Pro-Zwarte Piet? Wel nee, vooral ANTI Anti-Zwarte Piet!

Land van 15 miljoen mensen, op dat hele kleine stukje Aarde….dat is de plek waar marketingmanagers twijfelen of ze zwartepiet-producten moeten verkopen, of niet. Dat is de plek waar zwarte piet gepolderd wordt tot kaaspiet, stroopwafelpiet en regenboogpiet. Dat is de plek waar volwassen mensen tussen het nieuws van Oekraïne, ISIS en ebola verontwaardigd standpunten innemen over een kinderfeest. Dat is de plek waar de aanstichters van de discussie met de dood worden bedreigd. Dat is de plek waar shaming en blaming wordt gepropageerd door anti-zwartepieters na een onwelgevallige uitspraak van de Hoge Raad. Dat is de plek waar zwarte piet een pistolenpietje mee moet nemen ter bescherming. Dat is de plek waarbij een extreem bezoedelende reactie komt van reactionairen en andere randdebielen, op de extreem fundamentalistische aanklacht van rascisme door onfatsoenlijke moraalridders met hersenspinsels. Dat is de plek waarbij het Sinterklaasjournaal tot Bijbel, Koran en Thora tegelijkertijd is verworden, het Sinterklaasjournaal als nationale moraalgids. Kortom een belachelijk land.

Ik ben niet PRO-Zwarte Piet
Terwijl de intocht nu bezig is, wil ik helemaal niet weten welke pro- en antizwarte-pieters in Gouda actief zijn. Voor mij staat het vast dat Zwarte Piet niet racistisch is en ook niet racistische bedoeld. Ook al omdat de herkomst te herleiden is uit de Germaanse tijd en er een gigantische natuurlijke evolutie in het hele Sinterklaasfeest plaatsvond door de eeuwen heen. Ik ontken daarmee niet het bestaan van racisme en discriminatie in alle lagen van de bevolking, integendeel. Zelfs de gevoelens van mensen die zwarte piet aan de slavernij koppelen, wil ik niet bagatelliseren. Zij zullen bij zichzelf moeten nagaan door wie of wat die valse koppeling misbruikt wordt. Mijn verbazing over de oplopende discussie over racisme rond het Sinterklaasfeest kreeg vorige week voeding door een artikel in Trouw over Adrian Hart. Met de kop ,,Antiracisten houden racisme in stand” slaat hij de spijker op zijn kop. Adrian Hart heeft net een boek uitgegeven over dit onderwerp. Hij was actief racismebestrijder uit de jaren tachtig.

“Natuurlijk keur ik iedere vorm van racisme af. Maar dat betekent niet dat ik iedere vorm van antiracisme toejuich. Zero tolerance betekent het einde van iedere context.” (einde citaat)

In de Zwarte Piet discussie wordt iedere context weggehaald en geeft voeding aan tegensentimenten zoals de Nederlandse Volks Unie en zelfs de PVV pikt een graantje mee.

,,Zero tolerance klinkt heel stoer, maar het is een teken van een onthutsend simplisme. De neiging om alle context buiten beschouwing te laten, past in een bredere trend waarbij het volk – vooral de lager opgeleiden onder ons – wordt gezien als gajes. Het is alsof wij, gewone mensen, zo ongemanierd en onbeschoft zijn, dat we alleen nog in bedwang kunnen worden gehouden met regels, wetten en toezicht.” (einde citaat)

De ongefundeerde hersenspinsels van de antizwartepieters hebben inderdaad iets losgemaakt, naast een haast even ongefundeerde reactie van sommige prozwartepieters die ervoor zorgt dat als je niet uitkijkt automatisch in het racistische kamp wordt geschaard door zogenaamd weldenkend Nederland. Op zijn minst ben je kinderachtig om vast te willen houden aan het aloude en bestaande.
Ik ben helemaal niet pro- zwartepieter en het zal me geen pepernoot kunnen schelen hoe het feest er over vijftig jaar uit gaat zien. Ik heb het idee dat de meerderheid van de Nederlanders net zo denkt en ik hanteer daarbij gemakshalve even de cijfers dierondzingen dat 80% nu (en op deze manier) geen veranderingen wenst in de figuur van zwarte piet. Ik hekel daarentegen de roep van Neanderthalers om Zwarte Piet bewust in te zetten om racisme aan te wakkeren, maar dat is volgens mij een hele kleine minderheid die er altijd zal blijven. Ik begin vooral ANTI anti-zwartepiet te worden. Ik vraag me af of die club van hoogopgeleide Amsterdammers, al dan niet afkomstig van de Antillen of Suriname, wel antiracisme in het vandaal hebben en niet veel meer bezig zijn met de BV Ikzelf om wat voor psychische redenen dan ook.

