Ik ben een kind van de jaren tachtig, hoewel met vijftig jaar geen kind meer. Ik ben dus geen babyboomer en ik heb al helemaal niets met hippies en flowerpower. Ik gruwel ervan. Dat hebben meer leeftijdsgenoten die in één keer niet aan de slag konden na hun studie, die een hele loopbaan bij in ieder geval de publieke sector een dik pak babyboomers voor zich zagen, hun linkse gelijk orerend, maar met een flexibiliteit naar andersdenkenden die een gereformeerde ouderling van de SGP’er doet verbleken. Bovendien hebben ze gemiddeld een vermogen die menig VVD’er doet likkebaarden. Zo dat statement heb ik gemaakt en laat het duidelijk zijn dat ik dus geen 50+ zal stemmen. Zeker op Henk Krol die feiten verdraait of zelfs ontkent. Mooi niet. De vraag is of Krol dat van Trump heeft of misschien is hij wel de uitvinder van ‘het Trumpje’?
Ik zal me ook niet beter, ruimdenkender of toleranter voordoen dan ik ben. Maar er is één ding dat me mateloos stoort en dat is de steeds vunzig wordende toon in het politieke debat. ,,Gaaaaaappppppp.” We leven in 2017, we zijn nu eenmaal hedonistischer en individualistischer geworden. Wake up!!! ,, O ja, de gevolgen van de feestgeneratie van direct na de oorlog, even vergeten. Toch ben ik wel voor een beetje ontwapening in de harde woordenstrijd tussen de bokito’s en bokita’s in de politieke arena. Ontwapenend was bijvoorbeeld de PSP poster uit de jaren zeventig. Een mooie naakte vrouw, dat mocht toen nog, of sterker dat moest bijna, dartelend in een oer-Hollands landschap. Dat laatste gaf toen ook in zeer linkse kringen nog geen aanstoot. Nu wel, dus, omdat ik dit stukje ook op Facebook plaats, maar even de gekuiste versie. Dan blijft ie hopelijk online.
Iets vriendelijker dus is mijn devies voor deze verkiezingsstrijd. Het mag wel duidelijk blijven, maar graag een tandje zachter. In plaats van kut-Marokkanen spreken we van vagina-Marokkanen. We weten wat er mee bedoeld wordt, maar het klinkt een stuk vriendelijker, bijna ontwapend. Ook wil ik eigenlijk het woord ‘white trash’ niet meer horen. Laten we in vervolg spreken over ‘iets minder opgeruimde Hollanders’. Het enige dat ze echt willen opruimen zijn natuurlijk die vagina-Marokkanen, maar dit terzijde. In het kader c’est le ton qui fait la musique heb ik besloten mijn stemkeuze mede op mijn muzikaliteit te gaan beoordelen. Misschien levert het nog iets verrassends op.




woordenboek wist te herleiden. (Dar de comer, dar de beber, Vestir os indigentes, Acolher peregrinos, cuidar dos doentes, visitar os presos en sepultar os mortos) Allemaal stichtelijke teksten, zo vlak voor de viering van de geboorte van kindje Jezus.Het kan geen toeval zijn dat ik naast de tegel zat met ‘visitar os presos’ oftewel bezoek de gevangenen. Zo kon ik de hele tijd ook nog aan mijn werk denken.




mijn woordenboekje, zeurpiet trouwens wel. Ik ben vandaag dus geen maçador) Het is verdorie geen vakantie, maar een studiereis nota bene. Er moet gewerkt worden. Dat ik niet meteen alles en iedereen aanspreek om te tonen dat ik een paar woordjes Portugees kan wauwelen, is geen ramp. Zo zit deze mens niet in elkaar. Maar luisteren, kijken, dingen opvangen en meteen verwerken dat is het devies van vandaag. Dat schrijven we dan meteen in een schriftje en verwerken we ’s avonds op de computer. Het woord calvinisme komt bij me op. Zou dat in het Portugees eigenlijk wel bestaan? Mijn woordenboekje zegt ja, calvinismo! Ik waag te betwijfelen of meer dan 5 % van de Portugezen wel eens van dat woord heeft gehoord, laat staan het begrijpen.
