mee in de sfeer en laat je kennismaken met een wirwar aan personen uit de gemeenschap in het dorpje nabij V. De daadwerkelijke moordenaar doet uiteindelijk helemaal niet ter zake.

De sfeerbeschrijving en ook de hoofdpersoon in beide boeken van Claudel die ik heb gelezen, laten overeenkomsten zien. Een oorlogsachtergrond die nooit helemaal expliciet aan de orde komt en een hoofdpersoon die orde moet scheppen. In het verslag van Brodeck was dat in naam van de gemeenschap, in Grijze Zielen deed de politieagent dat misschien wel tegen de zin van de gemeenschap in.

In beide gevallen is het proces belangrijker gebleken dat het eindproduct, de waarheid. Het proces is ook hetgeen mij erg in de boeken van Claudel aantrekt.