Roeptoeterende welgemanierde BN-ers
En misschien nog wel erger dan een clubje dat overtuigd is van hun goede motieven om Zwarte Piet te weren, is de groep die deze minderheid faciliteert. Gemakshalve noem ik dat maar even de grachtengordel in navolging van Powned met hun Pownews. De interviewmethodes van Pownews zijn niet de mijne, maar op dit vlak hebben ze wel een punt. De bevoogdende hautaine invalshoek van de grachtengordel wordt niet voor niets op de hak genomen door die schoffies van Powned. Ook ik stoor me in toenemende mate aan programma’s als Pauw (en Witteman), DWDD en aanverwanten die podium blijven geven aan BN-ers die verontwaardigd de antizwartepieters steunen. BN-ers die enkele jaren terug nog Zwarte Piet speelden of een andere belangrijke rol in het Sinterklaasverhaal hadden,  hebben in een keer het licht gezien? Zou het water van de grachtengordel iets bevatten dat hen anders maakt dan de rest van Nederland en waardoor zij het beter begrijpen? Of is het slechts feelgood-engagement of behoud van werk. Zouden de BN-ers geen afspiegeling zijn qua mening en opinie in vergelijking met de rest van Nederland? Ook dan zou 80% zich voor het huidige Sinterklaasfeest moeten uitlaten. Echter iedereen roeptoetert elkaar na ten koste van het gajes dat bulkend en bierend op de bank racistisch zit te wezen. ‘We zullen het klootjesvolk wel eens opvoeden.’
In dat licht verwijs ik naar een column van René Cuperus uit de Volkskrant. Een zeer lezenswaardig artikel en verplichte kost voor iedere hoogopgeleide, inclusief de grachtengordel. Ten aanzien van de Zwarte Piet discussie zou ik zonder moeite zo tien citaten kunnen quoten om handen en voeten te geven aan het verschil tussen roeptoeterende grachtengordel en de rest van Nederland, om duidelijk te maken dat de media en de moraliteit misbruikt wordt en een vals beeld geeft van de werkelijke sentimenten in de zwarte pietdiscussie. Ik gebruik het laatste gedeelte van zijn betoog:
,,Ook geen woord over het feit dat de elite der hoogopgeleiden nogal tekortgeschoten is bij het managen van hun o zo dierbare globaliseringskoers. Zie de bankencrisis, de eurocrisis, de multiculturele fricties. Dat zal het vertrouwen van laagopgeleiden in de wijsheid der hoogopgeleiden niet ten goede zijn gekomen. Hoe zullen de laagopgeleide huurders denken over de ontspoorde bobo’s in de voorheen sociale woningbouw?
Maar het meest verraderlijke is dit. Hoogopgeleiden houden er halfbewust een vals zelfbeeld op na. Men geeft voor kosmopolitisch en universalistisch te zijn, pro-migratie, pro-islam, pro-Europa. Vooral om zich te kunnen onderscheiden van ordinaire lageropgeleiden. Maar hoe kosmopolitisch, pro-Europees en pro-islam is de elite op de keper beschouwd? Daar valt nogal wat op af te dingen. Het zou zelfs wel eens zo kunnen zijn, dat juist de lageropgeleiden momenteel als avant-garde fungeren bij het alarm slaan over de schaduwzijden van de globalisering.”

