Scharen?

De onschuld van een 43 jarige man kan ik met geen enkele formule definiëren, maar er zijn momenten dat ik dat stadium, mogelijk onbewust, wel eens benader. En al klinkt het ongeloofwaardig, hedenmiddag was zo’n moment. Nog snel even een vergeten boodschap doen en met de lentezon op mijn gezicht fiets ik rustig in een zorgeloos vacuüm. Dit is een staat van zijn, die helaas maar zelden voorkomt, bij mij in ieder geval niet.

Bij het naderen van de supermarkt in de buurt zie ik groepjes jeugdigen zich ophouden op het pleintje. Zij hebben ook de lente ontdekt. Nu weet ik dat er mensen zijn bij wie meteen alle alarmbellen gaan rinkelen bij het ontwaren van bij elkaar klittende jeugdpuistjes. Dat gevoel heb ik nooit. En met de huidige eufore stemming al helemaal niet. Ik stal mijn fiets in de directe nabijheid van twee meisjes die zitten te keuvelen met een onnozelaar op een brommertje.

Nu gebied de eerlijkheid mij te zeggen dat een categorie pupergrietjes nog wel eens heel akelig onverwacht uit de hoek kan komen, zeker als ze met meer zijn. Ze kijken in je richting, lachen soms besmuikt, maar vaker gieren ze het uit van de zenuwen. Meestal blijft het bij een geforceerde groet door de heldhaftigste van het stel die heel hard zegt:

“Dag mijnheer”

Een neutrale droge tegengroet, blijkt meestal voldoende te zijn voor een oorverdovend gegiebel van het hele stel, maar daarmee is voor mij de ergste ellende ook voorbij.

Een van de meisjes zit met de rug naar mij toe op een fietsenrek, terwijl de brommerpukkel van het ene meisje naar het andere meisje kijkt. Mijn inschatting is dat hij een keus wil maken wie hij het leukste vindt. Maar voorlopig zal hij de hond nog in de pot vinden, denk ik. Uit haar ooghoeken neemt het tweede meisje me waar. En ja hoor, daar begint het giechelen al. Ze smiespelt iets tegen haar vriendin, die meteen haar gezicht naar me wendt. Beide meisjes zijn dertien, misschien veertien jaar oud. De hoeveelheid make-up laat ze beslist niet ouder lijken. Nu is het giechelen in stereo, terwijl de jongen op zijn brommer emotieloos blijft kijken. Hij lijkt de lol er niet van in te zien of meer waarschijnlijk hij begrijpt er helemaal niets van. Dat deel ik dan met de jongeman, hoewel ik mezelf veel minder onnozel vind.

Met dat ik naar de winkel loop, vraagt het meisje, nu weer met de rug naar me toe.

‘Mijnheer, mijnheer, weet u wat scharen is?’

De gierende uithaal van beide dames hoor ik amper, terwijl ik wel zie dat de jongen zich ietwat ongemakkelijk begint te voelen.

‘Misschien toch maar geen van beide dames zie je hem denken.’

In mijn inmiddels niet zo zorgeloze gemoedstoestand, werken mijn hersenen op volle toeren. Wat moet ik antwoorden, het mag niet al te sukkelig lijken. Een joviaal antwoord met spitsvondigheden is aan mij nooit besteed. Dat weet ik van mezelf. De humor komt altijd pas achteraf.

‘Scharen’ dat is een woord dat ik diep uit mijn geheugen moet graven. Het woord zoals de premature bakvissen het bedoelen, maakt geen deel uit van mijn dagelijkse vocabulaire. Het staat buiten kijf dat binnen de damesliefde de terminologie uitgebreider is dan ik mogelijk kan bevroeden, maar het woord ‘scharen’ is me bekend.

Ik kan natuurlijk zeggen dat het een naaiwerktuig is, maar in deze context helemaal fout natuurlijk. Bovendien is het in deze tijd ongepast dat een veertiger aan wildvreemde meisjes seksuele voorlichting gaat zitten geven, hoe onschuldig de man ook is.

Deze zaken bedenk ik me in luttele seconden en op de automatisch piloot probeer ik zo olijk mogelijk te zijn door te zeggen:

‘Scharen? Dames, ik zou niet weten.’

Terwijl ik nonchalant doorloop, krijg ik meteen repliek van de kinderen.

‘Dan moet u dat uw vrouw maar vragen, die weet het vast wel.’

Kijk, daar zie ik de humor dan wel weer van in, ondanks de grofheid die de opmerking in zich herbergt. Maar zouden ze wel beseffen hoe onhoffelijk en beledigend zo’n opmerking naar mij is? Ik denk het niet en kijk de meisjes even aan trek mijn wenkbrauw omhoog en loop stoïcijns verder. De jongen wendt zijn gezicht af, want ondanks zijn onnozelheid lijkt hij te beseffen in welke genante vertoning hij zelf onderdeel is geworden. Hoewel ik me afvraag of hij wel weet wat ‘scharen’ is.

Terwijl ik me onder het winkelende publiek schaar, overweeg ik even twee kinderschaartjes te kopen en ze aan de meisjes uit te reiken. Maar ik besef dat dit misschien aanzetten is tot onoorbare acties bij minderjarigen en dat wil ik niet. Ik had ze natuurlijk ook kunnen verbeteren in hun Nederlandse taalgebruik.

‘Scharen is meervoud, dus de vraag moet zijn ‘Mijnheer, scharen wat zijn dat.’ En dat weten jullie toch wel als meisjes van elf of twaalf jaar.’

Want dat vinden ze niet leuk als je ze jonger inschat. Ik voel dat de humor zich in mij begint los te wrikken.

Ik moet echter maar enkele boodschappen, dus ik ben al snel weer bij mijn fiets. De meisjes giechelen nog een beetje en eentje krijgt zelfs blosjes op haar wangen van schaamte. De jongen kijkt omstandig naar het motorblok van zijn brommer. Zelfs daar lijkt hij amper iets van te begrijpen.

En ik, ik stap heel volwassen op mijn fiets, geniet nog wel van de lentezon, maar het onschuldige gevoel is wel helemaal verdwenen.

Klaar zijn of klaar komen?

Driftig hoort de wandelaar een fietsbel achter hem rinkelen. Hij stopt even om plaats te maken, maar eigenlijk is dat niet nodig, want er is genoeg ruimte om te passeren. Een zeventiger peddelt langs met een korte hoofdknik, ook al zo driftig.

“Het ongeduldige bellen past bij de man’, constateert de wandelaar.

Een blozend gezicht met felle oogjes achter een zilver brilmontuur en natuurlijk goed ingepakt tegen de winterse frisheid. Hij fietst op een moderne herenfiets in een iets te felle kleur blauw.

Koninklijk fiets hij vooruit. Want, merkt de wandelaar, op een bescheiden afstand van twintig meter komt nog een fietser. Dit keer een vrouw. Ook goed aangekleed tegen de kou en gezeten op een soortgelijke blauwe fiets, alleen een damesmodel uiteraard. Ze kijkt lijdend, alsof het van haar allemaal niet zo nodig hoeft. Liever had ze thuis bij de verwarming gezeten.

‘Schiet nou op,’ klinkt het voor haar, terwijl de man kwaaiig omkijkt en drukke handgebaren maakt.

De wandelaar loopt verder terwijl hij tegen twee zwoegende ruggen aankijkt, de een boos en de ander lijdzaam berustend. Langzaam verdwijnen ze uit zijn beeld. De wandelaar kan zich zo een voorstelling maken hoe het die ochtend gegaan is. De man gaat naar het schuurtje toe en controleert de fietsen die de hele winter werkeloos binnen hebben gestaan. De vrouw beziet het vanuit haar leesstoel en heeft al bange vermoedens. Haar man is de hele winter al ongedurig geweest. Het was geen weer om er uit te gaan. Gisteravond op het journaal hoorde ze hem al goedkeurend knikken toen de dame van het weerpraatje aankondigde dat het ’s ochtends zonnig zou zijn met temperaturen even boven nul.

‘Veel te koud voor een oud wijf als ik’, had ze nog gedacht.

Die ochtend begreep ze het knikken van haar man. Die heeft geen zitvlees en de goede maanden komen er weer aan, dus wordt het fietsen en ze moet mee. Zij heeft immers de koffiekan en broodjes bij zich.

‘We gaan fietsen, het is genoeg met het geluiwammes’ hoort ze bij de achterdeur.

Er tegenin gaan heeft geen zin. Bovendien zo gezellig is het thuis ook niet met die humeurige man van haar. Bijna vijftig jaar zijn ze bij elkaar en het is zoals het is. Dat is haar levensvisie geworden.

‘Gaan we nog wel naar de kerk, het is Aswoensdag.’

Ze krijgt geen antwoord, maar neemt het voor een bevestiging. Ze heeft een rotsvast vertrouwen in haar geloof en meestal gaat ze nog wel naar de kerk. Tenminste als er niet zo’n onbekende pastor is met moderne verhaaltjes. Dat vindt ze niets. Die ochtend kan ze het askruisje ophalen. Dat past zo lekker bij haar levenshouding.

‘Stof zijt Gij en tot stof zult Gij wederkeren’.

De oude pastoor zal het zachtjes zeggen, maar desondanks zullen zijn woorden maar langzaam wegsterven in de bijna lege kerk. Prachtig vindt ze dat, zo lekker rustgevend. Rust en een relativerende houding zijn hard nodig met zo’n brombeer in huis.

‘Zo moet het ongeveer gegaan zijn’ glimlacht de wandelaar die opgaat in zijn fantasie.

Hij kent dat soort stellen maar al te goed. Na vijftig jaar is er niet zoveel meer te veranderen, denken de meesten. Ze berusten in zoals het is. Misschien is dat wel goed zo.