Het doel van vandaag is Sintra, een plaatsje in de buurt van Lissabon, zo’n veertig minuten met de trein. Ik lees de opschriften in de trein en de woorden die ik niet ken en schrijf dat op. Boete (coima), wet (lei) en dat je tijd en geld kunt besparen. Dat laatste is blijkbaar niet alleen voor calvinisten, maar ook Portugezen vinden dat blijkbaar fijn. (poupe tempo e dinheiro) Ik deel de trein met Zweden, Japanners, Chinezen, Spanjaarden en Duitsers, dus en passant zoek ik dat maar eens even op. Ondertussen kijk ik ook naar buiten hoor en merk op dat Benfica, bekend van de voetbalclub, ook een wijk is. Een hele arme zelfs en even verder op schrik ik zelfs een beetje. (probeza = armoede). En zo vermaken we ons wel tot Sintra. Ledigheid is des duivels oor kussen, dus bij vermaak alleen blijft het niet vandaag. In Sintra, het buitenverblijf van de voormalige Portugese koningen, staan meerdere kastelen. Ik heb er geen zin in, maar besluit richting de tuinen van Montserrate
te lopen bij het gelijknamige kasteel. Het weer is prachtig en het valt me op dat de bladeren hier ook vallen, maar dat sommige bomen ook nog groen zijn. (blad is folha) Mijn gedachten (pensamentos) drijven naar de seizoenen, het is al herfst (o Outono), dat lijkt op het Franse automne. We pakken dan gelijk de Ivorno (winter), Primavera (lente) en Verão maar even mee. Ik heb helemaal niet door dat ik veel te hard loop gezien mijn slechte (mau) conditie, er zitten steile stukjes weg in. Bovendien niemand loopt (andar of caminhar) naar de toeristische trekpleister. Allemaal pakken ze het toeristenbusje bijna. Een beetje moe (cansado) kom ik boven en besluit de tuin de tuin te laten. Ik moet ook nog terug bedenk ik me. Mijn schriftje heeft al zo’n vijftig woorden bij elkaar, die ik ’s avonds nog wil verwerken.
Voor niets gaat de zon op en onder, wie Portugees wil leren moet van ander hout gesneden zijn, dus gewoon doorpokkelen. Ik maak mijn lijstje, inmiddels 70 woorden, die ik uiteraard ook nog even oefen. Hoe lang ze in mijn grijze massa blijven zitten is natuurlijk mede afhankelijk van mijn doorzettingsvermogen de komende tijd. Ik ben tevreden voor vandaag, ondanks de rugpijn (dores de costas) die nadrukkelijk aanwezig is, maar dat is misschien wel de prijs van calvinismo. Maar mij hoor je niet klagen, ik ben immers geen maçador.
naar Restelo. Ik moest waarschijnlijk ergens overstappen, maar moest nu met het woud van tram- en buslijntjes een plan b maken. Wachten, reizen en zoeken kostte me ruim anderhalf uur extra, de tijd die ik ook had kunnen gebruiken om het lopend af te leggen. Instinctief wist ik dat ik ook de trein had kunnen pakken en de laatste 20 minuten lopen. Maar dat is niet spannend. Maar dat was dit ook niet, want bus 27 was een potje pieren met weinig mogelijkheden om te genieten van het inmiddels regenachtige Lissabon. Uiteindelijk kwam ik tussen een en twee aan. Ik wist dat de clubshop van OS Belenenses gesloten was. Als bijvangst maar even naar de toren van Belém lopen. De zon was inmiddels warm geworden. Uiteindelijk had ik het kaartje zonder problemen zoals de Facebookpagina van de club me had beloofd. Vol trots maak ik een foto voor mijn oudste zoon, ook voetbalfan, die een paar weken terug naar Milaan is geweest voor een wedstrijd van Inter. Wat zoon kan, kan pa ook.
Op de terugweg maar de trein naar Cais do Sodre. De zon scheen en het regende tegelijkertijd. Een heel blond on-Portugees jongetje met een even blonde moeder keuvelden samen en het kereltje zei tussen het rap Portugees het woord ‘Rainbow’. Diep in mijn geheugen zocht ik naar het Portugese equivalent. ‘Arco, Arco…..Arco-wat ook al weer terwijl ik naar de fletse boog keek. Bij het uitstappen wist ik het ‘o arco-iris’. Ik had het ooit ergens gehoord en vond het een mooi woord. Nog steeds trouwens en aan het einde stond mijn potje met goud voor vandaag, het kaartje voor de match. (o jogo)