De zwartepietdiscussie kan gezien worden als een hoofdstuk in de verwording van de twee hier genoemde kampen. Als toppunt is het gebruik van het Sinterklaasjournaal, die uiting moet geven aan de opgelopen discussie over een onderwerp dat helemaal niet in landsbelang is, zelfs geen animositeit had hoeven opleveren als er niet zo eenzijdig ruchtbaarheid was gegeven aan een issue dat ten onrechte is verworden tot een nationaal probleem. Een ‘ouderwets gezellig feest’, witte pieten, regenboogpieten of clowntjes pieten, het zijn allemaal spastische ‘oplossingen’ voor de huidige onderlinge vijandigheden bij een mythisch kinderfeest, maar waarbij de richting waar het naar toe moet bepaald wordt door een kleine groep ‘grachtengordels’ zonder kennis, invoelingsvermogen en tact naar de overgrote meerderheid. Een volksfeest is niet te mennen en omdat het niet racistisch is, hoeft het ook niet gemend te worden. Een kleine minderheid meent dat dit wel moest.

Afronding voor dit jaar

Voor mij is het gedoe over Zwarte Piet zeker geen onschuldige discussie meer, maar een tendens met gevaarlijke onderliggende gevolgen waarbij de politieke en culturele elite (of zij die het podium krijgen om zich zo te noemen) een zware wissel trekken op toekomstige solidariteit. Hoe groot is hun betrouwbaarheid als het gaat om zaken die echt belangrijk zijn.

In de psychologie zegt men nog wel eens dat je alleen van anderen kunt houden, als je ook van jezelf houdt. Ik weet niet of je wetenschappelijk de lijn naar groepen kunt trekken, maar in Nederland zou eens stil moeten staan bij de hartstocht voor de goede dingen van de eigen cultuur. Door dat te omarmen en te waarderen, kan er pas ruimte komen voor waardering van de eigen cultuur. Dus hoe kospomolitisch zijn die antizwartepieters nu eigenlijk? Voor dit jaar stop is dit mijn eerste en enige blog hierover.

In 2013 schreef ik: Zwarte Piet in moerassig Nederland

In 2011 herplaatste ik een blog uit 2009 met de titel: Poten af van Zwarte Piet

Om de onheusheid van de argumenten van de antizwartepieters te ridiculiseren, pleitte ik in 2013 voor de afschaffing van het Caraïbisch Carnaval in Rotterdam. Een belachelijk idee natuurlijk, maar niet stommer dan.

In 2004 al geschreven, maar herplaatsing op mijn blog is in deze mijn eerste ‘multiculti’ ervaring in de provincie.

De plattelandskapper/Spargo You en Me

Halfweg de jaren zeventig was mijn kapper al een soort fossiel. De beste man was niet eens zo oud, hij had kinderen van mijn leeftijd. Midden in het centrum van Raalte, met een heuse wandelpromenade, had hij zijn nering, waarschijnlijk al meer dan 25 jaar. Zijn zaak zag er ouderwets uit. Via een gewone voordeur kwam je in een soort voorportaal waar het volstond met stinkende jassen, petten op de kapstok en een enkele wandelstok. De kapper keek dan op van zijn arbeid, stak zijn hand op ter verwelkoming. Tegelijkertijd voorzag hij de andere klanten van informatie wie er binnen kwam, zo nodig opgesmukt met saillante details. De meeste klanten waren op leeftijd. Anderen werden door hun moeder gestuurd al dan niet samen met hun vader. Dat was net zo gemakkelijk. Ik was er dus zo een.