Hij moet denken aan een liedje van de band ‘The Frames’  met People all get ready.’

We have all the time in the world
To get it right, to get it right
We have all the time in the world
To set alight, to set alight

De vrouw is ogenschijnlijk klaar en heeft de berustende tijd. De man is er nog niet klaar mee blijkbaar en wil vooruit, maar waar naar toe? Na tien minuten wandelen, ziet hij de twee besluitloos bij een kruising staan. De man wil verder, maar de vrouw geeft te kennen dat ze het koud heeft en het liefst terug wil. Het is een discussie met ingehouden woede en frustratie aan zijn kant. Zodra het fietsbaasje de wandelaar ziet, lacht hij de hem toe als blijk van herkenning. Alleen de mond lacht, de rest van het gezicht doet niet mee.

‘Derde keer trakteren’, groet hij joviaal.

De wandelaar lacht terug en knikt even kort naar de vrouw en loopt verder. Hij zal niet weten of de korte of de lange route genomen is. Hij denkt nog even na over het stel en over de vergankelijkheid van het leven in het algemeen en van sommige relaties in het bijzonder. De Rooms Katholieke Kerk heeft het nooit over de vergankelijkheid van relaties, want immers wat God verbonden heeft, zal de mens niet scheiden. Voor ondeugdelijke relaties die dood zijn, is er immers geen equivalent van het askruisje.

‘En wie ben ik trouwens om dit stel te veroordelen.’

We have all the time in the world
To get it right, to get it right
We have all the time in the world
To set alight, to set alight

Na ruim een uur te hebben gelopen is hij terug bij zijn hotel, als hij aan de overkant van de weg het oude paar langs ziet lopen. Beide met de fiets aan de hand. Hij loopt nog steeds voorop, maar nu niet meer zo koninklijk. Hij heeft een lekke band. De man kijkt naar de wandelaar zonder hem te zien.

‘De fietscontrole van die ochtend is niet afdoende geweest’, mompelt de wandelaar vals.

Hij kijkt naar de vrouw en ontwaart een flauwe glimlach op haar mond. Op het moment dat de vrouw en de wandelaar elkaar aankijken, trekt ze haar wenkbrauwen licht spottend omhoog als teken van herkenning. Ze heeft iets triomfantelijks in haar houding. De man ziet het niet.

“Van trakteren zal wel niet veel meer komen, ik haal mezelf maar een warme kop koffie.’ En de wandelaar loopt naar binnen.

People all get ready
‘Cos we’re tearing down the stand
Rebuild what’s gone unsteady
And see it through with newer hands
And what has gone between us
Is a lot, is a lot
And who’ll be there to clean us
If you’re not, if you’re not

People all get ready
‘Cos we’re breaking down again
Rebuild what’s gone unsteady
And see it through with wiser hands
And what has gone between us
Is a lot, is a lot
And who’ll be there to ignore us
When you’re not, when you’re not

We have all the time in the world
To get it right, to get it right
We have all the time in the world
To set alight, to set alight

People all get ready
‘Cos we’re breaking down the band
Rewrite what’s gone already
And see it through with wiser hands
And what has gone between us
Is a lot, is a lot
And who’ll be there to ignore us
When you’re not, when you’re not

And we have all the time in the world
To get it right, to get it right
And we have all the love in the world
To set alight, to set alight
Just look up, just look up

We have all the time in the world
To get it right, to get it right
And we have all the love in the world
To set alight, to set alight
Just look up, just look up

We have all the time in the world
To get it right, to get it right
And we have all the love in the world
To set alight, to set alight

Dorus de Binnenboel en de mamoushkarevolutie

Al roerend in zijn derde mok koffie, kijkt Dorus apathisch naar het draaikolkje dat ontstaat door zijn eigen toedoen. De evolutionaire kwestie die hij zichzelf heeft aangedaan, enkele dagen geleden, houdt hem nog danig bezig. In plaats van kwiek aan de slag te gaan deze ochtend, wordt hij ernstig geblokkeerd door de netelige kwestie. Is de man in het huishouden wel bestendig tegen de evolutionaire eisen van de mensheid? Geeft hij zijn zoons hiermee wel het goede voorbeeld? Dorus twijfelt hevig, al zullen de Joke Smits, Cisca Dresselhuijsen en al hun vriendinnen zijn poetsijver, die staat voor eerlijke verdeling van taken tussen mannen en vrouwen, wel weten te waarderen.

“Verdomme dat ging net goed.”
Dorus roerde iets te hard en zijn volle bak koffie dreigde te vallen, maar door een snelle reactie weet hij een ernstige ravage te voorkomen.
“Ik heb altijd al goede reflexen gehad.”
Een flauwe, maar tevreden glimlach verschijnt op zijn gelaat om vervolgens plaats te maken voor een brede grijns.
“Eureka, ik heb het. Ik ben evolutieproof.”
Dorus komt voorlopig tot een werkbare definitie van de evolutie en zijn plaats daarin. De mate waarin mensen op een goede manier kunnen samenwerken, oftewel hun krachten bundelen tot synergetische hoogtepunten in de jungle van het leven, dat is de nieuwe weg voor Dorus. Zijn aanpassingsvermogen aan de nieuwe huiselijke omstandigheden, ondanks de rudimentair aanwezige jagersinstincten, dat moet zijn kracht zijn.”
“Daar moet ik het vanavond eens met Dora over hebben, benieuwd wat zij van deze nieuw verworven inzichten vindt.”

Het hebben van geen zin is dus slechts een kwestie van definitie, zoals alles in principe een kwestie van definitie is, bedenkt Dorus.
“Pijn en vernedering bijvoorbeeld, vraag het maar aan de mensen die een sadomasochistische voorkeur hebben en daarmee hun leven verrijken,” bedenkt Dorus opeens heel ruimdenkend, na de zelfbevrijding die hij zojuist heeft ondergaan uit zijn theoretische dilemma over de evolutie.

Vol goede moed wil Dorus een vrolijke CD met Braziliaanse liedjes pakken. Onvindbaar, mogelijk in het verkeerde hoesje gestopt. Naarstig gaat hij op zoek naar vervangende muziek en stuit daarbij op een verzameling van bekende klassieke werken. Een typische CD voor culturele onbenullen die op zijn tijd een stukje klassieke muziek hogelijk weten te waarderen zolang het maar door een ander zorgvuldig is geselecteerd. Hoewel Dorus een aantal componisten kent, weet hij daar veelal geen muziekstuk aan te verbinden en andersom.
“Och, dat is ook wel leuk voor het moment” en Dorus plaatst de CD in het mini-stereo-setje.

Terwijl Dorus wil aanvangen met het huishouden, wordt hij gevangen door de klanken die de kamer in denderen. De volumeknop stond bijna voluit en een klagelijk vioolspel komt uit de boxen. Heel teder, maar in zekere zin ook met een klagende teneur. Dorus luistert intens, zeker als de viool bijval krijgt van meerdere violen die zelfs enigszins dreigend klinken. In de muziek lijkt de dreiging dan wel weer te verdwijnen, want vrolijkere stukken volgen. Het eindigt een beetje onbestendig alsof het niet duidelijk is of je blij moet zijn of niet.
“Een beetje een besluitloos einde” concludeert Dorus.
Hij duwt meteen de repeatknop in en kijkt op het hoestje van wie deze muziek is.
“Shostakovich met het stuk Romance from the “Gadfly-suite” leest Dorus op het bijbehorende hoesje.

Een beetje romantiek ziet Dorus er misschien nog wel in, maar het doet hem toch meer aan vertwijfelde Russische Mamoushka’s denken. Veel te dikke plompe vrouwen van begin veertig, die eruit zien alsof ze bijna zestig zijn uit communistische tijdperk van de Sowjets, die de arbeid in de staalfabriek moeten zien te combineren met het onderhoud van een piepklein privé-tuintje op schrale grond en hun misvormde paprika’s moeten zien te slijten op de weekmarkt met vele tientallen lotgenoten.
Wachtend op klandizie overpeinzen ze hun armoedige en zware leven. Melancholisch overdenken ze hun jeugd die zwaar was, maar door hun toenmalige jeugdige elan kunnen ze hier nog met enige lichtvoetigheid op terugkijken. Misschien wel door een liefde die nimmer is beantwoord, maar waarop ze in hun overpeinzing nog immer geloven al turend over de schamele paprika’s en bosjes uien.
Dan komt de grote boze wereld van plichten en amper rechten als een allesoverheersend monster definitief hun persoonlijke leven in. Ze moeten buigen of barsten en leven hun leven, plichtmatig en durven amper te hopen op betere tijden die de propaganda hen al jarenlang beloofd. Ze blijven hopen, ze moeten ook wel.

“Wat is het toch heerlijk om cultureel analfabeet te zijn” prijst Dorus zich gelukkig. Want met enige muzikale onderlegging zou Dorus nooit op dit beeld bij deze muziek zijn gekomen.
Voor de vierde maal hoort hij de muziek van Shostakovich aan. Hij gaat erbij op de tafel staan als ware hij de redenaar en volksmenner Lenin zelf:
“Hierbij beloof ik plechtig nooit en te nimmer meer te zeuren over een beetje huishouding met een overvloed aan elektrische hulpmiddelen. Ik draag mijn arbeid hedenochtend op aan alle Mamoushka’s ter wereld die geleefd hebben, momenteel leven en nog zullen leven in toekomst. Alle Mamoushka’s, verenigt u tegen het juk van welk allesoverheersende regiem dan ook.”

Als een ware revolutionair gaat Dorus die ochtend aan het werk, nadat hij eerst het werk van Shostakovich op een maagdelijke CD heeft gebrand om het de hele ochtend te kunnen beluisteren. Want hij wil niet gestoord worden in zijn heilige en revolutionaire roes door bijvoorbeeld het lichtvoetige pianowerk van Chopin dat volgt op het werk van zijn favoriet van dat moment Shostakovich.