Eenmaal in de zaak, hel verlicht met tl-balken, stonden twee grote leren kapperstoelen voor twee identieke wasbakken die rijk omlijst waren met donkergrijs marmer. Daarnaast stond een hoge knipstoel voor knapen. De winkel was voorzien van grote ramen met bruinige vitrage die het zicht naar buiten bemoeilijkte. Maar ook de shag- en sigarenlucht was oorzaak van gezichtsbeperking. De rooklucht vermengde zich met Brylcreem, Fresh-up aftershave en als je pech had kwam er een oud mannetje binnen die de indringende lucht van pestvoer bij zich droeg. Aanvankelijk had ik weinig bezwaar tegen mijn kappersbezoeken. Ik luisterde met plezier naar de verhalen van de kapper die mogelijk meer blaren op zijn tong had dan op zijn vingers. Wat kon die man (mee)lullen met Jan en Alleman, maar nooit kwaadaardig. De kapper was een vriendelijke man met pretoogjes die zichtbaar tevreden was met zijn dagelijkse gedoetje, waar knippen slechts een onderdeel was. Er stonden vier stoelen langs het raam opgesteld, twee aan weerszijde van een formica tafel met tijdschriften en het Sallands Dagblad. Om de zoveel tijd ging de deur naar het achterruim open en bracht de kappersvrouw een verse pot koffie in een doffe ouderwets roestvrijstalen kan met gekruld schenkgedeelte. Dit ging meestal onopgemerkt, want zelden kregen we de kappersvrouw te zien. De kapper schonk dan koffie voor de wachtenden, soms wel vier mensen. Ze wisten allen dat ze het eerste uur niet weg konden.

Na verloop van tijd begon het me tegen te staan, die kappersbezoeken. Het was niet de entourage, maar naarmate mijn puberteit zich nadrukkelijker aandiende was het bloempotmodel niet goed genoeg meer. En veel meer kon hij ook niet, want meestal verdeed hij zijn tijd met het knippen van bijna kale mannetjes of boeren die überhaupt geen oog hadden voor wereldse coupes. Ook schoor hij met regelmaat nog de klanten, maar dat hoefde bij mij nog niet.
Ik wilde een eigentijds uiterlijk, geen bloempotmodel dat na enkele weken helemaal rampzalig was, zeker als je haar halfweg de oren geknipt werd, waarmee er spatborden aan de zijkant van je hoofd groeiden. Ik wilde dus een model, maar vooral een andere kapper. Maar die was waarschijnlijk duurder. Ik opperde bij mijn moeder dat ik een model geknipt wilde hebben. ,,Dat is goed, vraag het maar aan de kapper.” Daar had ik niet op gerekend, ik dacht dat ze wel begreep dat ik bij de plattelandskapper weg wilde. Bovendien moest ik nog nadenken over het model, want wist ik veel. Het duurde nog een aantal knipbeurten voordat mijn aversie groot genoeg was. Ik moet dertien zijn geweest, in 1980, toen ik de stoute schoenen aantrok. Ik wilde een scheiding in het midden. Dat was hip, hoorde ik van mijn vrouwelijke klasgenoten die allemaal kwijlden bij die blonde lange man van Spargo. Ik had niks met disco, want immers net lid van de Status Quo-fanclub, maar in het gevlei komen bij de meisjes wilde ik wel.

Bij het volgende kappersbezoek mompelde ik iets dat ik een model wilde, een scheiding in het midden. De kapper knikte, trok een bedenkelijk gezicht, maar zijn ogen bleven vriendelijk naar mijn veel te lange haren met spatborden langs mijn oren kijken. ,,Zo” zei hij, ,,Dat kan.” Vervolgens liep hij naar een kast bij de deur waar zijn vrouw af en toe de koffie bracht. Het duurde even voordat hij gevonden had wat hij zocht, namelijk een groot boek dat hij op de marmeren platen bij de wastafels neerlegde. Aandachtig bladerde hij in het boek en begon hier en daar iets te lezen. Het was een oud boek, wel van na de oorlog, maar niet zo heel ver daarna schatte ik in. Hij maakte een snel knippend geluid met zijn schaar en duwde twee kammen in zijn witte kappersjas. Hij klikte nog even met zijn tong en toen liep hij op mij af. De operatie zou beginnen. Hij maakte mijn haren nat met een zilverkleurig potje voorzien van een rood pompje. Hij staakte zelfs zijn gesprekken met de wachters. Met het puntje van zijn tong tussen zijn lippen was hij met me bezig, af en toe terugvallend op de aanwijzingen in het boek. Ik heb volgens mij gedachteloos in de stoel gezeten, immers ik had nog geen lenzen dus ik kon via de spiegel niet nagaan of ik er al als de Spargo-zanger uitzag. Heel abrupt, veel sneller dan ik gedacht had, zei de kapper dat het klaar was. Nog steeds zonder bril moest ik van hem mijn coupe beoordelen. Ik zei dat het goed was, want ik wilde niets liever snel naar huis fietsen om in alle rust het resultaat op me in te laten werken.