Of zijn revolutionaire daad nu een substantiële bijdrage zal leveren aan het leed der Mamoushka’s is de vraag, Dorus heeft wel een substantiële bijdrage geleverd aan zijn eigen huishouding.

 

Dorus de Binnenboel en de evolutie

Dorus zwaait Dora uit en verheugt zich alle tijd voor zichzelf te hebben. Niet omdat hij zonodig voetbal moet kijken of anderszins door Dora gehinderd zou worden. Integendeel. Het vertrek van Dora, die heel nuttige zaken gaat doen voor lichaam en geest, geeft hem de mogelijkheid om alleenheerser te zijn over het huishouden. Dorus heeft zeer recent de geneugten daarvan mogen ervaren.

Eenmaal terug in de huiskamer, overziet hij zijn territorium en constateert dat alle beeldschermen die aan kunnen staan ook daadwerkelijk in gebruik zijn. Zijn kinderen zijn immers thuis.
“Dus geen muziek.” constateert Dorus heel flexibel.
Geen nood voor Dorus, hij loopt naar de keuken. Al converserend met zijn jongste zoon begint hij met het koken. Om strikt pedagogische redenen is vooraf al besloten om geen patat te halen noch chinees. Ook een pizza staat niet op de menulijst.
Dorus wast fluitend de groente, schilt een paar aardappelen en laat het vlees ontdooien in de magnetron. Als alles op het vuur staat, realiseert Dorus dat hij nu even moet wachten totdat alles klaar is.
“Wachten is des duivels oor kussen, wat kan ik in de tussenliggende tijd nog meer doen?”
Hij kijkt in de keuken en beslist dat de kastjes en de stalen afzuigkap best eens schoon gemaakt kunnen worden. Mannen denken immers efficiënt. Wachten op iets dat je verder niet meer in de hand hebt is nutteloos.
“En dan zeggen ze dat mannen maar een ding tegelijk kunnen doen, mooi niet.”
“Wat zei je pap?” zegt zijn jongste zoon.
Dorus hoort het niet, dus komt zijn jongste zoon maar naar hem toe en herhaalt zijn vraag.
“Het ruikt trouwens lekker.”
Als Dorus kijkt wat verantwoordelijk is voor de weldadige geur, pakt hij verschrikt de pan en kan nog net de worstjes redden.
“Ik vind ze als ze zo donkerbruin zijn het allerlekkerst, pap.”
“Ik ook” zegt Dorus, “Je vader kan er wat van en ondertussen ook nog de boel schoon maken.”
Met een innemende glimlach drentelt zijn zoon weer naar zijn computer waar hij al dagen het spel “Age of empire” speelt. Oude tijdperken herleven daarbij hetgeen veel knotsgevechten, maar ook man tegen man gevechten uit het Romeinse Rijk opleveren. Dorus is er de hele dag al getuige van. Mannen van stavast die hun hele hebben en houden verdedigen.
En dit gedacht hebbende, slaat in een keer de twijfel slaat toe bij Dorus.

“Daar sta ik dan in de keuken, een beetje de ideale Opzij-man te spelen. Past misschien wel in deze tijd en op deze plek van de wereld, maar hoe zit dat eigenlijk evolutionair gezien.”
Dorus roert de gemixte wokgroente nog even door elkaar en giet de aardappels af.
“Ben ik eigenlijk wel evolutieproof.” vraagt Dorus zich af.
Plichtmatig maakt Dorus zijn klussen af, eerst het boenen van de keukenkastjes en vervolgens weet hij een voedzame maaltijd te serveren. De swung is er echter volledig uit. Grote denkrimpels tekenen het gelaat van hem.
“Aanpassingsvermogen is er voldoende bij mij, maar is dat het adaptievermogen dat de grote Charles Darwin in gedachte had? ”
Hij roept zijn jongens aan tafel.

Onder het eten kijkt hij zijn zonen liefdevol aan en bedenkt zich hoe hij zijn kroost moet verdedigen in deze roerige en chaotische tijden.
“Mijn verdiensten zijn een partnerschap met een redelijk evenredige verdeling van taken.”
Daar maak je geen indruk mee in een toenemende individualistische wereld waarbij het recht van de sterkste meer en meer van belang lijkt te zijn. De grote bek op straat kan zijn gang gaan, de grote bek op het werk is de ideale manager, de grote bek in de politiek krijgt een horde Neanderthalers met zich mee en de grote bek in de wereld is president van Amerika en ‘if you can’t beat them, join them’. In dat laatste heeft Dorus geen zin, maar hij baalt als een stier dat zijn stemming, ondanks een positieve start in de keuken, grondig verpest is.

Tegen beter weten in en ondanks de kans dat zijn activiteiten niet evolutieproof zijn, stort hij zich met overgave op de afwasmachine. Het schone bestek, borden en kopjes ruimt hij netjes in de kast op en vult de machine met de zojuist gebruikte spullen. Het aanrecht wordt keurig schoongemaakt.
“Dora kan tevreden zijn, wat moeten we verder nog doen?”
Dan bedenkt Dorus het brood voor de volgende dag nog gesmeerd moet worden en gaat aan de slag. Het ene broodtrommeltje is snel gevonden, maar de zoektocht naar de andere neemt enige tijd in beslag.
Zijn oudste zoon weet hem te melden dat de zijne nog op school ligt, dus verder zoeken naar een alternatief. Dan vindt hij ergens onder de jassen nog een tas met daarin een reeds verloren gewaande broodtrommel. Na opening van het groene trommeltje is het verbazingwekkend dat het trommeltje niet uit zichzelf naar de keuken is gemarcheerd, maar Dorus weet wat hem te doen staat.
“Typisch de jagende man, die slechts een spoor of een kleine aanwijzing nodig heeft om zijn prooi te pakken, misschien zit er nog wel iets van de ware evolutie in me en is de voorbeeldfunctie voor mijn nageslacht nog niet zo slecht”, fantaseert Dorus, al gaat het in dit geval maar om het vinden van een groen trommeltje met een al even groene substantie.

Bij het naar bed brengen wordt het denkproces van Dorus over aanpassen in culturele zin of in evolutionaire zin, even geluwd. Als ze allebei dan rustig in bed liggen vraagt hij zich af of het niet onnatuurlijk is voor een man om zorgzaam met zijn kinderen om te gaan.
“Hoeveel mannetjesdieren worden bij hun nageslacht weggehouden of door de moeder totaal niet geduld. Ze zouden hun kinderen anders maar opeten.”
Maar Dorus denkt op tijd aan de mannetjesmerel die naast een monogame levenshouding ook nog de verzorging van zijn kinderen ter hand neemt.
“Toch eens een keer uitzoeken hoe dat zit.”
Voor Dorus is dat een essentiële vraag om zijn houding te bepalen of en hoe hij het huishouden gaat aanpakken de komende periode. Enige kennis van de evolutietheorie is onontbeerlijk om zijn strategie naar Dora te bepalen. Hij moet immers het goede voorbeeld geven aan zijn kinderen die op hun beurt verantwoordelijk zijn voor het verspreiden van zijn genen.

Rosenmontag Spaziergang

Mistroostig kijkt de man naar buiten. Het aanbod aldaar is niet erg uitnodigend, toch zal hij zijn verplichte wandeling moeten maken voor het psychische en fysieke welzijn. Het is wat grijzig in een witte wereld en op het journaal hebben ze een temperatuur van onder nul beloofd.

Eenmaal buiten blijkt hij een van de weinige helden te zijn. De rest van de mensheid las absoluut geen uitnodiging in de winterse kou geschreven. Ondanks de desolate aanblik, was er veel lawaai. Om voor hem onbegrijpelijke reden maakten de vogels een hels kabaal.

‘Ik ben geen ornitholoog, ik spreek hun taal echter niet.’

Misschien verwittigen ze elkaar dat er een rare tweevoeter met dit weer naar buiten gaat, zonder veren nota bene. Misschien hebben ze wel gewoon honger na zoveel weken sneeuw. Mogelijk spelen de hormonen hen parten, maar worden ze nog gedwarsboomd door de weersomstandigheden en dat is natuurlijk heel frustrerend. Een ding is zeker, de Wielewaal roept hen nog niet.

‘Dus wat doe ik hier in die Siberische koude.’

Buiten de vogels is het bijna stil. Alleen een auto komt langzaam aanrijden, de gladde wegen noodzaakten de chauffeur tot voorzichtig rijgedrag. Als de man bijna genaderd is, stopt hij. Hij kijkt alsof hij best sneller wil rijden, maar de verplichtingen die zijn werk met zich meebrengen zijn belangrijker. Hij pakt uit de achterklap van zijn kleine bestelbusje een pakketje. De leesportefeuille, leesplezier dat je zelf kunt samenstellen lees hij op de auto. De bladenman heeft een uitstervend beroep en aan zijn gezicht te zien, heeft hij er ook nog weinig plezier in. En hij moet nog tien jaar zo te zien en als het even tegenzit, zullen de opvolgers van Vader Drees hem nog twee jaar langer laten lijden.

Als de man in zijn tijdschriften mobiel verder gaat het leesplezier te verspreiden, is het wel echt stil. Ook de vogels houden hun gemak als de rand van het dorp achter hem ligt. Tussen de weilanden en langs het spoor treft de man niemand meer. Voor het psychische en fysieke welzijn, zet hij de pas erin. Het helpt hem ook om een beetje warm te worden en al snel nadert hij het volgende kerkdorp. De hoofdstraat is bezaaid met serpentines en confetti. Hier en daar liggen platgetrapte snoepjes die niet door kinderen zijn opgeraapt. De carnavalsoptocht is de zondag ervoor langs geweest, maar van enige feestelijkheden nu, is amper iets waar te nemen.