Eenmaal thuis schrok ik me een ongeluk. De haren zaten in een strakke scheiding in het midden. Het leek in het geheel niet op de losse scheiding met opgekamde ponnie van de populaire zanger. Toen ik het mislukte model weg wilde kammen, kwam de volgende klap. In het boek van de kapper had blijkbaar gestaan dat een scheiding in het midden alleen gemaakt kan worden met het knippen van een flinke hap in het midden van je haarlijn. Er zat een soort driehoek in mijn haarlijn op het voorhoofd. Ik denk dat ik een keer flink gevloekt heb, huilen deed ik niet meer in die tijd. Mijn moeder kwam poolshoogte nemen en zonder iets te zeggen zei ze dat ik de volgende keer maar naar de moderne kapper moest gaan. ,,Morgen?” vroeg ik hoopvol. Ze knikte.

 

 

 

 

38 VERMIEREN uit de serie de kabbelende 100

Een zomerse november zondagmiddag, wat doe ik in de IKEA? Zelfbeklag is niet terecht, maar ik verwijt mezelf onnadenkendheid. In de aanloop naar het Zweedse Warenhuis verbaasde ik me al over de superdrukte bij de Intratuin, Praxis en de Kwantum. Het kan allemaal op zondagmiddag in Duiven, een werelddorp.
Het droge commentaar van mijn partner is:,, Dat is iedere zondag, welkom in 2014.”
Als ik gevoelig zou zijn voor hyperventilatie, dan was nu mijn moment of fame aangebroken. Ik baalde enorm, want ik weet wat mij het komende uur te wachten staat. Er is geen terugkeer mogelijk, de WC-bril moet vervangen worden. Dus mijn misantropische instelling zal bevestigd worden in de mierenhoop die IKEA heet. In lome irrationele tred slentert de mensheid gapend langs de keukens, banken en plastic hebbedingetjes.
Het ligt aan mij, zonder meer, maar wat heb ik zin om al die dikke wiebelbillen te schoppen, heel, heel hard.

20141102_163732
Wat is dat toch dat mensen, zelfs op mooie dagen, altijd maar weer naar elkaar toe trekken? Of het nu IKEA is, de meubelboulevard, zaterdagmiddag in een willekeurige provinciestad, een house-party, koningsdag of Lloret de Mar. Altijd zoeken ze elkaar weer op. Zou het in de genen zitten en welk gen mis ik, want ik vind mensenmassa’s niet prettig. De enige uitzondering is een voetbalwedstrijd van Feyenoord, maar daar lopen de mensen voor de wedstrijd allemaal dezelfde richting op, met het zelfde doel. Na de wedstrijd lopen ze wederom in dezelfde richting met een redelijke gelijke stemming, al naar gelang het verloop van de wedstrijd is geweest.
Dat gedrentel bij IKEA, dat plotse stilstaan en teruglopen als kippen zonder koppen is ronduit verschrikkelijk.
Ter plekke bedenk ik dat voor dit gedrag nog geen werkwoord is uitgevonden, dus bij deze voeg ik het woord VERMIEREN toe aan de Nederlandse taal. De betekenis is kort weergegeven: ,,Krioelende massa mensen onder het mom van gezelligheid, die zich op irrationele wijze een weg banen in de meute en op feestjes blijft beweren dat het heel gezellig was, hoewel hun gezichten ter plekke nonverbaal andere signalen afgaven.”
Misschien staat het over tien jaar wel in de dikke Van Dale? En als over honderd jaar de ontstaansgeschiedenis van VERMIEREN wordt gegeven staat er vast in het etymologische woordenboek: ,,VERMIEREN is voor het eerst gebruikt door een penopauzerige balkonmuppet die daarbij wist te voorkomen dat hij zijn misantropische inslag zou projecteren op zijn domme medemens.

En dan ben je iemand.