‘Het is Rosenmontag’, herinnert de man zich, maar de tijd van kolderieke leut is voor hem al eeuwen geleden.

Trouwens de feestelijkheden op deze desolate maandagochtend lijken ook hier nog niet op gang te zijn gekomen. Uit een van de huizen komt wel de geur van worst en boerenkool via de luchtkoker. De ultieme voorbode dat later die dag mogelijk weer leven in de brouwerij zal zijn. Nu moet de kater eerst weggewerkt worden met koffie en een stevige stamppot. De man kijkt op zijn horloge en ziet dat het half twaalf is.

‘Inderdaad, over een uur of twee zal het aanzienlijk drukker zijn.

Hier en daar fietst een ‘vroege vogel’ in kleurrijke kleding, maar ook met een dikke jas tegen de kou. De gezichten staan niet erg ontspannen, chagrijnig zelfs. Mogelijk dat hutspot met klapstuk bij een van de verzamelpunten van de verschillende vriendenclubs daar verbetering in kan brengen. Het zijn namelijk hoofdzakelijk jonge mannen. Hun vriendinnen zullen ongetwijfeld eerder zijn opgestaan om de noodzakelijke voorbereidingen te treffen voor het eten. Ze hebben statistisch gezien ook minder kans op een enorme kater.

Midden in het dorp staat de enige horecagelegenheid met een feesttent op de parkeerplaats. Aan de buitenkant is het een gewoon café zoals er nog velen staan in de verschillende kerkdorpjes. De tafels zijn bedekt met dikke tafelkleedjes en hoogstwaarschijnlijk staan er ook nog gewoon asbakken. Nu is de entourage feestelijk gemaakt met ballonnen en slingers. Boven de ingang staat dat prins Cor heer en meester is. Zijn gevolg, de carnavalssteken zijn goed zichtbaar vanaf buiten, praat nog rustig na over de avond ervoor. Mogelijk dat ze bezig zijn met de festiviteiten van die middag. Zachtjes is uit de luidsprekers, die boven de foto van prins Cor hangen, muziek te horen. Heel langzaam wordt de stemming er voor die dag ingesleten.

‘Am Rosenmontag bin ich geboren,

Am Rosenmontag bei uns daheim.

Bis Aschermittwoch bin ich verloren,

Den Rosenmontagskinder müssen närrisch sein,

Den Rosenmontagskinder müssen närrisch sein.’

‘Er is hier nog niemand ‘närrisch’’, bedenkt de man terwijl hij het etablissement achter zich laat en verder wandelt, zijn psychische en fysieke welzijn tegemoet.

‘De vogels zijn niet ‘närrisch, de bladenman niet en ook de onderdanen van prins Cor nog lang niet. De enige joker ben ik zelf om met dit weer te wandelen.’

Hij schroeft zijn wandeltempo nog maar eens een beetje op. Toch begint hij onbewust te neuriën en loopt in de cadans van het liedje dat hij in zijn hoofd heeft.

‘Am Rosenmontag bin ich geboren,………..

De zon begint zowaar een gevecht aan te gaan met de grijze lucht als de man zijn rondje heeft gewandeld. Een beetje lente dan toch en een beetje herboren na zijn wandeling. Met het carnavalsfeest bij prins Cor zal het ook wel goed komen die middag en ook de vogels zullen binnenkort hun nesten bouwen. Of het met de bladenman goed zal komen, weet hij niet. Hij kan het alleen maar hopen.

Sprakeloos Grolsch ID in Groenlo

‘The day after the night before’ zit Sprakeloos onder een appelboom zijn vakantieweek te recapituleren. Voor de enthousiaste lezer van mijn cursiefjes wil ik alvast waarschuwen dat dit niet een inleiding is van een gedetailleerd verslag van het liefdesleven van mevrouw Sprakeloos en ondergetekende. Integendeel, dat blijft binnenskamers of in ons geval binnenstent. We schrijven 19 juli 2006, het is broeierig warm, maar gelukkig niet zo heet als gisteren met zo’n 36 graden Celsius. De Nijmeegse vierdaagse mag dan afgelast zijn, de vakantieweek op ‘kampeerboerderij Beusink’ in Lievelde gaat gewoon door, weer of geen weer.

Ja, beste lezers, u leest het goed, kampeerboerderij Beusink in Lievelde bij Groenlo. Geen exotische oorden in Verweggistan, maar gewoon ‘d’n Achterhook’. Je kan het als werknemer van een verslavingsinstelling ook participerend veldonderzoek noemen van een sterk gemotiveerde werknemer. Dit is het zeker niet, al zijn enige Grolschjes zeker verzwolgen. Zo ook gisteravond tot diep na twaalf uur. Ik zei u al, het was warm, zeer warm en bij de bakermat van de Grolsch Brouwerij is het als vloeken in de kerk om geen Grolsch te drinken. En nu is Sprakeloos een braaf en volgzaam mens, dus de Grolschjes werden zonder enige vorm van protest ingenomen.

Zie hier de verklaring van de eerste zin, ‘The day after the night before’. Zeker als in ogenschouw genomen moet worden dat na de inname van de streekdrank, geen diepe roes volgde, maar een klamme doorwaakte nacht met muggen. Een oplettende lezer en ervaringsdeskundige kan nu stellen:
“Nou, Sprakeloos dan heb je met zekerheid niet voldoende gedronken.” Misschien is dit waar, maar zoals gezegd Sprakeloos is een braaf en volgzaam mens, geen drankfundamentalist.

Laat in de ochtend, na een kop koffie, komt Sprakeloos dus op gang om een stukje te schrijven. De zon is nog volop aanwezig, al is het niet ondenkbeeldig dat de door het KNMI verwachte regen vandaag daadwerkelijk gaat vallen. We wachten maar af, met als enige zekerheid dat hedenavond, mocht echte verkoeling uitblijven,  ‘Grolsch’ zijn meteorologische verantwoordelijkheid weer gaat oppakken. En dat weten de Grollenaren (mensen uit Groenlo) maar al te goed.

Zo fietste Sprakeloos gisteren vanuit Lievelde naar het Gelderse vestingstadje. Het was er vrijwel uitgestorven, ondanks de landerige charme die het plaatsje uitstraalt. Een enkele vakantieganger zoekt verkoeling op een terras, huismoeders doen zoals overal de boodschappen en een hangoudere wacht gebogen op zijn fiets op enige aanspraak. Wanneer een leeftijd- en plaatsgenoot in het vizier komt, wordt de landerigheid doorbroken. Vanaf grote afstand roept de hangoudere naar zijn kompaan. “Best weer veur de Brouwerij” Het antwoord kwam meteen: “Die besteet niet meer.” Gevolgd door een daverende lach die zowel spijt als woede kan inhouden. Langzaam sterft de lach weg in de pittoreske straatjes en keert de landerigheid terug. De huisvrouwen blijven hun boodschappen doen, vakantiegangers togen naar de terrassen. En de mannen? De mannen overdenken hun zojuist gevoerde conversatie. Samen apart.

Een conversatie die eigenlijk een prachtig beeld geeft van de actuele geschiedenis van Groenlo. Een plaatsje waarbij alles wat bij de Grolsch Brouwerij hoort in de genen zit van veel bewoners. Maar tevens de spijt en woede die alom aanwezig is omdat in de vernieuwingsdrang van een groot bedrijf gekozen is voor een vestiging buiten Groenlo, de bakermat van de Brouwerij vanaf 1615. Wat rest is de herinnering. En de tijd zal alle wonden helen. Groenlo zal zonder de Grolsch gewoon een pittoresk Gelders plaatsje blijven, of stadje zo u wilt.

Een goede maaltijd wordt er bijvoorbeeld voor vakantiegangers geserveerd in restaurant ‘Brouwerij De Klok in de lange gang’ maar voor de lokale bevolking gewoon ‘De Lange Gang’. In dit etablissement is dè Brouwerij begonnen en uiteraard wordt er Grolsch geserveerd, zoals in elke horecagelegenheid in Groenlo. Hoe lang nog is de vraag. Tien jaar, twintig jaar? In ieder geval vanavond nog op Kampeerboerderij Beusink, in het nabij gelegen Lievelde, want het is nog steeds warm, dus, ‘goed weer veur de Brouwerij’.

 

PAS OP!!!!!!Een kinderverhaal, echt.

 

‘Nog even gas geven en dan kan ik nog net door deze stoplichten’ denkt de man praktisch.
‘Pap, je rijdt door oranje.’
‘Ja, het kon nog net.’
‘Hoe weten de stoplichten dat dan.?’
‘De computer regelt dat allemaal.’
‘Eh…kan niet, ik zie geen computer.’

‘Goed dan, het zijn de stoplichtmannetjes.’
‘Hoe gaat het dan?’
‘Luister.’

In ieder stoplicht wemelt het van de kleine mannetjes, een soort kaboutertjes. Een van die mannetjes heeft een enorme grote mond en een harde stem. Dit kaboutertje zit boven op een van de stoplichten en ziet precies wat er op een kruispunt gebeurt.
Dat mannetje kent slechts vier woorden: Rood, groen, oranje en af.

‘Af, hoezo dat?’
‘Dat komt later nog wel.’

Nu zou je denken dat als dat mannetje met de grote mond echt zo’n harde stem heeft, dan hadden de mensen hem al wel eens gehoord. Maar nu moet je weten, de stoplichtmannetjes zijn ook niet gek, ze hebben zo’n hoge stem dat mensen het geschreeuw niet kunnen horen. Sommige dieren wel, honden bijvoorbeeld. Als een hond bij een stoplicht komt, kan het arme dier onrustig worden. Nu weet je ook hoe dat komt. Hij hoort het geschreeuw van het schreeuwende stoplichtmannetje met de grote mond.

Ik heb al gezegd, het wemelt van de mannetjes in de stoplichten, niet één, geen tien, geen honderd, maar duizenden van die mannetjes. Dit zijn mannetjes die niet kunnen praten, maar wel heel goed luisteren. Ze hebben daarom ook heel grote oren en dat is erg handig. Die grote oren zorgen er voor dat de mutsjes die ze op hebben niet over hun gezichtjes wegzakken, want dan kunnen ze niets meer zien en dat is weer niet handig. De stoplichtmannetjes met de grote oren moet namelijk heel goed opletten wat het schreeuwende stoplichtmannetje zegt. En wat zegt het schreeuwende mannetje? Je raad het al: Rood, groen of oranje.
Alle andere stoplichtmannetjes hebben allemaal drie mutsjes, je raad het al: Rood, groen en oranje. Als de mannetjes met de grote oren heel hard “rood” horen schreeuwen, dan doen ze allemaal heel snel hun rode mutsje op en gaan zo snel mogelijk naar de goede verdieping in het stoplicht. Al die rode mutsjes zorgen ervoor dat de mensen denken dat het stoplicht op rood staat, maar dat is niet zo. Het is gewoon een grote verzameling stoplichtmannetjes met het rode mutsje op de goede verdieping. En als de grote schreeuwer zegt “groen” dan moeten ze allemaal het groene mutsje opdoen en heel snel naar de onderste verdieping gaan. En met oranje is het precies hetzelfde. Zo zien de mensen rood, groen of oranje.

‘Maar hoe bewegen ze zich naar een andere verdieping?’
‘ Dat zal ik uitleggen.’

In de stoplichten zitten heel veel kleine trappetjes en daar rennen de mannetjes van verdieping naar verdieping naar boven. Als ze bij de bovenste verdieping zijn, met allemaal hun rode mutsje op en de schreeuwende stoplichtman zegt “groen” dan mogen ze met zijn allen heel snel achter elkaar een heel steile glijbaan af en dan roetsjen ze met een geweldige vaart naar beneden, terwijl ze ondertussen hun groene mutsje ook nog op moeten doen. Omdat het zo donker is daarbinnen is het heel handig dat ze van die grote oren hebben, want bij het wisselen van de mutsjes moeten ze goed blijven opletten. Ze trekken dan nooit in hun haast het mutsje te ver over hun gezicht. Want als één mannetje struikelt, dan loopt alles in het honderd. En je moet bovendien weten dat de stoplichtmannetjes in Nederland extra hard werken, want ze moet met hun rode mutsje altijd twee verdieping naar beneden glijden om daar hun groene mutsjes aan de mensen te laten zien. In alle andere landen hebben ze nog een extra rustpauze op de tussenverdieping, want daar mogen ze hun oranje mutsje nog eens laten zien aan de mensen. De glijbaan in andere landen is dan ook niet zo spannend als die in Nederland.

‘En als ze dan moe worden.’
‘Ook daar is aangedacht.’

Er zijn namelijk niet alleen trappetjes en glijbaantjes, maar er zijn ook liftjes. Deze liftjes zijn voor de stoplichtmannetjes die moe zijn geworden en niet zo snel meer de trap opkunnen. Vaak zijn dat de mannetjes die iets te veel sigaartjes hebben gerookt op momenten dat ze even mogen rusten. Bovendien is het wel handig dat niet iedereen met de trappetjes naar boven moet, want anders wordt het wel een gedrang van jewelste.
Voor de mensen lijken al die trappetjes, glijbaantjes en liftjes net een machine. De stoplichtmannetjes willen graag dat ze dat maar blijven denken, want ze willen niet zoveel met de mensen te maken hebben, alleen zorgen dat ze veilig het drukke kruispunt of het zebrapad over kunnen steken.

‘Je zei toch dat het schreeuwmannetje ook het woord af goed kende, wanneer zegt ie dat dan?’

Meestal gebruikt het schreeuwende mannetje de kleuren rood, groen of oranje en meestal luisteren alle andere mannetjes heel erg goed. Een heel enkele keer wil er nog wel eens een mannetje stout zijn. Als dat te vaak gebeurt dan roept het schreeuwmannetje ‘af’ en dat betekent dat hij voor straf niet meer mee mag rennen en glijden en dat is niet leuk voor zo’n mannetje. Je zou denken dat hij even kan rusten en dat is ook zo, maar die rust heeft hij niet voor niets.
In sommige situaties is het namelijk niet nodig dat de stoplichten op rood, groen of oranje staan. Het kijkende en schreeuwende mannetje ziet dan dat het niet zo druk is. Dan moeten de mensen zelf uitkijken.
Hij besluit dan dat alle brave mannetjes dan rust mogen om zo hun sigaartjes te roken. De stoute mannetjes moeten dan naar de middelste verdieping met alleen hun oranje mutsje op. En dan horen ze de hele tijd achter elkaar “oranje” en dan “af” , oranje, af, oranje, af. Oranje mutsje op, oranje mutsje af, oranje mutsje op en weer oranje mutsje af, allemaal tegelijk. De stoute mannetjes moeten dan soms doorgaan tot ze er een lamme arm van krijgen.

‘Zo werkt het dus met de stoplichten en hun bewoners.’
‘Dat had je ook meteen kunnen zeggen, dus van die computer is gewoon gelogen. Ik vind het eigenlijk wel logisch zo.’

’t Piepke

Alsof hij nooit is weggeweest, staat hij op zijn plek tegen de kale muur van de supermarkt, midden in de pretentieloze nieuwbouwwijk. De verse sneeuw, die de ochtend gevallen is, wordt netjes weggeveegd, terwijl ’t Piepke het allemaal soeverein bekijkt. En wij weten dan inmiddels dat de lente in aantocht is wanneer ’t Piepke weer in de openbaarheid verschijnt, ook al is het nog koud en winters voor andere stervelingen.

’t Piepke is een prettige zekerheid geworden in het leven. ’t Piepke staat meestal vrij roerloos op een strategische plek, vaak op meerdere momenten van de dag aan zijn pijp te lurken. Het moet wel heel hard regenen, of zoals nu, langdurig koud zijn, willen we ’t Piepke uit het oog verliezen.

In de anonimiteit van de moderne woonwijk heeft ’t Piepke ongewild, ook door gebrek aan beter, de rol gekregen van een soort dorpsgek. Hij weet dit overigens niet. Bovendien gedraagt hij zich ook niet heel buitenissig, het is meer het leger der kleurlozen dat hem tot een markante verschijning maakt.

Jaren geleden was de man me al opgevallen. Iedere avond reed ik met de fiets of auto langs hem op. Een gedrongen man van tegen de tachtig met een manchester broek, een pet, een grote donkere hoornen bril en een wat boerse jas voor als het koud is. Hij heeft een dunnere variant voor de minder koude dagen en hij verschijnt in hemdsmouwen bij zomerse temperaturen. Maar altijd heeft hij zijn pijp in de mond en met zijn handen op de rug monstert hij de voorbijgangers.

Bij terugkomst van een familie-uitje zei ik eens dat ’t Piepke er ook weer was. Ik zwaaide naar hem. Hij reageerde met een korte hoofdknik, nauwelijks waarneembaar, maar mijn kinderen waren onder de indruk.

‘Pappa kent ook iedereen.’

Ik heb ze uiteraard in de waan gelaten, inmiddels weten ze ook wel beter, maar ’t Piepke is sindsdien een begrip geworden. Al zijn gangen worden in familieverband besproken. Als ’t Piepke van zijn plaats wandelt om een boodschap te doen, wordt zoiets genoteerd inclusief wat er in zijn boodschappenmandje zit. Als hij een praatje maakt met een voorbijganger dan valt het op. ’t Piepke is een man zonder lange dialogen. Zijn bijdrage beperkt zich veelal tot enige losse opmerkingen in het plaatselijke dialect. En hoewel ’t Piepke nooit onwelwillend is naar zijn medemens, is zijn favoriete houding toch met de handen op de rug de auto’s, fietsers en wandelaars schijnbaar emotieloos observeren.

Mijn jongste zoon heeft mogen ervaren dat ’t Piepke wel degelijk negatieve emoties de vrije loop kan laten gaan. Heel opgewonden kwam hij eens thuis om dat te melden:

‘ ’t Piepke is helemaal uit zijn dak gegaan!’

In geuren en kleuren vertelde hij dat ’t Piepke vloekend en druk gesticulerend naar een huis aan de overkant wees. Hij zou schuttingtaal hebben gebezigd die niet echt past bij het oude baasje. Bovendien, zo gaat het verhaal, stak hij zijn middelvinger op.

‘Echt waar’, zei mijn jongste zoon volhardend toen hij ons ongeloof waarnam.

Inmiddels weten we dat hij in het huis aan de overkant woont, met zijn echtgenote, die we nog nooit hebben gezien, maar gemakshalve noemen we haar mevrouw Pipperette. Ik kan me zo voorstellen dat ze hem de deur heeft uitgezet met de woorden:

‘Ga jij maar op de hoek staan met je pijp, ik moet de boel aan kant maken.’

Nu zal ’t Piepke zich hebben neergelegd dat hij de vitrage niet meer mag besmeuren met zijn pijpwalmen. Maar hij wil wel naar buiten slenteren wanneer hij dat wil en niet op aandringen van mevrouw Pipperette zelf. In Amsterdam sturen vrouwen hun gepensioneerde mannen tenminste nog naar Artis. Hij moet op de hoek staan, tegenover zijn eigen huis nota bene.

De keer erop had hij zich weer verzoend met zijn Aardse plek tegen de blinde muur van de supermarkt. Hij volgde de langs rijdende auto’s en legde zijn nek in een kramphouding en mompelde nauwelijks hoorbaar:

‘Lekker wijfie.’

Onwillekeurig keek ik naar de vrouw in kwestie en moest concluderen dat ik zijn smaak niet deelde. Er fietste een dikke, ietwat fletse dame aan de verkeerde kant van de vijftig langs. Ze bezat in mijn optiek geen greintje ‘joie de vivre’ meer, maar ze kon ’t Piepke blijkbaar wel bekoren. Misschien kende hij haar nog wel van veertig jaar terug en heeft hij zich toen, op de rand van zijn midlifecrisis, verlekkerd aan haar. Ongetwijfeld was ze toen nog fris en fruitig en had het leven haar nog wat te bieden. Wie zal het zeggen?

Geheel onverwacht sprak ’t Piepke mij vorig jaar aan op de hem bekende losse lodderachtige wijze. Op een woensdagochtend had ik alle boodschappen gedaan. Bij thuiskomst was ik het wasmiddel vergeten, want woensdag is het wasdag. In een uiterst slechte stemming kon ik onverrichter zaken terug. Met een fles vloeibare zeep in mijn hand, merkte ’t Piepke me op. Hij bewoog zijn pijp van de ene mondhoek naar de andere.

‘Zo, dan kan moeder de vrouw ook weer aan het werk!’

‘Gvd’, dacht ik jaloers, ‘Niets moeder de vrouw, deze sukkel zelf moet aan de slag, luie uitvreter.’

Ik zag het onredelijke van mijn gedachten en lachte als een boer met kiespijn naar ’t Piepke.

Hij staat er dus weer, met een dikke jas aan, zijn pet op zijn hoofd en de pijp heel vertrouwd onder aan zijn lip, kijkend naar de witte wereld om hem heen, in de nietszeggende nieuwbouwwijk. Alsof hij een boer is die zijn landerijen bekijkt en voelt dat de lente er aankomt. Misschien was het land voorheen wel van hem? Wie weet? Ik weet het in ieder geval niet, want we kennen elkaar niet echt in de nieuwbouwwijk.

K*tjelekker25, veel is er in veertig jaar niet veranderd

De herinnering aan je eigen geboorte is voor de meeste mensen een onmogelijke opgave. Tenminste, dat is mijn mening, al beweren kleine groepjes spirituelen het tegendeel. Je eigen komst op Aarde is een enorme leegte die hooguit opgevuld kan worden met de informatie die je ouders kwijt willen. In mijn tijd was het nog niet gebruikelijk om van de bevallingssereniteit een multimediaal circus te maken en de kraamvisite te trakteren met foto’s en video’s van het moment suprême. Ik geloof dat ik niet rouwig ben over het gemis van de beelden van mijn Aardse landing.

In tegenstelling tot de geboorte, behoort een bezoek aan je geboorteplaats wel tot de reële mogelijkheden. In mijn geval is dat Heel, nabij Roermond. Soms zijn er momenten dat je heel even een glimp wil opvangen van het huis waar het eens allemaal begon. Een rationeel argument voor deze oprisping kan ik niet bedenken. Maar goed, de ratio van het leven zelf is niet altijd even gemakkelijk, echter omdat levenstwijfel zo’n vermoeiende bezigheid is, zoeken we maar naar wat verstrooiing. Bijvoorbeeld in een weekend met je zoon langs je geboortehuis rijden. In het Limburgse Heel dus.

Welwillend zit je zoon naast je in de auto, na een lunch op het marktplein in het nabij gelegen Belgische Maaseik. Samen keuvelen we een beetje, de radio is aan met hedendaagse muziek. Het is behaaglijk warm in de wagen, in tegenstelling tot de natte waterkou in het Limburgse Maaslandschap.

‘ Zullen we even naar mijn geboortehuis rijden?’

‘ Is goed, maar zijn we daar acht jaar geleden ook al niet geweest?’

‘ Goh, weet je dat nog?’

‘ Ja, maar ik wil er nog wel eens heen.’

Bij binnenkomst in Heel is het noodzakelijk om de plaatselijke plattegrond even te raadplegen, want de weg weet ik niet meer. Ik heb dan ook maar 18 maanden in Heel gewoond. De zachte G is ook niet aan me blijven kleven. Gelukkig is het een klein dorpje en het adres is zo gevonden.

Ondertussen vermaakt mijn zoon zich met het lezen van de routernamen in de omgeving. Via zijn mobiele telefoon kan hij al rijdend alle draadloze internetverbindingen traceren. Vaak hebben deze verbindingen voor de hand liggende namen die refereren naar de naam van de bewoners van het pand. Het was ons al opgevallen dat naast Janssen, de naam Gijssen en Hendriks veelvuldig voorkomen. Soms wordt slechts het adres de routernaam en in enkele andere gevallen is er iets creatievers bedacht.

‘ Pierke, Ge Fransen, vlaaibaai, Janssen.’

De namen in Heel worden opgelezen via het mobiele wonder van mijn zoon.

‘ We zijn er bijna.’

Mijn zoon kijkt op en zegt terecht dat het niet zo’n beste buurt is.

‘ Och, dat valt wel mee,’ zeg ik tegen beter weten in.

De vorige keer was het me al opgevallen dat de straat waarin ik geboren ben er wat sjofel uitzag.

‘ Gewoon een arbeidersbuurt, niets mis mee.’

Mijn ouders, komend van ver buiten Limburg, waren altijd erg content met het nieuwbouwhuis dat zij toentertijd betrokken. In de tijd van woningnood van de jaren zestig was een knap huisje belangrijker dan een baan. Toen het huis via een landelijke advertentie gevonden was, werd de baan er gewoon bij gezocht.

‘ Frans Schoenmaker, Arie&Truus, Kutjelekker……….hè?

Mijn zoon barst in lachen uit.

‘Die zijn niet wijs, Kutjelekker25, dat doe je toch niet? Wat een kansloze lui. Op welk nummer ben jíj geboren pa?’

‘ Op nummer 25.’

De hilariteit was compleet. Met een korte blik op het huis, de vleselijke voorkeur van de huidige bewoners tonend, rijden we maar door, de verloedering achter ons latend.

‘ Het is niet meer wat het geweest is,’ verweer ik me zachtjes zonder dat mijn zoon het hoort.

De laatste zin blijft in mijn hoofd hangen. Hoe was het eigenlijk, toen, in het jaar 1966?

Over Heel heb ik altijd lovende verhalen gehoord als het gaat om het eerste huis van mijn ouders. De omgeving vonden ze bovendien geweldig, maar daarmee hield de loftrompet over Heel eigenlijk wel op.

Ze kwamen uit Amsterdam en Utrecht en hadden inmiddels geroken aan de vrijheden die beginjaren zestig aan het ontluiken waren in Nederland. Zelf kwamen ze beide uit degelijke katholieke gezinnen uit het oosten des lands, dus eerst netjes trouwen en dan pas samenwonen. Met deze Roomse bagage dachten ze het wel te redden in Limburg. Het viel wat tegen. Mijn moeder heeft nog een tijdje gewerkt als verpleegkundige in een verzorgingstehuis voor nonnen. Menigmaal heb ik het verhaal gehoord dat de oude besjes pas dan bediend werden, hetgeen voor een plaats in het Hemelse Rijk een voorwaarde was, als het testament aan de kerk werd overgemaakt. Mijn vader was als gediplomeerd verpleegkundige aangetrokken in de zwakzinnigenzorg dat tot die tijd bestierd werd door Broeders. Ik durf niet te zeggen van welke orde ze waren, maar Broeders van Liefde voor de verstandelijk minderbedeelden waren ze zeker niet. Het vergelijk met het hedendaagse Roemenië wil ik niet maken, maar veel beter was het niet. Waarschijnlijk wel schoner, maar daar was dan ook alles mee gezegd.

In het Roomse Heel was het toen nog zeer ongebruikelijk om weerwoord te bieden tegen de geestelijkheid. Maar met diploma en eigentijdse kennis op zak, heeft mijn vader dat toch met regelmaat gedaan. Het is hem uiteindelijk duur komen te staan.

Naast de werkkring, beleefden ze ook weinig vriendschappelijke contacten met dorpsgenoten, uitzonderingen daargelaten. Ze waren ‘Òlanders’ en voor de gemiddelde bewoner van Heel deugden de Maastrichtenaren eigenlijk al niet. Mijn ouders hadden het gevoel dat ze met de nek aan werden gekeken. De hang naar hun beider roots werd snel groter. Een telefoon hadden ze nog niet, want voor een aansluiting moest rekening worden gehouden met een wachttijd van twee jaar of meer. Noodgedwongen fietste mijn vader met enige regelmaat naar het nabij gelegen Thorn om met de familie te bellen. Het alternatief was de telefoon in het plaatselijke postkantoor waarbij iedereen kon meeluisteren.

Hoewel het aan hun kerkgang niet heeft gelegen, hebben ze snel na de geboorte van mij en mijn broertje het Rijke Roomsche Limburg achter zich gelaten.

Een van de positieve uitzonderingen was de buurvrouw van mijn ouders, die van nummer 23. Niet dat ze goede vrienden zijn geworden, maar toch ze hadden een band, vooral mijn vader. Uiteraard met volledige instemming van mijn moeder. De buurman is een ander verhaal. Die zoop en sloeg zijn vrouw. Tegenwoordig zouden we dat huiselijk geweld noemen, toen blijkbaar niet. Ook ‘Blijf van mijn lijf’ huizen waren nog niet in zwang. Deugdelijke zwakzinnigenzorg moest trouwens nog uitgevonden worden.

De buurvrouw en buurman bleven gewoon bij elkaar en mijn ouders konden ongewild delen in lief en leed van het Limburgse burenpaar. Ik weet niet of de buurvrouw een knappe verschijning was. Ze had ze in ieder geval niet allemaal op een rijtje. Zo liep ze iedere keer naar buiten als mijn vader de tuin aan het sproeien was. De planten moesten nog groeien, het waren immers nieuwbouwhuizen, dus van enige privacy was geen sprake, daaraan werd gewerkt middels het sproeien. Ze bukte zich omslachtig met haar achterste naar mijn vader, die uiteindelijk bezweek voor de verleiding en de tuinslang richtte op de billen van de buurvrouw, die het uitgilde van plezier.

Op zondag had ze echter andere verplichtingen. Na de kerkgang gingen de dorpsbewoners uiteraard naar de kroeg of naar de kruidenier, die toen nog open was. Een enkeling had andere plannen. Via het achterommetje klopte ze bij de buurvrouw aan, om een half uur later weer te verdwijnen. Of buurman hier weet van had, vertelt het verhaal niet. Hij zat op dat moment in de kroeg, misschien wel van het geld dat zijn vrouw verdiende.

Eenmaal vergiste zich een klant en klopte bij mijn moeder aan met de vraag in onvervalst Limburgs:

‘ Doet de naaimachine het nog een beetje?’

Hij is onverrichter zaken weggegaan.

‘Kutjelekker25, kutjelekker25………’

Eigenlijk is er niet zoveel veranderd in die ruim veertig jaar. Toen was het ‘kutjelekker23’. Het was nog niet via een mobiel te traceren, maar veel katholieke mannen uit Heel wisten het wel degelijk te vinden.

De kikker en de rokende man

Er was eens een doodgewone man in een gewoon land hier niet zo ver vandaan. Het land was meestal vredig, soms niet. Het land was welvarend, hoewel niet iedereen daar de vruchten van plukte. Bovenal het land kenmerkte zich door gelijke rechten voor een ieder. Allemaal heel gewoon dus. In dat land woonde de gewone man samen met zijn bijzondere, maar gewone vrouw en dito kinderen. De man had niets te klagen. Natuurlijk zijn er altijd wel dingetjes die beter, mooier en groter kunnen, maar dat is eigenlijk ook heel gewoon.

In het land is het credo, leven en laten leven. Zo mag de man roken, maar niet in het bijzijn van zijn kinderen. In het begin was dat vervelend, om bij weer en wind buiten je sigaretje te moeten roken, maar och, het went wel. Hij mag tenminste zijn sigaretje roken, zonder dat iemand hier commentaar op heeft.

Zo rookt hij iedere avond een paar sigaretjes in zijn tuin, bij goed weer een paar meer en als het regent wat minder. Het terugtrekken voor een paar minuutjes uit het huiselijke bestaan heeft vaak iets meditatiefs voor de man. Hij kan zich even ontrekken aan  zijn plichten of de drukte van het gezin, zonder dat dit meteen schade oplevert, behalve dan voor zijn longen. Hij denkt dan na over zijn leven of het leven in het algemeen. Soms ook over helemaal niets en dat is ook lekker. Andere momenten zijn er sombere overpeinzingen die weer afgewisseld worden met lichtvoetige gedachten. Vaak fantaseert hij dat hij een groot schrijver is. Want juist bij die korte momenten van rust borrelen soms waanzinnig scherpe ideeën uit het brein van de man, hoe gewoon hij ook moge zijn. Het roken in je eentje, zo ´s avonds in je eigen tuin is net zoiets als de momenten tussen waken en slapen. In luttele seconden ontstaan complete romans. Romans die de beroemde schrijvers in het land doen verbleken. Romans trouwens die nog wel even geschreven moeten worden. Maar de man kent zijn plaats, hij is tevreden met zijn bestaan en blijft dromen, vooral tijdens het roken in zijn eigen tuin.

Maar de man droomt niet altijd tijdens de rooksessie. Hij is dan met heel praktische zaken bezig. Bijvoorbeeld opruimen of het snoeien van een overbodige tak. Hij kijkt dan heel tevreden naar de bloemen en planten in zijn tuin. Bij de verlichting in de avond is de tuin vaak nog mooier dan overdag.

Op een van die observatiemomenten neemt de man een kikker waar. Een grote kikker, bruingrijs van kleur met een duidelijke zwarte structuur van figuren op zijn lijf.
´Hé, een kikker in mijn tuin, dat is grappig.´
Ze komen uit de vijvers van de belendende percelen, waarbij de buren, ook heel gewone mensen, een vijver hebben.
´Wat doet een kikker eigenlijk zo ´s avonds laat nog in een vreemde tuin?’ vraagt de man zich af.
De kikker beweegt zich niet, al zittend met zijn kont tegen de muur van het huis, kijkt het stoïcijns met zijn blik vooruit, of mogelijk met een steelse blik naar de rokende man. En de man kijkt terug met geamuseerde verbazing. Verbaasd omdat de kikker niet beweegt en geamuseerd, ook omdat de kikker niet beweegt.
‘Zou het beestje gewond zijn, of doet het gewoon een wedstrijdje wie elkaar het langste kan aankijken?’
Wie zal het zeggen? De man dooft zijn sigaret en gaat naar binnen.
‘Het is mooi geweest voor vandaag.’

Hij sluit de deur achter zich en vergeet de kikker. Die avond erop, het is mooi weer, dus een aantal sigaretten zullen onder prachtige zomerse omstandigheden geconsumeerd worden. Zolang de zon nog schijnt is er niets aan de hand. Het gewone zomeravond lawaai zorgt ervoor dat de dag nog niet ten einde is, dus voor de man is het roken nu slechts een kwestie van gewoonte en primaire behoeftebevrediging. Maar als het donker is, het geluid dempt, is de nacht in aantocht. De man kan dan van zijn nicotinepauze weer een waar introspectief momentje creëren. Hij gaat op de picknicktafel zitten, pakt zijn aansteker en al zuigend aan zijn sigaret neemt hij een kikker waar. Zomaar een kikker, of de kikker? De man is opnieuw verbaasd.
‘Zo ben je er weer?’ terwijl hij vooroverbuigt om zich ervan te gewissen of het dezelfde kikker is.
Het is ook een bruin beestje met duidelijke zwarte vlekken op zijn rug. Opvallend is dat bij nadere beschouwing het diertje een geprononceerd kontje heeft.
‘Goed voor de Franse keuken.’ is zijn eerste ingeving.
Peinzend blijft hij voorover staan, maar moet toch vaststellen dat hij die avond ervoor niet echt naar het vlekkenpatroon heeft gekeken.
‘Waarschijnlijk is het de kikker van gisteravond.’
Hij springt in ieder geval niet weg, ook niet nu de man met een brandende sigaret tot op een tiental centimeters is genaderd. De man probeert de kikker met zijn vingers aan het schrikken te brengen, maar het beest blijft rustig zitten.
Al is de man een dierliefhebber, maar een kikker daadwerkelijk aanraken, dat gaat hem echt te ver. Dat doe hij maar niet.
Hij loopt weer terug naar de picknicktafel en rookt verder, terwijl hij zich focust op de kikker.
‘Misschien is dit voor hem ook wel een moment van overpeinzing, weet ik veel wat er in zo’n kikkerbrein omgaat?’
De man heeft een nuchter karakter, maar hij sluit niets uit, dus ook niet dat er aanwijsbare argumenten voor de kikker zijn om voor de tweede achtereenvolgende avond met zijn dikke achterste tegen te muur van zijn huis te zitten. Bovendien is het niet normaal dat het beest geen aanstalten maakt om te vluchten zodra een menselijk wezen in zijn nabijheid komt. Nu weet de man dat de kikker niets te vrezen heeft, maar weet de kikker dat ook? In een vredige sfeer van verdraagzaamheid accepteren de rokende man en de kikker elkaars nabijheid. De man heeft de neiging om een praatje te maken, over het weer, over uit welke tuin de kikker komt en over zijn gemoedstoestand. Echter de starende en onbeweeglijke houding van het beest nodigt niet uit tot een losse burenconversatie.
‘Bovendien is het een kikker’ beseft de man bijtijds.
Toch blijft het hem intrigeren, zo’n katatone verschijning, die niet reageert op zijn aanwezigheid.
‘Ben je soms niet goed wijs, autistisch of is er anderszins iets mis tussen je oren?’
‘Heb je sowieso wel oren.?’
Maar die laatste vraag is natuurlijk onzinnig, want het luide gekwaak van zijn soortgenoten elders in de buurt, geven aan dat kikkers elkaar in ieder geval iets te melden hebben. Deze kikker neemt hem blijkbaar niet serieus als gesprekspartner, want ook een beetje kwaken, hoe bescheiden dan ook, heeft de man nog niet waargenomen.
‘Zal ik je eens een geheim vertellen’ meldt de man toegeeflijk, ‘Ik begrijp je eigenlijk wel, want als ik alleen ben, praat ik ook niet in mezelf en zit meestal maar een beetje voor me uit te kijken. Het zou me nogal wat zijn, als ik in mijn eentje hardop ga praten. De buren zullen dan opkijken, want het geluid draagt ver als het donker en rustig is.’
De man kijkt of zijn woorden tot enige toeschietelijkheid bij de kikker leiden, maar niets van dat alles. Met zijn billen tegen de muur, zijn benen in de spreekwoordelijke kikvorshouding en zijn kopje een weinig omhoog gericht, blijft het stil aan de andere kant.
‘Ja, dat geluid ver te horen is, weet jij natuurlijk ook wel, want als kikker kwaak je wat af. Tenminste een gewone kikker, jij blijkbaar niet.’
De man neemt nog een sigaret, in de hoop dat er nog enige verandering komt in de gemoedstoestand van de kikker. Maar nee hoor.
Later op de avond komt hij nog eens terug voor de finale sigaret die dag, maar de kikker blijft op dezelfde plaats zitten en geeft geen enkel teken van leven.
‘Tot morgen dan maar.’

Die dagen erop blijft de kikker komen en de man roken. De man vraagt zich af wat de kikker bezielt, maar kan geen verklaring vinden voor het gedrag van het beestje. De man vindt het wel goed zo, want naast zijn overpeinzingen, lichtvoetig of zwaar, zijn ideeën, briljant of zomaar een losse gedachten, richt hij zich nu op de kikker, zijn kikker bijna. Hele conversaties voert hij op, alsof de kikker een gelijkwaardige gesprekspartner is. En al reageert het beest nog steeds niet op zijn woorden of bewegingen, het feit dat hij terug blijft komen is natuurlijk al mooi.

Op de zesde dag, als de kikker zich al lang heeft geïnstalleerd, komt de man wat later dan gewoonlijk.
‘Sorry hoor, ik had vanavond een afspraak buiten de deur, dus ik kon niet vroeger, maar goed ik ben er.’
Hij pakt gewoontegetrouw zijn sigaretten en zoekt naar de aansteker. Als de man op zijn vertrouwde plek zit, de picknicktafel iets dichter naar de kikker toegeschoven, blaast hij pesterig wat rook naar het beest.
‘Nog steeds geen beweging, volgens mij heb je een missie, want die standvastigheid is bijna bovennatuurlijk, volgens mij wacht je op je liefje, niet waar?’
Heel even, een fractie van een seconde lijkt het kopje van de kikker te bewegen. De rokende man ziet het gebeuren en beseft dat er een verandering, hoe summier ook, is opgetreden in hun vreedzame co-existentie.
‘Zag ik je bewegen?
‘Bracht ik je soms in verlegenheid toen ik over een liefje begon?’
De man begon te lachen, hij moest er zelfs van heel hard van hoesten, daarbij angstvallig kijkend naar het huis van de buren..
Dan denkt hij aan het sprookje van de kikker, die gekust moest worden en dan verandert in een mooie prins. De kussende vrouw is natuurlijk ook prachtig en meteen worden ze verliefd en ze leefden nog lang en gelukkig.
Maar dat is alleen in sprookjes en bovendien gelooft de man niet in sprookjes. Vroeger als kind natuurlijk wel, maar dat is al lang geleden.
‘Of ben je misschien toch stiekem een prins’ lacht de man.
En weer, nu voor de tweede keer, is er een kleine beweging bij de kikker waar te nemen, alsof het via die minieme bewegingen toch pogingen doet om te communiceren. Maar zo pakt de man het niet op. Integendeel. Hij vertelt de kikker dat als hij echt een prins is, hij pech heeft. Pech omdat de man eigenlijk geen kikkers wil aanraken, laat staan kussen.
‘De idee’ zegt de man nu hardop, ‘en al zou ik in sprookjes geloven, wat moet ik met een man, laat staan een prins.’
Wederom een schaterlach. Het geluid draagt tot ver in de omtrek, maar brengt ook een reactie bij de kikker teweeg. Het diertje neemt een paar pasjes, draait zich om en gaat weer stil zitten op de plek die hij zojuist verlaten heeft met een klein verschil. In plaats van zijn kontje tegen de muur te schuren, kijkt hij nu naar de muur en de kikkerbillen zijn nu duidelijk zichtbaar voor de man. Het lijkt wel of de kikker zwaar beledigd is en zijn billen toont om uiting te geven aan zijn ongenoegen.
‘Sorry hoor, nu moet je je niet beledigd voelen, ik val nu eenmaal niet op mannen. Ik ben gewoon getrouwd met mijn vrouw, daar past geen prins bij vind ik.’
Misschien dat de echtgenoot van de man het wel leuk zou vinden, maar daar wil de gewone man maar niet aan denken. Wel realiseert hij zich dat ook bij kikkers het fenomeen mannetjes en vrouwtjes bestaat.
‘Misschien ben je wel een vrouwtjeskikker?’
De man beseft dat een innige knuffel met de kikker dan heel andere mogelijkheden biedt. Hij ziet een mooie prinses voor zich. Jong, dartel en bovenal met een enorme toewijding naar hem, omdat hij haar immers heeft wakker gekust.
Het leven zal er beslist heel anders uit gaan zien, maar zal zijn echtgenoot het zo grappig vinden. De man weet wel zeker van niet.
‘Nee, kleine prinses van mij, ik zal je niet kussen. Ik ben niet gek en ik geloof niet in sprookjes.’
Weer beweegt de kikker een beetje. Het wipt een beetje op en neer en schudt bijna elegant met zijn ietwat dik uitgevallen billetjes. Alsof het de man wil verleiden om het onmogelijke toch te proberen. Het mag niet baten.
Terwijl de man nog een sigaret opsteekt, probeert hij te achterhalen hoe de prinses eruit zou zien. Een donkerharige dame, misschien wel met een getinte huid, de kikker is immers ook bruin. Al rokend visualiseert hij zich een droom van een dame, maar bij iedere teug verandert het beeld van zijn gedroomde prinses.
Er zijn immers zoveel mooie vrouwen weet de man. Hij herinnert zich de wijze woorden van zijn vader nog.
‘Hoe zei hij dat ook al weer? Een mooie vrouw is als een schilderij, de compositie moet kloppen, maar je kunt liefhebber zijn van veel stromingen in de schilderkunst.’
Met de laatste teug van zijn sigaret komt de man weer terug bij de realiteit en gaat naar binnen, naar zijn eigen compositie. Hij heeft niet eens door dat de kikker gelijktijdig met hem vertrekt.

De volgende avond is het druilerig weer. Hoewel het niet koud is, nodigt de gestaag vallende regen niet uit tot veel roken. Bij het schemerdonker bemerkt de man dat hij alleen is.
‘Och, mijn prinsesje zal straks wel komen’ stelt hij zichzelf gerust.
Maar later op de avond, geen spoor van de kikker. De man gaat verderop kijken of het beest een andere plek heeft uitgekozen voor zijn overpeinzingen. Maar nee, de kikker is niet gearriveerd. Met een lichte weemoed sluit hij die avond de deur van zijn huis. Een beetje mist hij zijn kikker, zijn kleine droomprinsesje wel, al kenden ze elkaar nog niet zo lang.
Die dag erop vertelt hij zijn vrouw en kinderen aan het ontbijt dat hij al zes dagen op rij een kikker als gezelschap heeft gehad bij het roken in de tuin.
‘Maar gisteravond was hij weg en ik mis het beestje wel een beetje.’
Hij vermeldt maar niet dat hij in zijn overpeinzingen gedacht heeft te maken te hebben met een heuse knappe prinses. Ze zouden hem beslist uitlachen. De man accepteert het verlies van zijn gesprekspartner en gaat over tot de orde van de dag. Een aantal uren later neemt hij een rookpauze, dit maal aan de voorkant van zijn huis. Daar vleit zich op een klein bankje, genietend van de warme middagzon en zijn sigaret.

In de verte ziet hij twee mensen aankomen. Als ze hem naderen, bemerkt hij dat het de buurman van een straat verder op is. De buurman is op zijn paasbest gekleed. Normaliter loopt de man er ongeschoren bij en heeft hij absoluut geen aandacht voor zijn kleding. Meestal draagt hij versleten slobberkleding, grote werkmansschoenen en heeft hij ongekamde haren.. Zijn verschijning is waarschijnlijk de reden dat de buurman een notoire vrijgezel is. Het feit dat hij nu zo netjes gekleed is, heeft overduidelijk een reden. Want naast hem loopt een dame, en niet zomaar een dame. Een grote struise donkere dame met prachtige afrolvlechten, een puntgaaf vrolijk en open gezicht, waarin een brede glimlach te voorschijn komt bij ieder woord van de buurman. De vrouw is gekleed in een zomerse jurk die nauwsluitend om haar lichaam zit. Haar borsten mogen er zijn, maar vooral haar billen komen op een prachtige geraffineerde wijze uit in haar kleding. Het zijn prachtige stevige billen die met bevalligheid getoond worden, zoals alleen donkere vrouwen hun achterste met trots aan de wereld laten zien. Ook al zijn die billen volgens de norm aan de forse kant.
De man staat aan de grond genageld bij het zien van de schoonheid en dan nog wel in gezelschap van de morsige buurman. Een ongeloofwaardige combinatie die komt aangewandeld.
‘Goedemorgen’ zegt de buurman opgewekt.
‘Hallo’ zegt de donkere dame met een sensuele klank in haar stem, terwijl ze de rokende man indringend aankijkt.
De man kan amper iets terugzeggen, en zijn tegengroet lijkt meer op een paar gorgellende en kwakende keelgeluiden.
Het tweetal loopt verder. Op het moment dat de man het volledige zicht heeft op de billen van de mooie vrouw, kijkt ze achterom. Ze geeft haar mooiste glimlach, pakt haar partner stevig bij zijn arm en schudt, heel even maar, met haar magnifieke billen in het volle besef wat voor effect dat heeft op de starende man. Nog een keer kijkt ze achterom. Dan ziet ze dat de man een kreet onderdrukt. Een kreet veroorzaakt door een brandende sigaret die doorsmeulde terwijl de man met open mond naar de zwarte Madonna staarde.
Het stel loopt verder, terwijl de man de peuk weggooit en zijn geblesseerde vingers ter afkoeling in zijn mond stopt.
‘Ik moet maar eens stoppen met roken, daar komen alleen maar rare gedachtekronkels van.’